dinsdag 17 november 2009

Een nieuwe bundel van P. Rigolle



Paul Rigolle: “Van het hart een steen”.


Zopas ontving ik de nieuwe dichtbundel van Paul Rigolle “Van het hart een steen” (Poëziecentrum vzw, Gent, 2009). Een hele dag door las ik in een toenemende staat van verrukking het ene prachtige gedicht na het andere. Een literair criticus, die naam waardig, probeert bij zichzelf zijn verrukking, zijn afschuw of zijn onberoerdheid bij het lezen te begrijpen en te verklaren. Dan is hij een exemplarische lezer, die naar aanleiding van een concreet literair werk, toevallig in het publiek het woord neemt en zijn reacties beschrijft, analyseert en uitvoerig verantwoordt.

Hieronder druk ik één van de vele aangrijpende gedichten van Rigolle af. Later zal ik aan zijn bundel - in een wat langer stuk - de aandacht besteden die hij ten volle verdient. In de bundel bewonder ik vooral de harde, mannelijke, stoïsche toon, die een onbedwingbare, alles doordringende tederheid en een hernieuwde openheid voor de wereld niet in de weg staat. Het is een volwassen bundel, waarin Rigolle, nadat hij veel heeft geleden en van nabij kennis heeft gemaakt met de verbijstering van het bestaan, opnieuw rechtkrabbelt en een bijgestelde, meer genuanceerde blik op de wereld presenteert, waarin schoonheid, verbondenheid, onverbiddelijk realisme, tederheid, harde dapperheid, de verlokking van de openheid en de occasionele afsluiting, de omgang met het nabije en het verre, het poëtische en het picturale, het celebrale en het emotieve in een creatief mengsel samengaan. Het is het leven zelf, het verhaal van het kleine ik dat zich probeert overeind te houden en daarvoor een geschikte weg heeft gevonden. Al jaren bewonder ik ook de stijl van de dichter: de zwierige breedte van de volzin, de complexe retoriek, de rijkdom aan vreemdsoortige beelden en klankeffecten, de fijnzinnige ritmiek en de uitgekiende opbouw (zowel van de bundel als van het afzonderlijke gedicht), die alle als een geraamte het vlees van Rigolle's thema’s stutten en schragen. Op dit alles kom ik later terug. In citeer het slotgedicht.

Zanger

Passend op de plaatsen waar hij woont heeft hij
gevonden wat hij niet meer zocht. Als een zanger
schildert hij, prent zich namen in als rabarber
en bataaf. Met kraprood en evergreen, wennend,
langgerekt, een roes, een geeuw van taal, viert hij

de honger op zijn palet. De wereld welt weer op,
hij stelt zich niet teweer. Werkelijkheid van wind,
spreeuwen in de kersentuin, de bijen slapen
op hun rug. Lang was het stil maar de bomen
hielden nooit op met waaien. Niets is om

te verhelderen, of iets is helder of het is het niet.
Elke ochtend zal de eerste zijn van wat later komt.
Niets houdt op. Hij is niets kwijt, het rust in hem.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten