maandag 30 november 2009

Het precieze gebruik (1781 - 1800)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (1781 – 1800)

1781. de verrotte top van zowat alles: donateurs van Unicef Nederland zijn verontwaardigd over de tonnen die topman Henk Franken kreeg nadat hij was opgestapt. Hij kreeg van Unicef 350.000 euro mee. Unicef Nederland zegt ook niet blij te zijn met de tonnen die Franken meekreeg. De oud-topman kreeg eenmalig twee ton uitgekeerd en daarna nog een paar maanden salaris. In totaal kreeg hij 350.000 euro. In de krant spreken donateurs en vrijwilligers schande van de regeling van de VN-kinderorganisatie. Een woordvoerder van Unicef noemt het 'heel vervelend', omdat het geld besteed had kunnen worden kinderen uit arme landen.
1782. een vileine objectie: de filosoof Charles Taylor: “Het idee dat we in de grond onvolmaakt zijn en van daaruit verlangen en streven naar iets hogers verwerpen veel mensen principieel.”
1783. vooruitgang (1): “Gerard Reve: “Vooruitgang bestaat niet, en dat is maar goed ook want zoals het nu is, is het al erg genoeg”.

1784. vooruitgang (2): de Amerikaanse filosofe Susan Neimann in De Volkskrant: “Er is een enorme vooruitgang geboekt. De slavernij is afgeschaft, in gevangenissen wordt niet meer gemarteld, vrouwen hebben gelijke rechten gekregen. Zestig jaar geleden werd in Europa nog een strijd van allen tegen allen gevoerd”.

1785. vooruitgang (3): de Britse filosoof John Gray: “De mens is een dier dat zichzelf overschat”. En verder: “Meer dan de Verlichtingsdenkers leggen de christenen zich neer bij de eeuwige onvolmaaktheid van de mens”. Of nog: “Het goede leven vindt men niet in dromen over vooruitgang, maar door de tragische wisselvalligheden van de wereld met opgeheven hoofd tegemoet te treden”.

1786. De Europese unie: hoewel veel in te brengen valt tegen de aard en de werkwijze van de EU, toch is zij zonder twijfel het meesterstuk van de Westerse beschaving. Nog geen zestig jaar geleden stonden de naties daar elkaar naar het leven, volledig in de ban van een vaak racistisch en eng nationalisme.

1787. onze lichamelijkheid: hoewel alle mensen dagelijks een flink aantal keren het toilet bezoeken (en daar de eigenaardige transformatie van hun voedsel kunnen bestuderen), hoewel zij pijn lijden en geregeld oog in oog staan met hun snot en de vele vieze, slijmerige afscheidingen van hun lijf, die zij verwoed bedwingen met zeep, shampoo’s en zoetgeurende deodorants, toch weten zij merkwaardigerwijze niet dat om hun zielen een zeer werkelijk, alles bepalend lichaam hangt.

1788. liefde: bestaat altijd uit een reeks belachelijke gebaren. Er is niets meer deerniswekkend dan te zien hoe de anderen de liefde bedrijven en te horen welke infantiele kreetjes ze daarbij produceren.

1789. ietsisme: wordt altijd beschreven als de recente ijle damp van een vervlogen geloofstraditie. Maar misschien verwijst deze term niet naar een rouwperiode, maar is hij een vage aanduiding van een ontluikend spiritueel verlangen, bijvoorbeeld een redelijke (want aan de feiten aangepaste), maar geheel omgedachte definitie van de ziel en een andersoortige waardering van de ervaringen die zich daarin afspelen. Want de ziel hoeft niet persé te sterven als God dood is en de cultuur alweer een tuimeling maakt.

1790. de huidige politiek: Marcel van Dam: “Vroeger was het zo: politici hadden een idee en daar probeerden ze een aanhang bij te verzamelen. Nu verzamelen ze opvattingen en maken daar een idee bij”. Of anders gezegd: de markt in plaats van de ziel.

1791. Marcel van Dam: in een recent boek (2009) en in een film De Onrendabelen valt deze vroegere politicus de huidige zogenaamd linkse PVDA aan, precies met het argument dat ze te weinig links is gebleven en te veel toegevingen heeft gedaan aan de markt en aan de Derde Weg. Daarin heeft hij volstrekt gelijk. Het is echter merkwaardig dat Van Dam in zijn eigen tijd als staatssecretaris zelf heeft opgeroepen tot een meer realistisch socialisme (d.w.z. tot de liberalisering van bijvoorbeeld de volkshuisvesting). We leren daaruit dat actieve politici ervoor aarzelen bestaande machthebbers te schofferen en liever een omweg maken over weer andere machten en krachten op wie ze de verantwoordelijkheid kunnen afschuiven. Daarbij leren we ook dat het onrechtvaardig is iemands politieke opvattingen te veroordelen omdat vroegere uitspraken of daden daarmee niet volstrekt rijmen. Want een radicale consequentie is niet van deze wereld.

1792. koppig nationalisme: nu zowel Van Rompuy als De Gucht hoge posities in Europa hebben binnengehaald zie en hoor je in België en in Nederland allerlei juichende of teleurgestelde reacties, ingegeven door een gestreelde of gefrusteerde nationale trots. En dat
terwijl de schepping van de Europese Gemeenschap er juist toe dient om die te overstijgen.

1793. de Hollanders gebelgd: terwijl ze zeven jaar met hun premier hebben gelachen vonden de Nederlanders het toch vervelend dat Europa hem niet moest. Ze waren ronduit beledigd toen ze zagen wie wél uit de bus kwam. Ze waren tot in hun hart gebelgd. Want wat stelt dat voor, dat Belgische zootje? Wat lakenhandel, hier en daar een schilder die boerenkinkels afbeeldt als ze een houten nap met brij leeglikken en een gepermanente pias als Jean-Marie Pfaff.

1794. hoge bestuurders: elitaire lieden die graag een borrel met elkaar drinken, goed hun geld kunnen tellen, maar liever niet met hun poten in de modder staan. Het vuile werk laten ze aan anderen over. En dat zijn de politici of de managers (dat is vandaag de dag vrijwel hetzelfde) die op hun beurt wat blij zijn met de recente reeks van crisissen die ze alle schuld kunnen geven. Maar het cirkeltje sluit zich nooit: het zijn de hoge bestuurders die de oorzaak daarvan zijn.

1795. meningen (1): Elsbeth Etty in Vrij Nederland: “Een mening hebben is een opgave, waarvan je moe wordt”.

1796. meningen (2): meningen vallen niet uit de lucht. Om ze te vormen heb je piketpaaltjes nodig. Verantwoorde meningen hebben iets lijfelijks, ze zijn uit de potgrond van het leven geplukt en uit de commentaren daarover.

1797. Sobibor: een exemplum van de Westerse Beschaving, een topprestatie van onze gemeenschap die door Verlichting, wetenschap, humanisme en christendom tot in het merg is getekend en nu door minaretten en hoofddoekjes in haar wezen wordt bedreigd.

1798. eigenwijze jongeren: wie wat op leeftijd is gekomen verbaast er zich over hoe de jongeren geen oren hebben naar de door de ouderen in lengte van jaren en met veel moeite bijeengeschraapte levenswijsheid. Daarover Kristien Hemmerechts in Vrij Nederland: “Het is een bittere waarheid dat jonge mensen zelden een boodschap hebben aan wijsheid. Ze willen het leven zelf ontdekken, zelfs wanneer ze daar een hoge prijs voor moeten betalen. Al lezend bedacht ik dat ook de literatuur wellicht beter gediend is met de tegendraadsheid, onredelijkheid, heiligheid of woede van de jeugd. Oudere schrijvers mogen dan wel de wijsheid in pacht hebben, ze kunnen er in hun werk beter niet te nadrukkelijk mee te koop lopen”.

1799. tweedubbel geboren: de essayiste Zadie Smith spreekt van ‘twice borns’: voor de tweede keer geborenen , die bewust hebben afscheid genomen van het gedachtegoed waarin ze zijn opgevoed. Maar de besten van ons, die ondanks hun hogere leeftijd een levendige ziel hebben bewaard, zijn zonder twijfel meervoudig geborenen.

1800. literaire zelfstreling: een goed boek mag geen aanleiding geven tot allerlei vormen van zelfstreling. Men leest niet om gelijk te krijgen en zichzelf daarin als een kikker op te blazen. Een boek verwijdert je van jezelf, maakt je anders, doet je kennis maken met een andere geest.

zondag 29 november 2009

Conversatietips voor gevorderden


Conversatietips voor gevorderden (11)

Wat je moet zeggen om gehoord te worden …

Je haat ruzie en je nieuwe vriendje vindt je een watje: zeg hem op droeve toon: “Ik was de jongste van vijf kinderen. Ik heb als geen ander meegemaakt hoe het altijd bonje was tussen mijn vader en moeder. Schreeuwen, blèren, altijd ruzie, en méér dan dat: na een woordenwisseling vielen er af en toe ook klappen. Ik liep dan huilend het huis uit”.

Men vindt je lelijk: pareer iedereen die dat laat blijken met de volgende woorden: “De keuzes die mijn vader en moeder gemaakt hebben snap ik wel, al verdienen die niet bepaald een schoonheidsprijs”.

Je hebt een nieuw gebit en je bent een geboren mystificator: zeg tegen allen die het horen willen: “Het is een enorme verbetering. Het is niet alleen veel mooier dan het vorige, maar het maakt mij ook onafhankelijker”.

Je bent een kunstcriticus en zeer corpulent: maak al je kennissen duidelijk dat kunst en goed eten bij elkaar horen zoals het Melkmeisje en Vermeer.

Een vrouw krijgt een positie in de raad van bestuur op basis van het officiële quotum: troost je gepasseerde buurman met de volgende woorden: ”Walgelijk! Je reinste discriminatie! Vriendjespolitiek hoort stiekem te gaan. Zo doen mannen dat al eeuwen!”.

Je vrouw is uiterst progressief op alle terreinen: tart haar met de volgende woorden: “Zeker vind jij het positief dat Sinterklaas moederziel alleen komt aanrijden, vooraan van vrouwenborsten voorzien, gestempeld als kwaliteitsvlees, zonder kruis op zijn mijter en op een Palestijnse ezelin?”.

Je getrouwde minnaar gaf je zopas een heerlijk appartement. Nu wil hij bij je intrekken: aai hem teder over de wangen en zeg: “Verlaat je vrouw niet voor een jeugdig snolletje zoals ik. Ik neem wel genoegen met die ene avond per week".

Je minnares is boos omdat je geen tijd voor haar maakt: zeg haar, terwijl je haastig de drukproeven van je nieuwe roman doorbladert: “Een vluggertje gaat net. Maximaal twee minuten. Dan is het tijd voor het ernstige werk".

Je vader is boos omdat je rondtrekt met een Amerikaanse militair aan je leest: zeg hem: “Zoals Mata Hari ga ik graag met officieren naar bed omdat ik de verschillende nationaliteiten wil vergelijken".

zaterdag 28 november 2009

Wat zingt er in de ziel?


De muziek van de ziel – Soms wordt onze ziel een nieuw timbre gewaar, een nauwelijks hoorbaar trillen van een fris enthousiasme, de danspasjes van een opspringende, maar nog aarzelende wil. Vruchteloos zoekt zij naar een gedachte die daarbij past. En stoot zij dan in de werkelijkheid bij toeval op een persoon, een toestand of een ding, die in overeenstemming zijn met die innerlijke ritmiek, dan lijkt het of die persoon veel sterker aanwezig is, de toestand door en door gerechtvaardigd en het ding plotseling omhangen met een onvermoed soort schoonheid. Maar nog meer gebeurt het dat personen, toestanden of dingen door hun sterke presentie, hun aansprekende rechtvaardigheid of hun bijzondere schoonheid de ziel opeens doen zingen: voor een tijdje neemt zij hun vorm aan, zij deint op de maat van het uiterlijke. Opnieuw gekneed en geboetseerd, voor een tijdje bevrijd van haar natuurlijke vormeloosheid, rolt zij uit de mal van de wereld.

Het precieze gebruik (1761 - 1780)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (1761 – 1780)

1761. Spinoza praat met Darwin:

Spinoza: - Sedert de Verlichting geloven de meeste mensen niet meer in de letterlijke waarheid van de Bijbel, zo min als ze geloven in een persoonlijke God die hen de juiste weg wijst in hun individuele leven.
Darwin: - Dat is potentieel gevaarlijk, want als de religie een bijdrage levert aan hun overleving, hoe kunnen de mensen het dan zonder stellen?
Spinoza: - Ik denk dat ze dat niet kunnen.
Darwin: - Daarom moeten we nog de vraag stellen: in wat voor God geloven de mensen die in God geloven én in de evolutietheorie?
Spinoza: - In die God van de eeuwige noodzaak die ik vroeger noemde Deus sive Natura.

1762. het kleine ik (1): Marjolijn Februari in De Volkskrant: “In het algemeen is het goed om de negativiteit een plaats te geven in je wereldbeeld. Om die reden besloot ik ooit, toen ik nog lesgaf, mijn studenten iets bij te brengen over de gewoonheid van negatieve uitingen en verlangens. Ik hield een gloedvol college waarin ik vertelde dat niet iedereen altijd maar gelijkmatig is en naar harmonie streeft. Ik sprak over Nietzsche en markies de Sade en ik vond na afloop een afvaardiging van de studenten op mijn stoep met het verzoek zoiets nooit meer te doen. Zij wilden liever niet te veel weten en zeker niets over het boze”.
1763. de Walletjes: misschien de lelijkste plaats van Europa.
1764. het kleine ik (2): om een beetje goed te kunnen leven moet met men zich bewust zijn van de morsigheid en de rommeligheid van het dagelijkse bestaan: het zit vol negatieve situaties, vervelende personen, uiteenlopende irritaties, onduidelijkheden en rasechte contradicties, onmogelijke verlangens, straffe overdrijvingen en onterechte minimaliseringen. Wie iets anders verwacht loopt vast in een depressief straatje.
1765. de huidige concentratiespanne: de samenleving heeft de afgelopen decennia een geweldige versnelling ondergaan. Dat is ook te zien in films en televisieprogramma’s. De favoriete lengte van televisieprogramma’s is 25 minuten. Programma’s van meer dan 50minuten zijn bijna niet meer te slijten.
1766. hoe politici linkse kritiek pareren: ‘If you can’t convince them, confuse them.’
1766. ergerlijk: de kille economentaal waarin de groeiende achterstelling van de laagverdienenden en de noodlijdenden ‘normalisering’ wordt genoemd.
1767. de filosoof: een eenmansbedrijf van opinies, een voortdurend producerende argumentenfabriek met als ruwe grondstof al wat menselijk is.
1768. de neologismen van de week: de eerste grote Europese Tuinkabouter, de europygmee, een Kremlinachtig gekonkelfoes, bankieren als God in Frankrijk, stalinistische betonkoppen.
1769. Herman Van Rompuy als uitverkoren kneusje: Thomas von der Dunk in De Volkskrant: “Niet de sterkste kandidaat won het zo, maar de minst aanstootgevende: degene van wie de regeringsleiders het minste te vrezen hebben. Hooguit met het oog op die ondemocratische procedure schuilt er iets geruststellends in die onbeduidendheid. Anders dan zijn ooit afgewezen daadkrachtige landgenoten Verhofstadt en Dehaene is Van Rompuy een man zonder veel ambitie. Hij wil niet op zijn successen beoordeeld worden, maar op het onheil dat hij te voorkomen weet. Inderdaad heeft hij voorkomen dat de Belgische politiek op het kiesdistrict Halle-Vilvoorde uiteen is gespat, en voor een land dat geen land is, is dat inderdaad heel wat. Maar gezien de enorme pretenties van Europa met zichzelf als 'wereldspeler' en het opgeblazen proza van al die regeringsleiders die elkaar nu niet het licht in de ogen gunnen, is deze uitkomst voor het interne en externe aanzien van de EU desastreus”.
1770. communistische duivels: Renee Braams in De Volkskrant: “Als het communisme een lachwekkende, tot mislukken gedoemde onderneming was, waarom hebben er dan miljoenen mensen hartstochtelijk in geloofd, zo hartstochtelijk dat ze wilden sneuvelen voor de rode vlag? Het communisme was verwerpelijk door zijn ingebouwde fouten, zeggen sommigen, zoals de overmatige concentratie van macht bij de partij en de instrumentele benadering van ethiek. Maar het was een product van het kapitalisme, van de ellende die voortkwam uit de industriële revolutie, zo beeldend beschreven door Friedrich Engels in de 19de eeuw. Die ellende bestaat nog steeds Als Engels op aarde terug zou keren, naar de sloppenwijken van de meeste Aziatische, Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse steden, plus een flink aantal steden in de ontwikkelde wereld, zou hij niet verbaasd zijn. Het communisme was een radicaal antwoord op sociale ongelijkheid. Omdat die ongelijkheid nog altijd bestaat, zal het kapitalisme ook opnieuw worden uitgedaagd, bijvoorbeeld door de radicale islam”
1771. het oningevulde ik: volgens Novalis is onze subjectiviteit wezenlijk zwevend, in flux, zonder vaste bodem in zichzelf en daarom afhankelijk van stilering om een vorm te vinden. Die vorm is onvermijdelijk voorlopig. Dit is wellicht een argument om aan de stijl voor de exploratie van de ziel een waarheidsrevelerend moment toe te kennen: omdat de eerste in haar dansende beweging een efemere gestalte geeft aan de tweede is de beschrijving van de ene ook verregaand die van het andere.

1772. de filosofie als een dagjob: Adorno: “Zulke filosofie is een schoolvoorbeeld van onderdrukkende zelfdiscipline. (...) Men zou zich toch onmogelijk Nietzsche kunnen voorstellen in een kantoor, met een secretaresse die in de ontvangstruimte de telefoon aanneemt, tot vijf uur achter de schrijftafel, en als de dagtaak erop zit een partijtje golf”.

1773. het kleine ik (3): geheel los van het inzicht in wat spiegelneuronen zijn en hoe ze functioneren (een belangrijke verovering van het hersenonderzoek) beweert Hans Achterhuis in zijn boek Het rijk van de schaarste (1988) en ook in zijn recente Met alle geweld (2008) dat de mimesis ofwel de nabootsing een belangrijke rol speelt in het menselijke gedrag. In tegenspraak met het moderne credo, dat de persoonlijke eigenmacht preekt, handelen we niet graag als een uniek en autonoom individu. Zeker als we niet goed weten hoe te reageren kijken we even over de schutting om te zien wat de buurman doet. Ook dit fenomeen geeft aan hoe klein en zwak we zijn.

1774. mooi gezegd: in deze tijd van korte lontjes; in zijn jeugd werd hij gepiepeld door allerlei machtigen.

1775. het museum voor moderne kunst: een aantal copulerende poppen, een groep stilstaande kunstenaars in politie-uniformen en een kunstwerk met de naam Arsewoman in Wonderland.
Dan schiet het troostende dictum van de Engelse filosoof Roger Scruton mij te binnen: “Ik wil mij niet laten intimideren door lelijkheid”.

1776. schoonheid (1): zij is zo aantrekkelijk en voor gevoelige naturen wellicht broodnodig, omdat ons ego oningevuld is en slechts door een intieme omgang met de werkelijkheid zijn (vloeiende, voorlopige) contouren krijgt. Schoonheid doet je goed kijken en geeft aan onze emoties, verlangens en aan het denken een zekere richting. Niet alleen de inhoud van het kunstwerk maar ook zijn stijl slaat enigszins de maat voor onze ziel, die op den duur gaat dansen op haar ritme. De schoonheid grijpt onze aandacht en schenkt ons de stellige indruk dat er iets belangrijkers is dan wijzelf. Of zoals Roger Scuton het zei: “Jij bent niet belangrijk: dit is!”. Omdat we zelf klein zijn hebben we nood aan iets transcendents, aan iets wat groter is dan wijzelf, een machtige, uiterlijke stut, die kan verhelderen en samenbinden wat in onszelf duister is en verdeeld. Daarom vergt onze omgang met schoonheid een soort bescheidenheid, (de voorafgaande erkenning van onze natuurlijke substantieloosheid en de bereidheid die te vullen met wat waardevol is in de buitenwereld, ook als dat veel moeite, studie en aandacht kost), en verder een soort hoffelijkheid en beleefdheid voor objecten en standen van zaken die ook onze houding tegenover de medemens gunstig kan contamineren.

1777. hoop: vaak wordt onze ziel - omdat ze wankel is kijkt ze verlangend uit naar uiterlijke stutten - , gevierendeeld door het onnadenkende, plebejische gedrag van de anderen, door de weinig inspirerende kracht van toestanden en door de onverschillige en zelfs de weerzinwekkende aard van zovele dingen. Des te meer voelt zij een verlangen naar een komende gemeenschap van smaak, van allure en inzicht, waar zij vleugels kan krijgen.

1778. communicatie: Proust schrijft dat mensen door muziek met elkaar hadden kunnen communiceren over hun diepste drijfveren, als niet de uitvinding van de taal dat vermogen had verstoord. Hoe het ook zij, communicatie kan niet eenzijdig worden opgevat als een beweging van binnen naar buiten, maar ook, omdat we innerlijk uiterst ongedefinieerde en zeer plastische wezens zijn, als een beweging in de omgekeerde richting, een beweging die dan geen uitdrukking is van onze persoonlijkheid, maar de vorming ervan.

1779. Euro Disney: tijdens de Eerste Wereldoorlog vielen op dat terrein duizenden slachtoffers. Nergens staat er een gedenkteken. Daarom: een vergeetpark.

1780. schoonheid (2): alles in het innerlijke leven is samengesteld, meergelaagd,vaak ambivalent en soms contradictoir. Zo is het ook met onze schoonheidservaring. In haar meer klassieke vorm schrijft ze aan de ziel een regime voor van orde en maat. In haar meer dyonisische variant waait ze als een stormwind door het voorheen zo netjes geordende kampement en wekt een hevig verlangen op naar afbraak, vernieling en chaos. En achter dit wildemansverlangen hoort men al vlug de nog ongeprononceerde verzuchting naar een nieuwe, meer bevredigende orde.

vrijdag 27 november 2009

Vulpasta voor het ego


Het oningevulde ik - Onze ziel is allereerst een geheel van uit de evolutie voortgekomen, zeer materiële mechaniekjes, een reeks in het lichaam voorgegeven apparaatjes die daarna op allerlei dingen personen, standen van zaken en ook op elkaar betrokken raken. Op zichzelf zijn die apparaatjes niet veel zaaks, ze zijn werkloos, ze kunnen slechts functioneren als het meel van de buitenwereld door hun molens gaat. Het is daarom verkeerd het innerlijke leven te zien als uitsluitend het product van een onafhankelijk, van de wereld losgezongen subject. Het leven van de geest, - ook als we eenmaal de fysiologische voorwaarden daartoe hebben onderkend evenals de in miljoenen jaren verworven instinctieve onderbouw ervan -, blijft een ongeactiveerde reeks van gereedliggende schema’s en mogelijke actiemodellen, die slechts een concrete gestalte aannemen in een veelzijdige omgang met de buitenwereld. Uit allerlei studies blijkt dat die omgang zelfs constitutief is voor de hersenapparaatjes die zich in hun lange ontwikkeling aanpassen aan de invloeden van buiten uit. Wat we ons geestelijke leven noemen wordt in zeer sterke mate door die externe stimuli gestuurd, zodanig dat een beschrijving van het ene een niet zo onnauwkeurige beschrijving is van het andere. De oningevuldheid van het ego, of de prioriteit van het object op het subject, is dan ook een belangrijk aspect van wat ik de filosofie van het kleine ik noem.

Als het ego op zichzelf oningevuld is, als de losse, open, vloeiende structuur van onze geest slechts door de druk van buiten een voorlopige gestalte aanneemt, dan heeft dit inzicht zijn gevolgen voor de filosofie, deze bijzondere bedrijfstrak van het kennen, die probeert beschrijvend en verklarend te analyseren wat de mens en zijn activiteiten zoal voorstellen. Het vertrekpunt van die analyse kan niet langer een cartesiaanse, zelfgenoegzame subjectiviteit zijn, maar veeleer – en dat is de centrale gedachte van Adorno (foto) - de overstijging van de typisch moderne dualiteit tussen subject en object, waarbij het laatste de dominante rol speelt. De filosofie wordt dan een soort hermeneutiek, een vorm van cultuuranalyse en mogelijk een cultuurkritiek. Zij houdt staande dat de ziel bestaat, maar slechts tot iets substantieels kan uitgroeien als ze de moeizame omweg maakt over de dreigende en toch uitdagende slingerpaden aan haar buitenkant.

Blijmoedige bejaarden


Anachronistische bejaarden - Ik wil het hier niet hebben over de knasse knarren, de montere bejaarden die hun lichaam op allerlei manieren willen modelleren naar dat van de jeugdigen. Dat is al erg op zichzelf. Er zijn bovendien bejaarden die, geheel tegen hun waardigheid en tegen de gang van het leven in, een frisse ziel in zich dragen, een door tegenslagen onaangeraakte jeugdigheid van de geest, een ongedeukt optimisme, dat, in plaats van hen te sieren, hen het zicht op de realiteit ontneemt. Wie zestig is geworden en nog gelooft dat alles goed zal komen, dat de collectieve en de individuele geschiedenis zich naar een lichtend eindpunt beweegt, dat er een goede God over hen waakt, dat de mensen altijd lief zijn voor elkaar, dat de gezagsdragers voorbeeldig zorg dragen voor hun onderdanen en dat een symfonie van harmonieus geluk het doel van het leven is, zulke illusionisten van het bestaan beschouw ik als onnadenkende, als zichzelf overlevende, voor het belang van anderen blindblijvende achttienjarigen. Zij zijn de glimlachende verraders van het inzicht, de met watten omzwachtelde drilboren in het fundament van de barmhartigheid, de botte steekwapens in het vlees van allen die lijden.

maandag 23 november 2009

Conversatietips voor gevorderen


Conversatietips voor gevorderden (10)

Wat je moet zeggen om gehoord te worden …

Een buurtweduwe zit je seksueel op de hielen: zeg haar met klagende stem: “Ik kan je fysiek niet veel bieden. Door langdurig gebruik van antidepressiva is het verdwenen en ik ben bang dat ik je daardoor tekort zou doen”.

Je vriend verloor een kapitaal in het Fortisgebeuren: klop hem op de schouder en beur hem op met de volgende woorden: “Koester wat is verloren gegaan, vier wat is gebleven en omarm wat er bijkomt!”.

Je deftige vriendin roddelt over jou: verspreidt onmiddellijk het gerucht dat ze een pornoroman heeft geschreven.

Op de voorleesavond heeft je concurrent alle succes: fluister hier en daar een toehoorder de volgende woorden toe: “Ach, hij is zó gejaagd op het halen van tranen! Ik zie veel trucjes en weinig authenticiteit”.

Je dochter wil poseren in een spijkerbroek die ze losknoopt: waarschuw haar als volgt: “Het mag wel esthetisch zijn, maar niet erotisch. Hou die grens steeds in de gaten!”.

Je vrouw vindt je al te zeer een tafelspringer: antwoord haar zonder aarzelen: “Vroeger hield ik van het provoceren om het provoceren. Tegenwoordig denk ik: wat is mijn boodschap en hoe kan ik haar zo hoog mogelijk aan de toren hangen?”.

Je politieke vrouw wil rust en tegelijk meer naambekendheid: spreek haar streng toe als volgt: “Let op, lieve schat, op dat snijvlak dreigt, helemaal als je een wat egocentrische of ijdele inslag hebt, eeuwig gevaar.”

Je hebt helaas geen diploma: zeg tegen iedereen die zich daarover verwondert: “Ik wilde bewijzen dat ik anders was. Ik vocht, ik stal, ik gooide met tomatenketchup besmeurde tampons naar het schoolbord, luisterde niet naar de leraren, presteerde slecht.”

Je vriendin vindt je stropdas veel te flamboyant: antwoord haar als volgt: “Nederig zijn is mooi, maar het kost me grote moeite.”

Je vrouw vindt je al een tijdje onrustig: kijk haar strak in de ogen en zeg: “Dat is de wolf in mij, mijn niet-gedomesticeerde ego: ik wil van tijd tot tijd even teamsgewijs buiten het gezins- en relatieregime naar adem happen”.

Het precieze gebruik (1741 - 1760)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (1741 – 1760)

1741. individualisme: het behoort tot de moderne mythe van het individualisme de mens voor te stellen als een dappere eenling die onvervaard de degens kruist met de wereld en de natuurlijke machten daarin. Maar tussen de mens en de wereld staat de maatschappij, die bovenop een hele reeks natuurlijke beperkingen ook nog eens een dikke laag culturele belemmeringen op onze activiteiten legt. En daarom is onze vrijheid of ons individualisme niet zomaar een aangeboren, in onze constitutie gereedliggend en zich spontaan ontwikkelend vermogen, maar veeleer een moeizame opgave, een bijna onmogelijke poging om doorheen de dubbele barrière van de wereld en de maatschappij iets van onszelf te realiseren.

1742. de literaire stijl in de filosofie: omdat velen de filosofie opvatten als een soort wetenschap hebben ze argwaan als iemand hen een literair-filosofische tekst voor de neus legt. Daarachter schuilt een wantrouwen in het waarheidsrevelerende karakter van de literatuur. Maar omdat in menselijke zaken gevoel, verbeelding en wil onscheidbaar in het denken zijn verwikkeld is een volstrekt rationele analyse van het leven een nog grotere vervreemding van wat er daar aan de hand is dan omgekeerd.

1743. tegen de eenduidigheid: Rik Torfs: “De grote (menselijke) vragen vertonen een complexiteit waar de doorsnee Europeaan, opgevoed in een intellectueel wat opgesmukt zwart-witdenken, niet echt mee kan leven”.

1744. de romantiek van de verzorgingsstaat: vele mensen raken heerlijk opgewonden als ze wandelen in een idyllisch stukje natuur. Het lijkt of ze daar, in de moederlijke omhelzing van bomen, weiden en vergezichten, hun thuis terugvinden, hun geborgen, beschermde kindertijd. Hoewel ook ik niet ongevoelig ben voor deze illusies (want wie zoekt niet nu en dan, tussen al zijn inspanningen door en bedrukt door de last van het weinig troostvolle denken, naar een rustgevend eilandje in een imaginaire zee?), toch realiseer ik mij, telkens als ik door belommerde bosschages, door een met groen omzoomde holle weg of naast aantrekkelijke waterpartijen beweeg, dat al deze pracht mijn schepping is, een eigen superpositie van mooie gevoelens op een op zichzelf onverschillige natuur. Dichter bij de werkelijkheid is de romantiek van de stad. Wandelend door de zomerstraten zie ik ziekenhuizen, de ene school na de andere, prachtige openbare gebouwen, kantoren van ziekenfondsen, van glas en zon doorschoten bibliotheken: zovele stenen getuigen van de moderne verzorgingsstaat, van een hartverwarmende moederlijkheid die niet in de fantasie, maar in de harde realiteit aanwezig is. Het zou een taak van een zeer vaardig dichter kunnen zijn dat soort romantiek in de alledaagse gemeenpraat ingang te doen vinden.

1745. argwaan: zijn woorden waren te mooi om niet tegelijk een beetje verdacht te zijn.

1746. trouw: wie op wat oudere leeftijd volstrekt trouw blijft aan zijn vroegere ideeën heeft opgehouden met denken. Het is geen plicht het tweede deel van je leven te doen rijmen op het eerste.

1747. gelijkheid: nog eens Rik Torfs: “Gelijkheid is niet fraai, maar ongelijkheid is erger”.

1748. beïnvloeding: ideeën zijn het topje van een ijsberg: daaronder zit een gangenstelsel vol voorbereidende inzichten, gevoelens, bepaalde gerichtheden van de wil en de stuwende kracht van allerlei praktijken. Wie iemand van een hoger idee wil overtuigen moet eerst heel wat werk verrichten in die onderaardse wereld.

1749. kerkknielers: vele mensen die daar ostentatief knielen beoefenen de nederigheid maar moeizaam, want men kan dat ook doen om zich van de anderen te onderscheiden.

1750. bende vetrovers in Peru opgerold: komen ze weer vrij, dan schrijf ik hen een brief. Om de Belgische politiek van overtallige elementen te verlossen, suggereer ik daar een paar namen.

1751. de one-liners van de week: in De Morgen:“Laat Leterme maar kermen!”; Yves Desmet: over het islamdebat: “Makkers, laten we het oneens blijven!”; blogspeak over Van Rompuy: “Wel, wel, voor de tweede keer niet democratisch verkozen, je moet het maar doen!”; Eric Van Rompuy: “Mijn broer wil invloed hebben”.

1752. de tautologie van de week: het casinokapitalisme.

1753. ergerlijk: bijvoorbeeld zelfhulpboeken over sekserelaties die de evolutiebiologie misbruiken om allerlei clichés over de twee geslachten ‘wetenschappelijk’ vast te spijkeren en daarmee allerlei door de natuur geijkte gedragspatronen verbinden. Maar het is niet zo dat biologische verschillen, omdat zij natuurlijk zijn, ons gedrag moeten bepalen.

1754. Griet Vandermassen: naast de sociaal-darwinisten (die onuitroeibaar zijn want ze verdienen veel geld), zijn er nu ook de feministische darwinisten (en of die uitroeibaar zijn zal nog moeten blijken).

1755. Nelson Mandela: altijd een bron van inspiratie, want hij zei: 'The future belongs to those who believe in their dreams”. Maar wat hij zegt, is onzin, met de diepte van een tegeltje. Ik zou eerder zeggen: droom lekker door, en doe er vooral niks mee. Soms zijn dromen allesvernietigend. Als men probeert te doen wat men enigszins kan, is dat al veel.
1756. weer een staaltje inventieve sociobiologie: Liesbeth Wytzes in Elsevier: “Soms is het zo vermoeiend om een vrouw te zijn. Vrouwen, laat ik het maar eerlijk zeggen, hebben de ingesleten neiging om elkaar op het eerste gezicht te haten. Het is natuurlijk weer de sociobiologie die ons dwingt tot zulk gedrag. Wij vrouwen moeten niet alleen een zaadje scoren, we moeten ook nog zorgen dat die man bij ons blijft om de kindertjes de wereld in te helpen. Het gaat om meer dan dat zaadje, althans vroeger. Al die eeuwen in de grot, terwijl onze mannen de beste deal hadden en lekker in de frisse lucht achter een bizon aanrenden, zaten wij te konkelen bij het vuur. En maar naar elkaar loeren. Dat heeft ons gedrag bepaald. En daar komen we maar niet vanaf, terwijl ik denk: echt tijd om die grot eens uit te gaan”.
1757. Wagner: met de heavy metal van de negentiende eeuw.
1758. Bayreuth en zijn Festspielhaus: Wagner und Bratwurst. Het zingende broedei, de generatio spontanea van zowel genieën (Nietzsche) als monsters (Hitler).
1759. over haiku-Herman: “Een weinig charismatische, kalende brildrager uit België en toch de beste man voor de job”; “Lang verwacht, stil gezwegen, nooit gedacht, toch gekregen!”.
1760. wetenschap: de Amsterdamse fysicus Sander Bais in zijn nieuwe boek Keerpunten (Amsterdamse University Press, 2009): “Wetenschap is mensenwerk. Het is een methode om verhalen te ontwikkelen over onze plaats in het heelal en hoe dat zo gekomen is. En hoewel die verhalen gaan over deeltjes, sterren, beesten en planten, gaat wetenschap in essentie over de mensheid zelf. Des te treuriger is het dat wetenschap in het publieke domein betrekkelijk naar de marges is verdrongen. Verstandige mensen bekennen makkelijker dat ze niks van wiskunde begrijpen dan dat ze Shakespeare niet gelezen hebben. Terwijl wiskunde in feite universeler is dan Hamlet”.

zondag 22 november 2009

Belgisch politiek vademecum


Vademecum voor politieke beginners (11)

Wat je persé moet weten om het nieuws echt te begrijpen …

101. samenleving: een imagined community waarin de roofdieren hun prooien voorbeeldig oppeuzelen ten bate van het geheel.

102. het volk: altijd met Herder als zijn herder.

103. het Vlaamse volk: eerst een ruime verzameling van miezerige kleispitters, met hier en daar een gelikte stedeling, dan een kleine collectie van in religie doorbakken schrijvers en door heidense thema’s hitsiggeworden schilders, tot Conscience ze ongenadig op hetzelfde hoopje gooide.

104. de natie: overspant in haar neutraliteit allerlei culturen, talen en godsdiensten, maar kan het zeer partijdige lonken niet laten naar de grote poenpakkers daarbinnen.

105. de Belgische natie: een bastaardkind uit de baarmoeder van de Franse Revolutie: vrijheid, ongelijkheid en broedertwist.

106. de tricolore: een vergevenswaardige vergissing van een dronken vlaggenmaker uit Duitsland.

107. de Vlaamse Leeuw: een eigenaardig siermotief in de Tour de France.

108. de nationale hymne: de Belg bestaat uit schouderophalen en zijn nationale hymne uit geestdrift en vurige gebaren.

109. de Marsellaise: in de Platoonse hemel van Leterme het oerbeeld van de Brabançonne.

110. de hoofdstad: zij is er een, maar niemand weet waarvan.

zaterdag 21 november 2009

Het precieze gebruik (1721 - 1740)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (1721 – 1740)

1721. de neologismen van de week: een aanloopvijftiger, stoepkrijten, een stoepkind (mag in de stad voor het huis spelen), een blaaskaak in een lawaaihemd (felgekleurd), het armemensenwapen (bermbom), de griepbobo’s, de weduwe van alle belgitudes (Joëlle Milquet), een bierige Belg.

1722. de nieuwe eerlijkheid (Ned.): In Vrij Nederland: “Iedereen vindt het blijkbaar goed dat de dingen worden benoemd, dat iemand eens een keertje écht zijn mond opentrekt. Waarom dat goed is wordt meestal niet duidelijk. Volgens de nieuwe eerlijkheid is dat kennelijk van ondergeschikt belang. Dat is om bloedchagrijnig van te worden”.

1723. een militair op vredesmissie: een beschaver van beroep, maar hij schiet te veel.

1724. modern: elektrische devotiekaarsen, een digitaal condoleanceregister.

1725. anonieme misdaad: bijvoorbeeld de naamloze vennootschap.

1726. de moderne Franse filosofen: koersvast in hun pretentieuze rederijkerij.

1727. een moderne vloek: fuck the update!

1728. het gemiddelde Belgische loon: het gemiddelde bruto maandsalaris in België bedraagt 2.837 euro. Het maandloon van een bedrijfsleider is gemiddeld 7.624 euro of 168% van het nationale gemiddelde. Rudy De Leeuw (ABBV): “Ik stel een schizofrenie vast bij de bedrijfsleiders. Ze pleiten voortdurend voor een loonmatiging, maar uit deze cijfers blijkt dat hun lonen het meest stijgen”.

1729. Amerika: een land dat met de doodstraf wappert als met the stars and stripes, dat om de haverklap een oorlog begint om de zogenaamde democratische waarden uit te dragen, dat ziek is van de godsdienstwaan, dat de zorg om sociale voorzieningen afdoet als een slag in het gezicht van het vaderland en als vuig communisme: in dat land leden bijna 15 procent van de huishoudens - 17 miljoen gezinnen - in 2008 één of meerdere malen honger. Dat zijn 3 miljoen gezinnen meer dan in 2007, zo blijkt uit een Amerikaans overheidsrapport.

1730. Berno Barnard: een van de bejaarde curatoren van het "Groot Museum van elitaire angsten en bekrompenheid”. Ooit bewonderde ik die man voor zijn zwierige stijl, voor zijn mentale bravour en souplesse, zijn anglofilie, zijn brede culturele interesses en zijn opmerkelijke gevatheid. Nu rijdt hij zich meer en vast in het islamdebat, waarbij hij de positie kiest van de starren, de onbuigzamen, de onbarmhartigen, de luide roepers tegen links en de grote waarschuwers voor het komende onheil. Daarom ben ik het eens met Paul Goossens in De Morgen: “De verschillen tussen de islam en de waarden van onze "joods-christelijke beschaving" - een begrip dat Barnard te pas en te onpas gebruikt – zouden onoverbrugbaar zijn. Hoezeer Barnard en zijn echo Wim Van Rooy dit dogma met krantenknipsels, kreten en referaten tot objectief feit proberen op te tillen, het blijft een totaal uitzichtloos dogma. Ze poken en ze stoken de "beschavingsoorlog" voortdurend op. Toch onthouden ze hun kiezers of lezers het even logische als onvermijdelijke slot van hun rekwisitoor: de totale confrontatie en hoe het dan verder moet. Deportatie? Verbod van alle islamitische symbolen? Een nieuwe kruistocht? Een invasie van het Midden-Oosten of toch maar een ouderwetse godsdienst- en burgeroorlog? De enige die tot dusver een tipje van de sluier lichtte, was Wim Van Rooy, in een gesprek met Ico Maly voor radio Klara. Hij nam toen het woord "verdrijven" in de mond...”.

1731. Marokkaanse rotjochies: wie pleit voor een strenger optreden van de politie tegen deze dreigende jongelui heeft gelijk, maar, zoals dat gaat in dit complexe leven, niet helemaal. Men mag het niet voorstellen alsof die oplossing simpel is, evident en voor de volle honderd procent onbetwistbaar. Het is vooreerst niet duidelijk of de politie al niet voldoende ingrijpt, verder of ze dat wel mag of kan en vervolgens of dat radicale optreden volstrekt wenselijk is. Immers, als die politie het door allen gewenste recht verwerft om op dat punt de duivels los te laten, wees er dan zeker van dat ook andere groepen, personen of verenigingen, die op een bepaald moment in een kwalijke geur komen te staan, spoedig de dreigende kracht van de matrak zullen voelen. Het is gevaarlijk de staat, en vooral de politie, teveel macht te geven. Ook op andere terreinen bestaat de democratie uit zulke (noodzakelijke) aarzelingen tussen meer of minder. En vooral, wat in deze discussie altijd buiten het blikveld valt zijn de volgende vragen: als de politie niet mag optreden, als de democratisering niet wordt uitgebreid naar bijvoorbeeld het terrein van de economie, als het gerecht ondanks duizenden pogingen maar niet hervormd geraakt, als allerlei noodzakelijke wetten maar niet in of uit het parlement geraken, welke groepen hebben daar belang bij? Het zijn die groepen waarin het beroven, bedreigen of lastigvallen van voorbijgangers een zo geringe buit oplevert en als publieke misdaad zo duidelijk zichtbaar is dat ze er alleen onder een homerisch gelach over kunnen spreken. Ze hebben belang bij een machteloze staat die alleen met de lippen toeslaat. Het zijn de Grote Straffelozen.

1732. de islam als tegenverlichting (1): de homofobe islam zou de waarden van de westerse Verlichting bedreigen. Als tegengif tegen deze bewering het volgende bericht uit Elsevier: “De lesbische Monique Heeger is door de Christen Unie in Wageningen geweigerd voor de kieslijst voor de gemeenteraadsverkiezingen. Hoewel de partij zegt mensen niet te weigeren om hun homoseksualiteit alleen, mogen lokale afdelingen de ‘levensstijl’ van een potentiële vertegenwoordiger meenemen in hun beslissing”.
1733. de islam als tegenverlichting (2): nog een staaltje van Westers verlicht denken: 'Banken doen het werk van God'. Dat zei een topman van de Amerikaanse bank Goldman Sachs onlangs tegen een Britse krant.
1734. ten gerieve van de homofoben: “De anus is een uitgang en geen ingang".
1735. Van Rompuy’s stabiliteit (als premier): Knack: “Een schaap dat geschoren wordt blijft onbeweeglijk zitten om zo weinig mogelijk hinder van de ingreep te ondervinden”.
1736. kleine fouten in de politiek: Uit Knack: “Wat de Marseillaise is voor Leterme is een telfout voor Muyters”.
1737. gevaarlijke regimes: het is zaak neen te zeggen voor het te laat is, ook al gebeurt dat op een niet al te charmante wijze. Op dit moment is het Vlaams Belang bezig ongeremd uiteen te vallen. Zonder cordon sanitaire (volgens velen een aanfluiting van de democratie) was dit misschien niet gebeurd. Ook als deze gevaarlijke partij na opname in de regering nu desintegreerde, dat nog zaten we nu opgescheept met een aantal dubieuze maatregelen die zij, als regeringslid, zeker uit haar hoed had kunnen toveren. Nu hebben we, onze vrijheden, onze menselijkheid en onze eer bewaard.
1738. onbarmhartige maatregelen: mislukt in België: de invoering van de Mosquito, een elektronisch apparaatje dat een hoog frequent geluid voortbrengt dat alleen jongeren kunnen horen. De bedoeling was om hangjongeren op bepaalde plekken weg te jagen. Gelukt in Frankrijk: het stadje Argenteuil droeg gemeentearbeiders op om op plekken waar daklozen bijeenkomen om te slapen een product te verspreiden dat vreselijk stinkt.
1739. Leterme: hij schittert al in de luwte, maar hij is niet witgewassen.
1740. het belang van het verleden: Frank Furedi in Knack: “De intellectuele bronnen die vroeger zijn aangeboord geven geen pasklare antwoorden op hedendaagse situaties, maar we hebben ze wel nodig om tot eigen ideeën te komen. Daarzonder zijn we overgeleverd aan een soort passief meedeinen met de ontwikkelingen en zijn we niet in staat om betekenis te geven aan onze eigen ervaringen”.

Tasten in andermans ziel


Hoe de anderen te kennen – Wie een tijdje omgaat met zijn kennissen, vrienden en aanverwanten voelt op den duur wel aan welk vlees hij in de kuip heeft. Dit bijna automatisch, onbewust beoordelingsproces is niet willekeurig en volgt een interne logica. Onze geest neemt in de loop van zijn ontwikkeling een bepaalde gestalte aan, een concrete structuur die wordt bepaald door een aantal zeer centrale ideeën of waarden waarvan talloze andere het dragende metselwerk zijn. Ook het gevoel, de verbeelding en de wil van een persoon vinden in die interne organisatie hun passende plaats (over de ingewikkelde genese van die ideeën en over de intieme verstrengeling ervan met de meer irrationele delen van onze ziel wil ik het hier niet hebben). Kom je die belangrijke organiserende ideeën of waarden op het spoor, dan ken je ruwweg je medemens. Je weet wat hij verafschuwt en wat hij boven alles looft, waarvoor hij in de bres wil springen en wat hij ten alle prijze zal afweren. Omdat de mens een klein, zwak en beperkt wezen is schat hij de medemens niet in via een langdurig, rationeel afwegingsproces, maar hij neemt hem waar en beoordeelt hem, onmiddellijk, als in een reflex, doorheen het gereedliggende prisma van zijn centrale ideeën en de gevoelscomplexen die daarbij horen. Zulke beslissende categorieën zijn bijvoorbeeld de volgende: is iemand gelovig of niet? Heeft hij gestudeerd of niet? Is hij rijk of arm, een winner of een loser, gekleurd of blank, rechts of links?

Zoals de waarheid slechts zo groot is als het hoofd waar ze door moet, zo is de waarde van die interne onderscheidingen afhankelijk van de geestelijke rijkdom en de innerlijke reikwijdte van de persoon die ze vormt en hanteert. Ze kunnen een eigenmachtig veroverd bezit zijn, een eigen creatie of een verfijnde bewerking, een doordachte nuancering van wat uit de buitenwereld wordt aangereikt. Veelal zijn het doorslagjes van de common sense, afgietsels van het voorbeeld van belangrijke anderen of versimpelde vertalingen van complexe modellen die bewonderde figuren voor zichzelf hebben gerealiseerd.

Zo komt men op het spoor van een lichtende, levende ziel, als men zich afvraagt of iemand een horizontale of een verticale geest heeft. De eerste bestaat slechts in het teken van de ontlening, de gehoorzaamheid, de knieval en de hiërarchie. Al vlug wordt de horizontale mens driftig als je kritiek levert op zijn meesters. De verticale mens is dat (overigens noodzakelijke) stadium voorbij. Nadat hij zich voor lange tijd aan machtige voorbeelden heeft gespiegeld en zich tot zijn eigen voordeel met hun blinkende namen heeft omhangen, temt hij zijn modellen, komt hij ze te boven. Hij heeft geleerd te denken en te leven tegen zijn meesters in, aan hen voorbij, en op den duur leert hij zelfs het moeilijke vak om tegen zichzelf te denken. Doet hij een bewering dan bouwt hij al vooraf haar tegendeel erin. Zijn evenwicht is wankel en voorlopig, zijn denkstijl een eeuwige spagaat. Hoewel hij voortaan hier en daar op eigen benen staat, toch blijft hij een gehoorzame leerling op weer andere plaatsen. Want de mens is nooit helemaal sterk en zelden een bouwsel uit één stuk.

vrijdag 20 november 2009

De praktische en de theoretische rede


Het janusgezicht van de rede – We zijn eindige wezens, we hebben niet veel tijd, want de zorg voor onszelf, onze kinderen en kleinkinderen trekt aan ons. Hoe rijker en veelzijdiger we zijn, hoe meer bedreven we raken in de tijdrovende krijgsmanoevers die ons ego beschermen, uitbreiden en versterken. Daarom kunnen we niet wachten op de resultaten van de theoretische wetenschap, die ooit, in een verre toekomst, ons het definitieve heil op basis van een definitieve waarheid belooft (en misschien belooft ze te veel, misschien is het leven door en door divers, vol onverzoenbare tegenstellingen en verdeeld door onoverbrugbare paradoxen, misschien is zij in dat opzicht een nauwelijks te verantwoorden, andersoortig geloof, een nieuwe, seculiere variant van de christelijke hemel). Op dit moment, als het gaat over de alledaagse dingen des levens, zullen we het moeten stellen met die soort redelijkheid, die de filosofen al van in de oudheid 'praktisch' noemden.

De praktische rede is van een heel andere aard dan de theoretische. Zij is het natuurlijke product van de evolutie. Daarom wil zij allereerst ons persoonlijk welzijn en dat van alle personen, dingen, ideeën en instituties wie wij omarmen en waarvoor wij in de bres springen. Heel anders dan de theoretische is zij zonder schaamte bevooroordeeld: haar referentiepunt is het goede leven. Wat niet positief daaraan bijdraagt gaat haar niet aan. Zij houdt zich verre van het theoretische wetenschapsideaal dat - onder druk van vooral culturele imperatieven - objectief, streng, illusieloos, de desnoods van gif sissende waarheid onverbiddelijk uit haar slangenkuil jaagt. Toch savoureert zij zonder aarzelen alle techische en maatschappelijke delicatessen, die haar theoretische zuster in haar complexe keuken voor haar heeft bereid. De eerste is de denkwijze van vrijwel iedereen, terwijl de tweede het voorrecht is van een jarenlang geschoolde elite, geleerden met een gestaald en objectiverend superbewustzijn, dat slechts onder gunstige, voor de meeste mensen niet beschikbare of niet beheersbare omstandigheden tot ontwikkeling komt. De praktische rede is een uiterst lenige gelukstrategie, leugenachtig als het haar uitkomt, meer aan de kant van de schijn dan van het zijn, meer door verbeelding en verlangen betoverd dan door de naakte ratio. Zij is omhangen met de oppervlakkigheid en de schijnwaarheid van de door iedereen gedeelde gemeenpraat. Voor haar zijn de mensen eenvoudige geluksmachines, die kunnen worden bemind, gehaat, beneden en in het alledaags gebabbel als vanzelf begrepen.

Omdat de rede een janusgezicht heeft kruisen haar verdedigers en haar opposanten vaak de degens in een mist van talige verwarring. De ene heeft het over de aard en de werkwijze van de theoretische rede, de andere over die van de praktische en een derde over die van een ondoorzichtige mengelmoes van beide. Met het idee van de rede is het gesteld als met onze opvatting over de Verlichting: wie haar in zijn gareel spant moet eerst beslissen welke van haar vele gedaantes hij naar de voorgrond haalt. De taal is daarbij een hinderpaal. Abstracte begrippen (zoals ‘de rede’) zijn niets meer dan handzame hulpmiddelen, versimpelingen van een rijke verscheidenheid, symbolische constructies die een veelheid van singuliere objecten of toestanden voor het gemak aangeven met één woord. Daarbij gaat een hoop interessante verschillen de mist in. Als Dawkins en zijn hyperrationele vriendjes (vrijwel allen uit de school van de exacte wetenschappen en dus behept met een sterk theoretisch kennisideaal) de godsdienst als een illusie ontmaskeren en er dan stellig van overtuigd zijn dat de mensen (vrijwel allen inwoners van de alledaagse leefwereld en dus gepokt en gemazeld in de listen van de praktische rede) daardoor hun geloof zullen opgeven, dan vergissen zij zich, omdat het hen ontgaat dat het denken twee gezichten heeft.

woensdag 18 november 2009

Een tsunami van informatie


Het opgejaagde denken – Niet alleen in de lente, maar in alle seizoenen hoor je het luidruchtige getwitter, het vileine gevink van de Geenstijl-adepten. Er is geen mening, geleerd, dom, geïnformeerd, onnozel, briljant, stuntelig, agressief, neutraal, opgeleukt of doordeweeks, of ze opent geil als een exhibitionist haar regenjas voor je. Blogs, nieuwsbrieven, internetmagazines, het schreeuwlelijke gamma van tientallen tijdschriften, enorme hoeveelheden week- en maandbladen, het armageddon van boeken, de TV, de radio, hele en halve broadsheets, de vele bastaarden van The Sun, wie kan al die opinies behappen? Wie kan zich staande houden in die aanstormende tsunami van informatie, het dagelijkse, van alle kanten neervallende panta rei, dat de ziel uiteenrukt in duizend stukjes, waarvan geen mens een mozaïek kan maken? Er zou een ijzeren wet moeten zijn: slechts één krant per land, één tijdschrift, één TV-of radiozender, slechts éénmaal in je leven en slechts voor de duur van vijf jaar mag je blog zijn meningen spuwen, niemand bezit meer dan twintig boeken, schrijft er meer dan twee, drukt er meer dan tien. En als die plotselinge implosie van wat we allemaal zoal denken op den duur een totalitaire geur verspreidt, - want eerst moeten we afkicken - , dan verdubbelen we de toegestane aantallen op elk terrein. Pas dan kunnen we rusten. En er zou een stalen wet moeten zijn: voortaan zijn verboden alle met sterkedrank aangelengde woorden, krachttermen, schunnigheden, openlijke of verborgen superlatieven, overdrijvingen, al te opgedirkt taalgebruik. Als alle verbale en grafische trapezekunstjes tot een minimum zijn beperkt: pas dan kunnen we genieten.

John Gray over Dawkins


John Gray over Dawkins’ kruistocht tegen de religie

John Gray is Professor of European Thought aan de London School of Economics. Hij is de auteur van verschillende boeken die in vele talen vertaald werden. In het Nederlands verschenen Strohonden, Al-Quaida en de moderne tijd, Provocaties en Vals Ochtendlicht. Ik citeer hieronder uit Zwarte mis. Apocalyptische religie en de moderne utopieën (zie: Literatuurlijst).

Eigen commentaar:

Met plezier strooien de evolutionaire biologen, psychologen en ethologen het universele zuur van het Darwinisme over de vele illusies van de mens, waaronder het persistente geloof in de unieke positie van de mens in het geheel van de levende wezens, de religie en bepaalde onafhankelijkheidspretenties van de mens-wetenschappen. Hoezeer dat alles ook grotendeels terecht is, het verbaast mij dat deze evolutionaire weldenkenden op het einde van hun betoog, de menselijke vrijheid met een bijzondere nadruk onderstrepen. Dawkins: “Als enigen [mijn cursief] op aarde kunnen wij rebelleren tegen de tirannie van de zelfzuchtige replicatoren”. Volgens Gray steunt Dawkins op een christelijke wereldbeschouwing als hij aldus de menselijke uniciteit bevestigt. “Een echte naturalistische filosofie zou niet beginnen met de aanname dat de mens attributen bezit die andere dieren niet hebben; het uitgangspunt zou zijn dat de evolutiewetten, die voor andere dieren gelden, ook voor mensen opgaan. Welke reden – anders dan de onthulde religie –kan er zijn om iets anders te doen?”.
Even merkwaardig is het geloof van deze evolutionaire brights in de macht van onze ratio, een universeel zoet, een reddend weerwerk tegen het overvloedig uit de evolutie aangespoeld zuur. Het is overduidelijk dat de wetenschap, en vooral haar afgeleide: de techniek, het leven van miljoenen mensen op vele manieren heeft opgetild, verruimd en opgekalefaterd, maar een overtrokken geloof in onze analytische vermogens (op alle terreinen) is een product van het utopische denken en een ontkenning van onze verstandelijke beperktheid. Dit geloof in het machtige potentieel van de ratio wordt zichtbaar in Dawkins’ overtuiging dat een ruim verspreid inzicht in het illusoir karakter van de religie een definitieve stap zal zijn voor haar ondergang.

Daarover John Gray:

“Alleen een zeer goedgelovige filosoof kan ervan overtuigd zijn dat hij de religie uit de wereld kan helpen met een bewijs dat deze een illusie is. Dat veronderstelt dat de menselijke geest helemaal is ingesteld op de waarheid – een pseudoplatonisch concept dat dichter bij de religie staat dan bij de wetenschap, en niet consistent is met het darwinisme. Toch lijken de eigentijdse gelovigen een dergelijke visie aan te hangen”.

Nietzsche getemd


Hoe ik Nietzsche lees - Hij tast in mijn vlees, mijn zinnen en mijn ziel, een poliep met listige vangarmen, een lastige, nooit aflatende zuigmug. Daarom hanteer ik de vliegenmepper. Ik hou afstand van de tekst, verlies mij niet direct in de labyrintische zinnen, in de vurige galop van hun ritme. Zoals een bijna dode in zijn bed hallucineert dat hij boven zijn ligplaats zweeft, hoog tegen het plafond en zichzelf ziet sterven, zo verga ik languit in zijn teksten - tegen hun geweld is geen kruid gewassen - en tegelijk hang ik erboven, waakzaam, op mijn hoede, altijd met mijn argwaan in het gareel, aarzelend tussen vaderliefde en vadermoord. Ik wik en weeg. Zal ik duiken in dat kolkende water of blijf ik op de rand van de rivier? Ik geloof wat ik lees en ik geloof het niet. Ik proef iedere idee en die komen met vele tegelijk. Ik trek mij terug, een sigaar in aanslag, ik blaas rook door mijn gedachten: hoe tem ik anders de demon die uit die woorden grommend op mijn vel springt? Slechts met kazernetucht, een door ervaring verworven kapitaal van weigerachtig, vrijgevochten denken, dat niet capituleert. En dan stel ik het oordeel uit.

dinsdag 17 november 2009

Een nieuwe bundel van P. Rigolle



Paul Rigolle: “Van het hart een steen”.


Zopas ontving ik de nieuwe dichtbundel van Paul Rigolle “Van het hart een steen” (Poëziecentrum vzw, Gent, 2009). Een hele dag door las ik in een toenemende staat van verrukking het ene prachtige gedicht na het andere. Een literair criticus, die naam waardig, probeert bij zichzelf zijn verrukking, zijn afschuw of zijn onberoerdheid bij het lezen te begrijpen en te verklaren. Dan is hij een exemplarische lezer, die naar aanleiding van een concreet literair werk, toevallig in het publiek het woord neemt en zijn reacties beschrijft, analyseert en uitvoerig verantwoordt.

Hieronder druk ik één van de vele aangrijpende gedichten van Rigolle af. Later zal ik aan zijn bundel - in een wat langer stuk - de aandacht besteden die hij ten volle verdient. In de bundel bewonder ik vooral de harde, mannelijke, stoïsche toon, die een onbedwingbare, alles doordringende tederheid en een hernieuwde openheid voor de wereld niet in de weg staat. Het is een volwassen bundel, waarin Rigolle, nadat hij veel heeft geleden en van nabij kennis heeft gemaakt met de verbijstering van het bestaan, opnieuw rechtkrabbelt en een bijgestelde, meer genuanceerde blik op de wereld presenteert, waarin schoonheid, verbondenheid, onverbiddelijk realisme, tederheid, harde dapperheid, de verlokking van de openheid en de occasionele afsluiting, de omgang met het nabije en het verre, het poëtische en het picturale, het celebrale en het emotieve in een creatief mengsel samengaan. Het is het leven zelf, het verhaal van het kleine ik dat zich probeert overeind te houden en daarvoor een geschikte weg heeft gevonden. Al jaren bewonder ik ook de stijl van de dichter: de zwierige breedte van de volzin, de complexe retoriek, de rijkdom aan vreemdsoortige beelden en klankeffecten, de fijnzinnige ritmiek en de uitgekiende opbouw (zowel van de bundel als van het afzonderlijke gedicht), die alle als een geraamte het vlees van Rigolle's thema’s stutten en schragen. Op dit alles kom ik later terug. In citeer het slotgedicht.

Zanger

Passend op de plaatsen waar hij woont heeft hij
gevonden wat hij niet meer zocht. Als een zanger
schildert hij, prent zich namen in als rabarber
en bataaf. Met kraprood en evergreen, wennend,
langgerekt, een roes, een geeuw van taal, viert hij

de honger op zijn palet. De wereld welt weer op,
hij stelt zich niet teweer. Werkelijkheid van wind,
spreeuwen in de kersentuin, de bijen slapen
op hun rug. Lang was het stil maar de bomen
hielden nooit op met waaien. Niets is om

te verhelderen, of iets is helder of het is het niet.
Elke ochtend zal de eerste zijn van wat later komt.
Niets houdt op. Hij is niets kwijt, het rust in hem.

Conversatietips voor gevorderden


Conversatietips voor gevorderden (9)

Wat je moet zeggen om gehoord te worden …

Je beste vriend verwijt je dat je over hem hebt geroddeld: verdedig je als volgt: “Och, hooguit heb ik hier en daar op fluistertoon wat meegesponnen in de dissonante koorzang van de geruchten.”

Je gebruikt een pendel en je vrouw vindt dat ergerlijk: complimenteer haar met haar modieuze jurk en zeg dan onmiddellijk: “Weet je, Cristian Dior, die was pas ongelofelijk bijgelovig: hij pakte hout vast, panikeerde bij een gebroken spiegel en ongeluksgetallen, had een gelukskleur, droeg amuletten en nam geen beslissingen zonder zijn waarzegger te spreken.”

Je vriendin kocht zojuist een sterk getailleerd jasje tegen een onverantwoorde prijs: kalmeer haar door de volgende woorden: “Je ziet er op-en-top Parisienne uit, geheel en al een ingesnoerde mannelijke belle-époquefantasie”.

Je vriend zeurt voortdurend over de abominabele omgangsvormen van zijn buurman: breng hem tot rede met de volgende woorden: “Ach ja, het gras is altijd verrotter bij de buren.”

Het gaat slecht met het bedrijf waar je op kantoor zit: zeg tegen iedereen die het mag horen: “Dat komt er van, als de top in megalomane projecten investeert en bestuurders aantrekt die liever in een Maserati rondrijden dan op een ordinaire dienstfiets.”

Je broer wordt bestuurslid van de lokale LDD: daag hem uit met de volgende woorden: “Vooruit nu met de geit! Kom maar op met die vlijmscherpe onderzoeken. Leg de verrotte zenuw bloot van al die linkse subsidieslurpers met riante salarissen en onduidelijke adviesbureautjes.”

Je vrouw begint weer eens te krijsen en ze heeft een bord in haar handen: “Kom, kom, de kogels fluiten je niet om de oren. Het geeft geen pas je weer in het hogere geweldspectrum te begeven.”

Je zoon aan de top is pas getrouwd en alweer gescheiden: zeg tegen al je vrienden: “Zo gaat dat met die young urban professionals met hun korte concentratiespanne!”

Je dochter van twintig vindt je al te cynisch: antwoord haar op vermanende toon:“Het is toch duidelijk dat rustige vastigheid meestal zoveel betekent als lustige vadsigheid.”

zondag 15 november 2009

Belgisch politiek vademecum


Vademecum voor politieke beginners (10)

Wat je persé moet weten om het nieuws echt te begrijpen …

91. toespraak: ben je redelijk, dan springen de verlangens van het gemeen al gauw over je kop. Laat je de stem van het volk erin waaien dan ben je populistisch. Schrijf je hem zelf, dan is ie weinig effectief. Doen je spindoctors dat voor jou, dan is ie helemaal niet authentiek. Ervaren politici spreken alleen op het partijcongres, vlak voor de koffie met broodjes. Veel productiever is een ommetje naar Phara: zeg iets tégen de bruinjoekels of presenteer een nieuw kapsel.

92. bevoegdheden: een reeks van bijzonder libidineuze objecten. In de anale fase pronk je ermee als een stripteaseuse met kleurrijke veren in haar kont. In de orale fase schiet je van alle kanten gifpijlen naar je tegenstanders, je eet ze ongenadig op en je verteert hun bevoegdheden tot ze je eigen vlees zijn en je eigen bloed. In de genitale fase strooi je ze gratuit uit over deelregeringen, commissies, werkgroepen en adviesorganen, je gewillige minnaressen, die je van alles de schuld geeft.

93. regeringsverklaring: een homeopathisch document met wekenlang dooreengeschud water en een handjevol compromissen in extreme verdunning.

94. financiële crisis: indien het niet de schuld is van Europa, dan van de financiële crisis.

95. regeerakkoord: indien de regeringsverklaring onmiddellijk volgt op het regeerakkoord, zijn ze soms identiek.

96. regeringsleden: pas ken je hun namen of ze zijn al weg.

97. duurzame energie-politiek: ze kómt er op het moment dat de kleine man zich te voet voortsleept van het ene koude huis naar het andere.

98. politieke roeping: de meeste politici geven gehoor aan hun roeping in de broek van hun vader. Daarom is zij bij uitstek een aristocratisch ideaal: erfelijk, weinig belasting, veel grote woorden, volstrekte straffeloosheid, de droom van het grote geld en de allures van kirrende castraten met een pruik op hun kalende kop.

99. politieke verantwoordelijkheid: wie ze neemt verdwijnt met groot aplomb uit de regering en keert een paar weken later als vanzelfsprekend terug.

100. Europees voorzitterschap: om de twee jaar zet een nationale regering zich met plezier thuis in de vrieskast en speelt amechtig het zonnetje bij de buurtlui.

Het precieze gebruik (1701 - 1720)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (1701 – 1720)

1701. gewaagde metaforen:
een behang met ballen, de spektakelkeuken (de moluculaire), een rigoreuze verversing van het management (is vrijwel overal nodig).

1702. de neologismen van de week: een zoefzoefgevoel (bij het skiën), de rottweiler van God (Benedictus XVI, de elfde op de Forbes ranglijst van de machtigste mensen), de pantserkardinaal (idem).

1703. wintervakantie: Siska Schoeters:“De zon moet schijnen! Bruin naar huis gaan is een missie op zich”.

1704. kerstgekte: in het Londense Fortnum & Mason: wodka met schorpioen, ovengebakken tarantula en wormen met barbecuesmaak.

1705. het respect voor de literatuur: het Hof van Beroep van Brussel heeft België veroordeeld omdat het pas sinds 2004 auteurs vergoedt voor het uitlenen van hun werk in openbare bibliotheken. Volgens een EU-richtlijn uit 1992 had dit al op 1 juli 1994 moeten gebeuren. Ons land werd hiervoor in 2003 veroordeeld door het Europese Hof van Justitie. De eis tot schadevergoeding werd in 2001 ingediend door een aantal beheersvennootschappen van auteurs.

1706. het debat over de islam: Yves Desmet in De Morgen: “In een debat hoort ook plaats te zijn voor compromis en verzoening, iets waar we in dit land altijd al in geslaagd zijn. Waarom zouden we dat met de islam niet kunnen? We zijn te afhankelijk van elkaar geworden om nog een andere keuze te hebben."

1707. waarschuwing: raak zinnen met het woord ‘authentiek’ erin alleen met handschoenen aan.

1708. de zegeningen van het Amerikaanse kapitalisme: naast Californië, stevenen nog eens negen Amerikaanse staten af op een financiële ramp. Samen met Californië vormen Arizona, Rhode Island, Michigan en Oregon de top vijf. Ook Nevada, Florida, New Jersey, Illinois en Wisconsin staan in de top tien. In Nevada is de overheidskas minder goed gevuld, doordat minder mensen geld hebben om te gokken. Florida kampt voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog met een krimpende bevolking. Het begrotingstekort is in Illinois opgelopen tot een ruime 47 procent. In veel staten is een deel van de crisis te wijten aan besluiteloosheid. In veel gevallen zijn belangrijke beslissingen volgens de onderzoekers vooruit geschoven. Zo werd in Californië (waar een soort Reynders regeert) een voorstel om de belastingen te verhogen door parlementariërs afgewezen.

1709. het nut van de filosofie: men heeft een filosoof niet begrepen als men alleen maar zijn ideeën onder de knie heeft. Van nog groter belang is het inzicht in het waarom daarvan. Wie naar dit waarom vraagt peilt naar de lichamelijkheid van die ideeën, naar hun inbedding in de vooroordelen en de ondoordachte vooronder-stellingen van de tijd, de maatschappelijke omstandigheden, de bijzondere structuur van het wetenschapsbedrijf, de concrete leefwijze van de denker en de aard van zijn relaties met anderen. Wie op die manier de geboorte van ideeën in een contextuele baarmoeder weet te plaatsen ontwikkelt een bijzonder zintuig, een onmisbare navigeerkunst in geestelijke zaken: op den duur kan hij min of meer raden wat er zal gebeuren als een mens zich op een bepaalde wijze beweegt in het maquis van zeer specifieke stoffelijke en geestelijke omstandigheden.

1710. een oorverdovende stilte: wie heeft nog iets van Maurice Lippens gehoord? Wanneer komt hij eindelijk voor de rechter?

1711. bankiers: volgens beursbengel Jules Hanot worden ze nooit echt vrienden. Te veel bankier, te weinig mens.

1712. strenge schoonmoeders: dezelfde Jules in De Morgen: “Zodra de grootbanken van het overheidsinfuus worden losgekoppeld, verdwijnt ook de controle op de kredietverleningen en het bonusbeleid. Laat de strenge schoonmoeders hen dus nog maar een tijdje op de vingers kijken. Pas als we zekerheid hebben dat de bankiers niet langer zonder god noch gebod hun zin mogen doen kan het vertrouwen in de financiële sector worden hersteld. Het gaat er immers niet alleen om de naweeën van deze crisis te verzachten, maar vooral om een nieuwe te vermijden.”

1713. Van Rompuy’s pose: ogenschijnlijk blijft de Belgische premier uiterst sereen over zijn politieke toekomst maar op zijn kabinet wordt wel degelijk elke in Europa verroerende grasspriet geobserveerd en gedecodeerd.

1714. de grootste illusies van de week: Walter Janssens over de bonusbeteugeling: “Aanmoediging is nog altijd beter dan repressie”; P. C. Boutens in een meesterlijke platonische mystificatie: “Alleen is leven léven als het tot den dood ontroert”.

1715. de voedselcrisis: wie honger heeft eet geen beloften.

1716. het Nederlandse rekeningrijden: het systeem lijkt op het eerste gezicht sociaal, want niet lineair (grote, vervuilende en veelrijdende auto’s betalen meer; kleinere, schonere en minder gebruikte wagens minder). Toch zit er – zoals altijd in een rijkemensendemocratie - een adder onder het gras, die voorspelbaar naar onderen bijt. De personen met een hoger inkomen hebben doorgaans de gelegenheid hun (oplopende) facturen voor het rekeningrijden door te schuiven naar hun bedrijven, hun vennootschappen of ze in vermindering te brengen als beroepsonkosten. Wie uiteindelijk door zijn inspanningen de lucht schoner maakt is de kleine man, want hij moet wel.

1717. een levensideaal: Tom Lenaerts in De Morgen: "Ik wil de illusie nastreven om op het einde van mijn leven te kunnen zeggen: ik heb tenminste mijn best gedaan. Meer nog: ik heb passies gehad waarin ik me met plezier kon verliezen.”

1718. weer eens illusies: Robert Fisk over de Westerse politiek in het Midden-Oosten: “Ik ben niet optimistisch. De Amerikaans-Britse politiek in het Midden-Oosten is een fiasco. Mijn gratis advies: trek zo snel mogelijk alle militairen uit Irak en Afghanistan terug. Stuur in de plaats 40.000 dokters en hulpverleners, maar doe niet aan zelfoverschatting. We kunnen helpen met het bouwen en herstellen van ziekenhuizen, bruggen of elektriciteitscentrales. Maar zodra wij de pretentie hebben om onze beschaving uit te dragen, zal het weer fout lopen. Kijk, er is een gigantisch communicatieprobleem tussen Oost een West. In het Midden-Oosten zijn de mensen religieus gebleven. Wij zijn dat niet meer. In die kloof ligt de bron van vele misverstanden. Wij, kinderen van de Verlichting, achten onze beschaving superieur, maar in het Midden-Oosten zien ze dat anders. Wie zijn die Westerlingen die ons militair, politiek en economisch komen domineren? Ze hebben niet eens een godsdienst.”

1719. het verlichte Westen: Tolstoj: “In de oorlog bestaan geen regels. Je kunt mensen straffeloos vermoorden en er nog een medaille voor krijgen.”

1720. dood aan de islam!: iman Ali, de stichter van het sjiisme: “Vrees niet als je een vreemde man ziet, ofwel is hij je broeder in het geloof, ofwel is hij je broeder in het mensdom.”

zaterdag 14 november 2009

Belgisch politiek vademecum


Vademecum voor politieke beginners (9)

Wat je persé moet weten om het nieuws echt te begrijpen …

81. de Wetstraat: waar men de scherpste messen slijpt.

82. begroting: een theoretisch vierkant dat zich steevast transformeert tot een reeks zeer ronde nullen.

83. Te Deum: waar de waarlijke God, via zijn geringde en gemijterde kardinaal, de zegen geeft aan de representanten van de seculiere maatschappij. Wie meent dat daaruit een zekere collusie blijkt tussen kerk en staat verstaat niets van de traditie en ontkent de onverbrekelijke band tussen geloof en gemeenschap: in beide behoort de mens te knielen.

84. ministerraad: waar wordt beslist wanneer men zal besluiten.

85. Brusselse Europese top: geeft zonder uitzondering aanleiding tot een enthousiast gejuich bij de lingerieverkoopsters in de Nieuwstraat. Als Carla Bruni erbij is: een tiental stuks in kleine maatjes. Als Berlusconi zijn opwachting maakt: dozijnen dozen vol geschenkartikelen van aanzienlijk groter kaliber.

86. de website van de premier: valt op door zijn mysterieuze eenvoud. In de meest simpele bewoordingen doet men daar het licht schijnen op de vele verantwoordelijkheden van de premier en toch snapt niemand er iets van.

87. kernkabinet: met de kaarsenknijper Reynders in een succesvolle hoofdrol. Zelfs een exploderende atoombom zet hij sussend op non-actief.

88. interpellatie: de natte droom van het gemiddelde parlementslid. De fine fleur van de volksvertegenwoordiging blaft in een of ander koeterwaals in de microfoon. Als hij toehoort – in een stilzwijgende cultuurtaal – bewonder ik Van Rompuy’s veelzeggend dédain.

89. wetsontwerpen: wetten worden altijd ontworpen, van alle kanten betast en bekeken en dan, na veelvuldig gevijl en geschaaf, eindelijk gestemd, waarna, als het zo uitkomt, de uitvoering toevallig in het vergeetboek raakt.

90. dossierkennis: belangrijk als polyvalent excuus. Staat men niet hoog op de partijlijst, wordt men niet verkozen, dan kan men altijd zeggen: “En dat ondanks mijn dossierkennis!”.

vrijdag 13 november 2009

Het precieze gebruik (1681 - 1700)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (1681 – 1700)

1681. nadenken:
men moet altijd de filosofenspier blijven trainen.

1682. de Ossies na 1989:"Waarom is ons leven nog altijd zo ellendig als het kapitalisme echt zoveel beter is dan het socialisme?”

1683. het pseudo-kapitalisme: het kapitalisme werkt niet omdat het om allerlei redenen zou zijn ontaard tot iets wat het in feite niet is of omdat zijn huidige verschijningsvorm nog niet de ideale figuur is die het in de toekomst ongetwijfeld zal aannemen. Maar, men weze gewaarschuwd, dit pseudo-kapitalisme, in welke vorm ook, is het gewone.

1684. Nic Balthazar: is helaas geestelijk verwant met Geert Hoste. Een onuitroeibaar optimisme, een ergerlijke braafheid achter een dun masker van spot en protest.

1685. onze schoonheidservaring (1): zij is veranderlijk als het leven zelf. Ik herinner mij hoe ik in mijn jeugd verrukt kon zijn als ik een fraai gedraaid exemplaar van het andere geslacht aan mij zag voorbijgaan. Nu ik flink wat ouder ben zie ik in een vrouw vooral haar tederheid, haar charme en attente moederlijkheid. Ik merk nog wel op dat een vrouw uitzonderlijk mooi is, maar haar schoonheid grijpt mij niet meer bij de keel. Het verloop van de tijd maakt op die manier onze schoonheidservaring veranderlijk.

1686. onze schoonheidservaring (2): verder is zij veranderlijk omdat wij, als ontrouwe minnaars, geregeld vreemd gaan. Het is voldoende dat onze vijanden een bepaalde vorm van schoonheid adoreren opdat wij, via een typische schijnbeweging van de geest, ons van haar afkeren. De schoonheid is altijd ónze schoonheid en wij vinden ze onbetrouwbaar als zij haar diensten aanbiedt aan wie in onze ogen klein is, verachterlijk of haar totaal onwaardig. Zie hierover mijn gedicht: De fietser.

1687. onze schoonheidservaring (3): tenslotte is zij veranderlijk omdat zij slechts bereikbaar is voor wie haar spelregels kent. Nooit lig ik in de zomernacht op mijn gazon om op mijn rug naar de vele wonderen van de hemel te staren. Toch kan ik me voorstellen hoe de majestueuze beweging van de hemellichamen het alfa en het omega van de verwondering zijn voor de astrofysicus en de stellende, de vergrotende én de overtreffende trap van zijn schoonheidsbeleving. Niets is minder artistiek dan de lege ontroering van een niet eens amateuristische muziekliefhebber die, door zijn onmacht de muziektaal te begrijpen, als een ongeletterde boerenkinkel zijn emoties diep in een muziekwerk ploft en die later als een verrassende vangst eruit naar boven vist, zonder enig begrip voor de verfijnde uitdrukkingsmiddelen van het medium zelf. Ook in onze omgang met de schoonheid geldt: slechts datgene wat men echt kent kan men ten volle beminnen en naarmate men meer kent bemint men meer.

1688. de nieuwste neologismen: een kennisklungel, de grote blonde haai (Wilders), de man met het Mozartkapsel (idem), een shockblog (GeenStijl), een naschilderij, als een Scheringahypotheek (met lage renten, hoge lasten, je bent erin getuind).

1689. het Franse nationaliteitsdebat: er wordt veel energie gestoken in een debat dat even goed achterwege had kunnen blijven. Want als er nu één land is met een krachtige identiteit dan is het Frankrijk. Het grondgebied is in grote trekken al lang hetzelfde, taal en cultuur zijn rotsvast verankerd. De centrale macht werd er vroeg gevestigd en door leiders als Lodewijk XIV, Napoleon en De Gaulle met kracht gehandhaafd. Waarom het hier gaat, men vegisse zich niet, is de komende verscherping van de inburgeringsprogramma’s voor de nieuwe Fransen, of een omslachtig cultuurexcuus voor een vaak inhalig, kleinburgerlijk, al te rechtlijnig en daarom plat populisme.

1690. de overheidsmaatregelen tegen de graaibanken: als ze er al komen, zijn ze niets meer dan een vorm van cosmetische politiek, alsof men een nutteloos alarmsysteem wil installeren nadat het familiezilver al is ontvreemd.

1691. racisme: temperatuur meten we in Celsius en Fahrenheit, aardbevingen op de schaal van Richter en racisme voortaan in eenheden Wilders.

1692. literaire medemenselijkheid: Sam De Graeve in De Standaard: “Onder Vlaamse auteurs is het gebruikelijk elkaars boeken niet te lezen. Dat voorkomt eerlijke uitlatingen over de kwaliteit van elkaars werk en maakt literaire gelegenheden een pak gezelliger”.

1693. de aard van onze meningen: Rif Torfs in De Standaard: “Onze subjectieve gevoelens verpakken we als gegronde meningen. Daarbij vergeten we dat wat we denken voortkomt uit wie we zijn. Onze gefundeerde meningen zijn nauwelijks gecamoufleerde zelfportretten. Wij zijn onze meningen en daarom worden we woedend als anderen het met ons oneens zijn: zij hebben niet zomaar een verschillende mening, zij verwerpen ons als persoon”.

1694. Neely Kroes: door het ontketende internationale bedrijfsleven terug in zijn hol te drijven en de al toegeeflijke nationale staten bij de les te houden belichaamt Neelie Kroes als geen ander het primaat van de politiek over de economie. Daarom bewonder ik haar. Daarom weet ik wel zeker: het duister lobbywater kolkt in Brussel en haar opvolger zal een type van het derde garnituur zijn.

1695. zelfmoordhulp: de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde geeft op een website aan hoe je met pillen zelfmoord kunt plegen. Dat scheelt weer veel trauma’s voor treinmachinisten.

1696. pech: de Duitse romantische dichter Novalis dweepte heel zijn volwassen leven met zelfmoord maar stierf op zijn 29ste gewoon aan TBC.

1697. het hatelijkste type van filosoof: die ervan droomt een schaamteloos platonist te worden, de vleesgeworden man aan de zijlijn van de maatschappij, op een onaantastbaar punt buiten de dominante orde, de verdediger van een nieuwe, onbereikbare, overal geldende idee (zoals de strikte gelijkheid van allen) zodat hij zowel universeel kritisch, verregaand agressief als comfortabel in zijn gelijk kan zijn en dat alles verpakt in een modieus taaltje dat de weerbarstige, werkelijke wereld afmeet aan een welluidende rêverie.

1698. de eeuwige hiërarchie: op de slagvelden van Arras (Eerste Wereldoorlog) vonden archeologen een massagraf van Engelse soldaten waarin de officieren keurig apart lagen om de hiërarchie tot in de dood te laten voortbestaan.

1699.de stad: volgens Jean-Jacques Rousseau het afvoerputje van de geest.

1700. illusies: Grunberg in Vrij Nederland: “De meeste experts zijn het erover eens dat mensen illusies nodig hebben. De vraag is hoeveel. Ook ik meen dat minder illusies beter is. Maar ik gun het iedereen verliefd te worden op de buurvrouw en te geloven dat zij de mooiste vrouw van de wereld is en gezonden door God of door de maagd Maria. Ook gun ik iedereen een nachtje in een darkroom en de conclusie dat anale seks ons verzoent met het leven.”

Conversatietips voor gevorderden


Conversatietips voor gevorderden (8)

Wat je moet zeggen om gehoord te worden …

Je vrouw is beslist van het dromerig type: zeg tegen je kennissen: “Zij is de ideale vrouw voor mij. Met haar heb ik een voortdurende schakel tussen realiteit en illusies. Ondanks onze onvolmaaktheden en onze twijfels leven we in creaties.”

Je tegenstanders vinden je niet eerlijk: zeg met klagende stem: “Ik beschouw mijn werk als het belangrijkste in mijn leven en ik ben zeer gekwetst nu er aan mijn intenties wordt getwijfeld. Ik moet u zeggen: ik heb er slapeloze nachten van!”.

Je partijvijand wordt niet verkozen: zeg hem zonder medelijden: “Jammer, maar zo gaan de dingen als minder bedeelden het heft in handen nemen.”

Je vriendin kocht een duur schilderij en het blijkt een vervalsing: troost haar met de volgende woorden: “Je vond het toch ook mooi zonder te weten dat het van een gerenommeerde kunstenaar was? Het is ook nog best nageschilderd, die ferme streken, helemaal niet gek voor een onbekende imitator.”

Je buurman noemt je een stinkend lid van de linkse kerk: trek je neus op en antwoord: “De versleten retoriek over ‘de linkse kerk’ verraadt geestelijke armoede en een volledig gebrek aan argumenten. Ik ben trouwens lid van de anarchistische kerk en wij werven zieltjes.”

Zowat iedereen vindt je familiefoto’s oervervelend: pareer je critici als volgt: “Ach, de leukste dingen hebben niet zo’n hoge anekdotische waarde. Die zijn zo leuk omdat je samen een beetje lummelt.”

Je meisje is boos omdat je weer een afspraak hebt gemist: antwoord haar: “Als ik een agenda nodig heb om mijn afspraken te onthouden, zijn het er te veel.”

Je vriendin vindt je al te pragmatisch: zeg haar,als een man met jarenlange ervaring: “Ach weet je, de werkelijkheid verzin je niet.”

Je Nederlandse nicht noemt je een ruwe rebel: antwoord haar triomfantelijk: “Ik ga er prat op tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend te zijn en jouw halve land vindt zoiets fantastisch.”

donderdag 12 november 2009

Het precieze gebruik (1661 - 1680)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (1661 – 1680)

1661. de hel op aarde:
een beoordeling door collega’s.

1662. modern marxisme: daaronder kan je verstaan de dressuur van het geld en de africhting van de economische roofdieren. Met het oog op het internationale karakter van deze tijgerachtige krachten kan hun democratisering alleen worden verwezenlijkt op een groot, bijvoorbeeld het Europese territorium. En daarom moet de Europese politiek allereerst in het gareel van democratische structuren worden gedwongen en dan aangewend als een doelgerichte dompteur.

1663. Claus en zijn vele stijlen: de ergernis over het voortdurend wisselend karakter van Claus’ literaire stijl vindt zijn bron in ouderwetse opvattingen over wat een persoon is en in een even traditionele, maar foutieve mening over wat een goede stijl is. Zo denkt men dat de menselijke ziel een onverbrekelijke eenheid vormt die vervolgens in één en dezelfde stijl het treffendst tot uitdrukking kan worden gebracht. Het oude filosofische essentialisme (er zijn mooi afgeronde dingen met duidelijke eigenschappen die hun kern bepalen) en het even oude spiritualisme (de werkelijkheid is in haar diepste structuur geestelijk van aard) gaan hier hand in hand. Zie: stijl.

1664. stijl: stijl is de veruitwendiging van het innerlijke, maar haar uitwendige verschijning en haar waarneembare intensiteit bepaalt dat innerlijke evenzeer, zoals een platte vrouwenvoet op den duur de vorm aanneemt van de steile stiletto.

1665. als alleen de loontrekkenden belasting betalen: de fiscale ontvangsten van de federale overheid lagen op het einde van september 8,95 miljard lager dan na de eerste negen maanden van 2008. Volgens kamerlid Van Biesen ( Open VLD) staat het nu reeds vast dat de staatsschuld dieper rood zal kleuren. "Een staatsschuld van meer dan 330 miljard euro is een feit, dat is 55 miljard euro hoger dan op het ogenblik van de verkiezingen in 2007."

1666.de tendens achter het algemeen rookverbod: Walter Pauli in De Morgen: “Als het van de Senaatscommissie sociale zaken afhangt, komt er een algemeen rookverbod op café. Gelukkig zou het pas ingaan in 2012, de verkozenen hebben nog even tijd om weer bij hun verstand te komen. Helaas is in dit debat van redelijkheid al lang geen sprake meer. En vooral niet van verdraagzaamheid. Zelfs groenen en socialisten, die helaas méé de meerderheid vormden in de Senaatscommissie, waren niet zo lang geleden voor een gedoogbeleid inzake cannabis en softdrugs. Nu zweren ze plots bij een rigide verbod op tabak. In de paarse jaren geloofden ze nog in vrijheid en verdraagzaamheid. Nu hebben ze zich ook laten aantasten door een tijdsgeest van het grote doch bekrompen gelijk. Nu zijn ze tegen de sigaret. Straks zijn er anderen tegen cannabis. Tegen te luide muziek door koptelefoons. Tegen rumoerige kinderen. Tegen de hoofddoek. Tegen klokkengelui. Tegen anderstaligen. Tegen andersgeaarden. Dat is de tendens die zo'n dom sigarettenverbod verstrekt: die van niet meer hoeven verdragen wat anders is of zelfs een beetje hindert”.

1667. misschien juist: Karen Armstrong over religie: “Wanneer ons ego zich bedreigd voelt kan het bijzonder agressief uit de hoek komen. Religie kan een manier zijn om dat ego te overstijgen, waardoor we sereen leren omgaan met ons verdriet en onze pijn”. Mocht dit waar zijn (en ik denk dat het op zijn minst voor een deel het geval is), dan blijkt hieruit dat een cognitief onbetrouwbaar geheel van meningen (want dat is de godsdienst volgens mij) toch op een ander niveau zijn nut kan hebben en zelfs effectiever kan zijn dan de (vaak troosteloze) waarheid. In de rangorde der waarden staat de waarheid niet zonder meer voorop. Misschien is een min of meer geslaagde omgang met verdriet, pijn en menselijke kleinheid van een veel groter belang. Zie: cognitieve ascese.

1668. cognitieve ascese: ooit komt er een tijd waarin de intellectuelen, ondanks hun prijzenswaardige speurtocht naar een objectieve, van alle menselijk heil onafhankelijke waarheid, hun bevindingen voor zichzelf houden of slechts verspreiden in een beperkte kring van illuminati. Zo brengen zij het op het publieke forum het offer van de waarheid ten gerieve van de zwakkeren, die de magische kracht van troostende illusies nodig hebben om daarmee de vele pijnen van het bestaan te bezweren. In die komende tijd zullen de elites vol onbegrip terugblikken op de onze, waarin hun verlichte voorgangers – zonder de deugd van de intellectuele schroom en dus onbarmhartig - lachten met de bijgelovigen van geest, alsof de doorgedreven rationalisering van zichzelf een ogenblikkelijke keuze is en geen moeizaam proces dat decennia vergt en talrijke, door de eigen wil onbeheersbare omstandigheden.

1668. wetenschappelijke zekerheid: een eeuw geleden dachten de grootste fysici dat er nog precies 23 onbeantwoorde vragen waren. Als die eenmaal waren opgelost zouden we alles weten over het universum. En heel lang zou dat niet meer duren, schatten ze, tot Einstein opdook, het Newtoniaanse systeem naar de prullenmand verwees en er steeds meer onzekerheid opdook. Gelukkig, want niet weten is (soms) een belangrijk deel van het menselijke bestaan. En als we denken dat we alles weten raken we (heel vaak) in de problemen.

1669. roken (1): tot het menselijke behoort alles wat ooit gedacht, gevoeld, gewild en verricht werd en wat nu of in de toekomst zal worden gedacht, gevoeld, gewild of gedaan. Wie de mens wil begrijpen zal er daarom over dienen na te denken waarom hij rookt.

1670. beschaafde mensen roken niet: omdat het aantoonbaar is dat actief en passief roken de mens schaadt ‘roken beschaafde mensen niet’. Deze bewering impliceert, precies zoals in de theoretische economie, dat de mens een door en door rationeel wezen is dat vanuit zijn verstandelijk inzicht greep kan krijgen op alle domeinen van zijn leven. Dat is echter niet het geval.

1671. roken (2): er is een structuurverwantschap tussen geloven in God en maar blijven roken. Beide activiteiten zijn rationeel niet te verantwoorden en toch blijven talloze mensen die vreemde, bijna magische praktijken verrichten. Daarom is er ook een structuurverwantschap tussen de remedies daartegen: wie de mens wil ontkerstenen of hem van de tabak wil afhelpen zal op een of andere wijze de behoeften moeten begrijpen die het roken en het godsgeloof veroorzaken en dan die plotseling oningevulde begeerten moeten voorzien van een nieuw, maar minder schadelijk narcoticum.

1672. roken (3): een anonymus op het internet, geciteerd door Christophe Vekeman in De Morgen: “Geef mij een sigaar en je hebt geen kind meer aan me. Wellicht is het een genetische kwestie: mijn grootvader schijnt zijn sigaar zelfs mee naar bed te hebben genomen, en ’s ochtends was zijn eerste werk haar samen met zijn vals gebit in zijn mond te steken. Hij stierf met de sigaar in de hand, meer bepaald toen hij op zesenzeventigjarige leeftijd kwiek over een zebrapad heen huppelde en door een vrachtwagen werd aangereden. De dood is zonneklaar, maar het leven valt niet te begrijpen.”

1673. roken (4): ik rook goedkope sigaartjes, wat evenwel niet wegneemt dat ik mezelf ook soms op een heuse Havana durf te trakteren, want rijk sterven is niets voor mij.

1674. waarom men rookt: dezelfde anonymus op internet (zie: nr. 1672): “In schril contrast met sigarettenjunkies voelen sigarenaficionado’s, al zijn ze nog zo eenzaam, zich een deel van een specifieke gemeenschap. Wat hen bindt, is niet zozeer het verfijnde vermogen om een complexe geur op prijs te stellen die door patjepeeërs als giftige stank wordt ervaren, maar het besef dat iedereen, tenminste voor de duur van zijn sigaar, kan worden gekenschetst als een goed mens, in wie niet het minste kwaad schuilt. Het heeft te maken met zorgeloosheid, met respect en nederigheid. Hoe beter de sigaar tussen de vingers, hoe meer je jezelf, je besognes, ijdele ambities en zondigheden pleegt te vergeten. De bitterste teleurstellingen worden opgeslokt door de grijsblauwe mist, knagende frustraties verdwijnen als rook voor de zon, en noch diepe zuchten, noch hoog van de toren blazen is aan de orde. Je hebt vrede, misschien niet met de wereld, en hoogstwaarschijnlijk ook niet met je medemensen, maar in elk geval met de situatie. Het gaat erover dat je weet wie de baas is en die wetenschap stemt zelden mild”.

1675. men hoest omdat men rookt: “Dat is de spirit van de ware sigarenliefhebber, die zijn lot altoos gelaten en met waardigheid weet te dragen: hij weet dat wij leven noch roken voor ons plezier”.

1676. een negentigjarige roker: maar er ratelt nog altijd iets in hem.

1677. het verleden: een land waar ze de dingen anders doen.

1678. de Vlamingen: het gordijnvolk.

1679. een perplexicon: als iemand kan schrijven schrijft hij er altijd een.

1680. een intellectueel in de Amerikaanse bible belt: hij volgt noodgedwongen een cursus onderduiken voor beginners.