donderdag 25 augustus 2011

Het precieze gebruik (4341 - 4360)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4341 - 4360)

4341. victoriaans gedaas: kenmerkend voor de politieke klasse bij de Tory’s is het onvermogen om abstractie te maken van hun geprivilegieerde positie. David Camerons bewering dat de rellen (augustus 2011) losstaan van de armoede is een perfide bewering. De eerste minister en zijn elitaire medestanders laten geen ‘sociologisch gezwam’ toe dat een verband tussen de socio-economische toestand van de rebellen en hun gedrag zou leggen. Veel gespind wapengekletter, retoriek, spierballentaal en een verdachte beïnvloeding van het justitiële apparaat kunnen nochtans niet verhelen dat dat verband wel degelijk bestaat (zij het niet onvoorwaardelijk, rechtlijnig of unidimensioneel). Vergeten we niet dat de Engelse bevolking ondertussen de weinig benijdenswaardige socio-economische toestand van de Amerikaanse massa’s heeft benaderd. Het is de droom van alle neoliberalen dat dit fenomeen zich ook op het continent zal herhalen.

4342. de Engelse armoede: in Groot-Brittannië leven momenteel meer mensen in armoede dan in het merendeel van de Europese landen. De sociale ellende en uitsluiting zijn in dat land gewoonweg frappant. Volgens Oxfam leeft ongeveer 1 op de 5 Britten in armoede of bijna 13 miljoen mensen, van wie de vrouwen de grootste groep vormen. Daarvan is 44 procent beland in diepe armoede (met een inkomen op zijn minst een derde onder de armoedegrens). De armoede wordt iets tastbaarder als we kijken naar de Poverty Line (cijfers voor 2008/2009). Men gaat daarbij na wat er wekelijks overblijft van het inkomen na aftrek van de zgn. ‘housing costs’:
_ £119 voor een alleenstaande volwassene;
_ £161 voor een alleenstaande ouder met een kind onder de 14 jaar;
_ £206 voor een koppel zonder kinderen;
_ £288 voor een koppel met 2 kinderen onder de 14 jaar.
Vanuit ethisch oogpunt zijn deze inkomens maatschappelijk onverantwoord en sociaal onrechtvaardig, te meer daar Groot-Brittannië de vijfde plaats bekleedt onder de Europese landen met de hoogste inkomensniveaus (Eurostat).

4343. schijngevoelens: door onze moderne levensstijl raken we vervreemd van wat onze gevoelens aanstuurt. Vooral de media, die er belang bij hebben dat om het even welke emoties hoog oplaaien, bedienen zich vaak van Ersatzgevoelens, die niet alleen intensief zijn, maar door hun verwijderdheid van het concrete leven tegelijk veilig. De Italiaanse versie van modetijdschrift Vogue wordt bijvoorbeeld beschuldigd van racisme. In een artikel op de website van het blad, waarin een trend wordt beschreven, noemt een redacteur dikke, ronde oorbellen 'slavenoorbellen’. Op dit moment zouden die sieraden fungeren als een symbool van vrijheid. Het is moeilijk te beslissen wie het meest fake is: de ontwerpers van de bedoelde bellen, de glamoureuze modebijbel of zijn luidruchtige, maar even lege opposanten.

4344. de laatste neologismen: een kittig jurkje; eurocommissaris Karel De Gucht is somber over de ‘oploskwaliteiten’ van het politiek personeel in België; TV-programma’s en hun emotioneel gebraak; waarom willen de mensen allemaal zo hutjemutje op elkaar zitten?; de tenenkrommende arrogantie van onze leiders.

4344. de leugens van de week: de beurzen reageren gewoon op de economische realiteit; het is moedig van Inge dat ze durft deel te nemen aan het spel van de jobrotatie, want politici sterven niet meer in de politiek (Vincent Van Quickenborne); de God waarin ik geloof, is de God die troost en vertrouwen kan schenken aan de bijzonder zwaar getroffen families (de theoloog Hans Geybels); Siegried Bracke, die op de VRT-nieuwsdienst ijverde voor de onverbiddelijke reductie van ieder item tot hooguit een paar tientallen seconden, vindt Jef Lambrecht een journalist van jan-mijn-kloten; bonussen moeten worden verstrekt om internationaal de beste mensen binnen te halen.

4345. definities: een blog is een monoloog van iemand die het gewend werd tegen zichzelf te praten; vooruitziendheid is die deugd die de moderne politici wel moeten verwaarlozen; palliatieve zorgen zijn de tijd van de terugtelling naar het einde (Roel Verniers); de illegaal is de wereldburger van vandaag (Lloyd Jones); het nationale en internationale politieke spel als de calamiteitenleer voor gevorderden; smurfen is voor de werkwoorden wat dinges is voor de zelfstandige naamwoorden en dingetje voor de mensen wier naam je vergeten bent (Paulien Cornelissen).

4346. inzicht: wie geeft bijvoorbeeld de vijf meest typerende eigenaardigheden van onze tijd een naam en wie heeft er, indien nodig, een alternatief voor? Misschien is dit een taak van alle romans die op dit moment worden geschreven.

4347. Camus: ik vind deze auteur uitermate interessant, omdat hij treffend een intuïtie weet te verwoorden over de relatieve onbelangrijkheid van de menselijke activiteiten als je die vergelijkt met de (niet-menselijke) contexten waarin zij plaatsvinden en waarin ze voor een flink stuk hun bijzondere kleur krijgen. Hij is een van de weinige denkers van de twintigste eeuw, aldus Alain Finkelkraut, die grenzen hebben gesteld aan de heerschappij van de Geschiedenis, dat wil zeggen van de mens. In tegenstelling tot de grote filosofen over het subject of over de structuur, heeft hij een essentiële plaats gegeven aan de ander dan de Mens in de wereld van de mensen. De menselijke aarde beperkt zich niet tot de menselijke mechanismen, tot de opeenvolging van culturele codes of de verscheidenheid van maatschappelijke vormen. Er zijn tradities en er zijn breuken, er zijn de acties van de mens en de neerslag daarvan in de inertie van de materie. Er is ook iets wat noch onder de praxis, noch onder het praktisch-inerte valt, zoals de levendige herinnering van Camus aan de Algerijnse zee, de zon en de landschappen van zijn jeugd die hem de kracht geven zich te verzetten tegen de historiserende tijdsgeest. Er is veel buiten ons, zaken die we niet hebben gekozen en die zich vaak tegen onze wil aan ons opdringen, een possessieve, niet helemaal begrepen uitwendigheid die desondanks ons van binnen maakt tot wat we zijn.

4348. onderwijs: er is een behoefte om onderwezen te worden, dat wil zeggen buiten jezelf te treden, jezelf te vergeten, vakantie van jezelf te nemen en aan een verre oever aan te meren.

4349. eigentijdse armoe: de hedendaagse armoezaaiers zijn niet contactloos. Ze hebben een mobieltje en afstandsbediening. Gebrek zit in hetzelfde visuele en virtuele schuitje als weelde. Of men nu arm of welvarend is, men consumeert programma’s. Van hoog tot laag op de maatschappelijke ladder maakt het in-de-wereld-zijn onverbiddelijk plaats voor het voor-het-scherm-zijn, verbonden met alle plekken van de aarde, afstanden overwinnend, door sensatie verzadigd, afgestompt, ‘gevoed’, zoals Paul Valéry al zei, ‘met visuele en auditieve beelden die bij het geringste gebaar, bijna op een wenk ontstaan en verdwijnen’. Die veralgemeende visuele vreetpartij grijpt diepgaand in in de aard van onze verlangens. Zij reorganiseert en herdefinieert de ziel. Frustatiedrempels en allerlei in het verleden probleemloos aanvaarde beperkingen lijken steeds minder mogelijk. Het onbetwistbare, en voor ons zelfbeeld beslissende feit dat we klein zijn en door materiële en immateriële omstandigheden van alle kanten begrensd verdwijnt steeds meer naar de rand van het gezichtsveld.

4350. de Europese cultuur: de Europese cultuur begon met een twist. ‘Goddelijke Muze, bezing ons de ongenadige wrok van Achilles …Zing vanaf het begin, toen twist tot vijanden maakte Agamemnon, de koning van het volk, en de grote Achilles’. Eeuwenlang heeft die cultuur uit hetzelfde vaatje getapt. Vandaag is de fysische moed van de heroën vervangen door de krijgslisten van de financiers en het vertoon van lichamelijke kracht door productiepotentie. Maar ook een verborgen oorlog blijft oorlog. Als de nood echt aan de man komt gaat de recente conflictvorm spoedig over in de oudere.

4351. de ondraaglijke lichtheid van het bestaan: wat bedoelde Milan Kundera met deze ondertussen wereldberoemde frase? Het leven schept er een boosaardig genoegen in diegenen beet te nemen die zich erop laten voorstaan aan de betekenis van het leven vorm te geven. Het brengt in de war, het beantwoordt niet aan de verwachting, het komt zijn beloften niet na. ‘Alles stroomt, alles wijkt en niets houdt stand’, zei Heraclitus al. En Kundera, vijfentwintig eeuwen later: ‘Alles zal vergeten en niets hersteld worden. In plaats van het herstel (wraak of vergiffenis) komt vergetelheid. Niemand zal aangedaan onrecht herstellen, maar alle onrecht wordt vergeten’. Ook dit inzicht werpt een schril licht op de beperktheid en de uiteindelijke nutteloosheid van wat we vaak ons diepste en meest verheven verlangen noemen: de verbeten poging de Geschiedenis van een positiever teken te voorzien.

4352. de verdwijntruc van Inge Vervotte (1): niet mis voor iemand die zopas een document heeft gemaakt over de ideologische vernieuwing van haar partij. Dit ‘sprookjesachtige figuur, dit regenvrouwtje’ (Hugo Camps) kon niet luid genoeg schreeuwen om gehoord te worden tussen ‘de danteske gezangen van de rechtspopulisten’. En voeg daar maar aan toe: tussen het veeleer geruisloze geweld van de financiële duimschroevendraaiers, de driftige neoliberalen (ook binnen de eigen partij) en de genadeloze, al te rechtzinnige apostelen van een zichzelf diaboliserende economie.

4353. de verdwijntruc van Inge Vervotte (2): ze is weg uit de politiek en dat is duidelijk. Ze heeft een nieuwe job, maar over de wijze waarop ze die kreeg rept geen journalist. Nog veel minder over de vraag of dit rechtvaardig is.

4354. de superrijkentaks: na het initiatief van Warren Buffet willen nu ook een aantal Franse miljardairs hoger worden belast. Zelfs als de Franse regering aan die verzuchting gehoor geeft zal de maatregel niet veel meer zijn dan een symbolische daad. De schrik voor de eigen broodheren en de noodzaak ostentatief trouw te blijven aan het neoliberale denken weegt al te zwaar.

4355. een culturele eis: deelneemsters aan de Miss Italië-verkiezingen moeten voortaan een krant per dag lezen en op zijn minst drie boeken per jaar (bij voorkeur Jane Austen, Tolstoj en Flaubert). Als deze richtlijn een universeel karakter krijgt in de wereld van de Verkiesbare Lichamen kunnen dergelijke evenementen in Vlaanderen niet meer worden georganiseerd.

4356. een sprookje: Herman De Coninck: ‘Er was eens een man die rechtvaardig was”.

4357. losers: goede literatuur troost in zoverre ze het heeft over losers. Zelfs succesvolle figuren worden pas echt tot romanpersonages als hun succes uiterst pijnlijke offers vergt of leidt tot hun tragische ondergang.

4358. het Italiaans: Elisabeth Gilbert: “Elk woord een zingende mus, een goocheltruc, een heuse truffel”.

4359. het culinaire vocabularium: Ann De Craemer in De Morgen: “Die door niemand gewenste kookhype doet een opmerkelijk pseudolyrisch taaltje ontstaan. Een stuk vlees is niet langer ‘goed gebakken’, maar heeft een ‘homogene cuisson’. Je bent volslagen ongecultiveerd als je een ‘amuse-geuele’ een ‘aperitiefhapje’ noemt. Sergio Herman wordt warempel een dichter wanneer hij het heeft over ‘een sexy, hedendaags gerechtje vol kippenvelmomentjes’.

4360. de hedendaagse economie: de economie dirkt zich op met cijfertjes,grafieken en tabellen. Ze pretendeert de feiten zo objectief mogelijk te beschrijven. Maar feiten en cijfers zijn niet eenduidig en onderzoekingen leiden niet tot eensluidende conclusies. Daarbij is op het terrein van de economie het maken van sommetjes gericht op een verlangde uitkomst bijna tot kunstvorm verheven. Die feiten en cijfers zijn daarenboven vaak verkregen door niet onafhankelijk onderzoek zoals dat van de studiediensten van politieke partijen of andere belangengroepen.


woensdag 24 augustus 2011

Het verdeelde ik



Als ik om de haverklap beweer dat we 'een klein ik' zijn dan impliceert dat dat wij op allerlei manieren verdeeld zijn. De ervaring van heelheid is dan ook niets meer dan een occasionele beleving,zeer kortstondig van aard of hooguit een droom. Ter illustratie van dit inzicht publiceer ik hier het volgende gedicht van Eva Gerlach.

Kruim

Wat heel is, kunnen wij niet zien, het is
te groot, het past ons niet en niet
in onze hoofden

maar wat aan mootjes, haksel is, verkiezeld,
kruim, gepureerd, verstoven of ontbonden -

al het verdeelde zit voorgoed in ons.

vrijdag 19 augustus 2011

Het kleine ik


Tegen het enge persoonsbegrip in de Angelsaksische filosofie

Het ik is niet sterk, maar ook niet onmachtig. Daarom is het zaak afstand te nemen van het gemiddelde persoonsbegrip dat in de Angelsaksiche filosofie de dienst uitmaakt.Dit artikel is daartoe een eerste poging.

In zijn boek Persoonlijke aangelegenheden. Schets van een analytische antropologie (Leuven 1994) beschrijft Stefaan E. Cuypers de geschiedenis van het westerse persoonsconcept. Door de ontvoogding van de filosofie uit de theologie en door de opkomst van het wetenschappelijke denken raakt dit concept sinds de Renaissance los van zijn sociale en moreel-religieuze context. Onder invloed van het Protestantisme werd het identiek met het zelfbewustzijn en de zelfkennis. Ook het lichaam verdween daarbij op de achtergrond. Ten tijde van de Verlichting stond het gelijk met het psychologische zelf (of met een transcendentale variant daarvan). Op den duur ontwikkelde de subjectiviteit zich tot de basis van de epistemologie, de ontologie en de ethiek. De persoon neemt dan de gestalte aan van een private ruimte waarin interne operaties plaatsvinden die zich van alle uiterlijke en lichamelijke bepaaldheid hebben bevrijd. Heidegger merkt op in het ‘cogito ergo sum’ van Descartes het ‘sum’ niet volledig uitputtend is doordacht, een taak die hij met de analyse van het Dasein op zich neemt. De geschiedenis van het persoonconcept, aldus Cuypers, komt neer op een proces van steeds maar toenemende verinnerlijking. Ik ben veeleer geïnteresseerd in een proces van veruiterlijking dat de vroegere ontwikkeling binnen het westerse denken corrigeert. Ook in de Angelsaksische filosofie van vandaag doet zich een vernauwing van het persoonsconcept voor. In het spoor van Cuypers zal ik eerst de aard van die verenging nagaan en mij vervolgens afvragen hoe ze ongedaan kan worden gemaakt. Daarbij zal een beweging nodig zijn naar een common sense concept van de persoon waarin die verschijnt als een dynamische, lichamelijke, publieke en historische entiteit. Dit concept is dan ook veel ruimer dan het psychologische zelf dat ik opvat als de subjectieve ervaring van een wezen dat via zijn lichamelijkheid vooreerst een voor iedereen herkenbare positie inneemt in de publieke en de historische ruimte.

Het is zonder twijfel een van de functies van filosofische mensbeelden dat zij door reflectie een eenheid aanbrengen in de verwarrende, verdeelde en onsamenhangende ervaringen van de mens. Dit verlangen naar eenheid en totaliteit belooft een zekere rust, hoewel die meestal kortstondig en van voorbijgaande aard is. De analytische filosofie is nog wat meer dan logica, wetenschapsleer en taalanalyse. Ook zij behoudt een contemplatief moment waarin de contouren van een mensbeeld oprijzen, hoewel zij, anders dan de continentale filosofie, vragen naar ‘de zin van het leven’ en de ‘existentiële betekenis’ van menselijke fenomenen vaak tussen haakjes zet. De Angelsaksische filosofie verwijst meestal naar het Britse empirisme, terwijl de continentale zich afspeelt tegen de achtergrond van het Duitse idealisme. Terwijl het laatste type van filosofie veeleer aan de kant van de literatuur staat, staat het eerste dichter bij de (empirische) wetenschap. Op het einde van de negentiende eeuw kwam het Britse idealisme tot bloei in Cambridge en Oxford (Bradley, Green en McTaggert). De reactie tegen de oncontroleerbare beweringen van in het bijzonder Hegel en zijn binnen- en buitenlandse epigonen kwam van figuren zoals Russell en Moore in de vorm van de taalanalytische filosofie die vanaf de aanvang zakelijk trachtte te zijn en vanaf de jaren dertig een logisch-positivistische inslag kreeg. De nogal vage, gefragmenteerde en vaak impliciete mensbeelden in de analytische filosofie komen over als minder diepzinnig, oppervlakkiger en toch weer als heel gewoon. Dit soort filosofie wil slechts een overzichtelijke, zakelijke beschrijving zijn van alledaagse, herkenbare menselijke activiteiten. Sinds het begin van de zestiger jaren van vorige eeuw beschouwt die filosofie zich als genaturaliseerd: zij sluit zich doelbewust aan bij de natuurwetenschappen en de gedrags- en maatschappijwetenschappen. Een voorbeeld daarvan is Quines genaturaliseerde epistemologie en de zogenaamde ‘cognitive science’ waarin de filosofische psychologie, de semantiek, de cognitieve psychologie, de linguïstiek, de computerwetenschap en de neurowetenschap in een geheel samenkomen. In die gedaante is er niet veel verschil tussen haar methode en die van de natuurwetenschap. Maar zelfs dan produceert zij mensbeelden, hoe verarmd en oppervlakkig die ook vanuit een continentale invalshoek mogen lijken.

Volgens Cuypers bevindt het Angelsaksische debat over de persoonidentiteit zich in een impasse. Als ik die impasse eenmaal helder heb beschreven ga ik in op enkele correctieven die Cuypers voorstelt. De auteur besteedt vooral aandacht aan de empiristische bundeltheorie en de metafysische Egotheorie die hij kritisch contrasteert met de common sense opvattingen over het fenomeen van de persoonsidentiteit. In dit analytische debat gaat het om het probleem van de numerieke persoonsidentiteit door de tijd heen. Is iemand van zestig nog dezelfde persoon als toen hij zestien was? Het antwoord op die vraag is van belang voor allerlei existentiële kwesties, zoals de mogelijkheid van een (langdurige) liefde, de reikwijdte van onze persoonlijke verantwoordelijkheid en de betekenis van onze interesse voor onszelf. Een theorie die dit belang niet verdisconteert, aldus Cuypers, doet tekort aan het gewone leven en schat waarschijnlijk de natuur van onze persoonsidentiteit op een of andere wijze verkeerd in.

De empirische bundeltheorie

De empirist kent het innerlijke zelf door een inwendig zintuig, via introspectie. Daarbij neemt hij niets meer waar dan een complex van ervaringen of een mentale bundel. De vraag naar de zelfidentiteit is dan ook de vraag naar een of ander eenheidsbeginsel dat die ervaringen synchroon of diachroon tot een geheel samenbindt. De grond van de synchrone unificatie is het reflexieve bewustzijn dat allerlei ervaringen aaneenschakelt tot één persoonsfase. De diachrone opeenvolging van die persoonsfasen geeft het ontstaan aan een persoonsgeschiedenis. Een dergelijke opeenvolging berust op een eenheidsrelatie van mentale continuïteit die niet absoluut kan zijn. Het gaat veeleer om een aantal overlappende schakels van mentale verbondenheid die op een bepaald terrein sterk aanwezig zijn maar op en ander niet of zeer zwakjes. De analytische filosofen zien die verbondenheid als een causaal proces dat wortelt in het menselijke brein. Die aaneenschakeling wordt bepaald door het aantal en de kracht van de mentale relaties daartussen. De identiteitsvraag krijgt daardoor nooit een eenduidig antwoord.

In de common sense opvattingen van identiteit daarentegen moet de persoonsidentiteit wel als een eenduidig fenomeen worden opgevat. Indien dat niet het geval is kan zij haar uiterst belangrijke rol in allerlei existentiële praktijken (zoals liefde, verantwoordelijkheid of het rechtmatige toekennen van straf) niet spelen. Die persoonsopvatting wordt dan louter fictief waardoor die praktijken zullen kapseizen. De empiristen kunnen aldus geen rechtvaardiging leveren voor het common sense persoonsconcept.

De radicale empirist David Parfit biedt een reductionistische of onpersoonlijke oplossing voor het analytische probleem van de persoonsidentiteit. Indien een persoon in essentie een bundel van ervaringen is dan dient die persoon daartoe te worden herleid. Wat het gezonde verstand ook moge beweren, er bestaan geen personen als entiteiten die afgescheiden zijn van hun ervaringen en daarvan verschillen. In tegenstelling met ervaringen behoren personen eigenlijk niet tot de make-up van de wereld. Ze bestaan slechts onpersoonlijk: bundels van ervaringen zijn reëel maar personen niet. Ervaringen hebben geen persoonlijke eigenaar en als dit in het alledaagse leven zo lijkt dat komt dit door de invloed van de taal: alleen ervaringen hebben een actuele existentie, die van personen is slechts nominaal. Een van de gevolgen van dit alles is dat de persoonsidentiteit omgedetermineerd kan zijn , wat de empirist niet erg vindt omdat hij het belang van de vraag daarnaar ontkent. De common sense opvatting daarover berust op gewoontevorming en sociale versterking. Wat echt van belang is een zeker mentale continuïteit die mijn toekomstige projectverwezenlijking en mijn identificatie met mijn later zelf garandeert.

De empiristische bundeltheorie leidt dan ook tot een aantal revisies van de common sense opvatting over de persoonsidentiteit. De sterke opvatting daarvan, die gemeengoed is in de alledaagse leefwereld, moet worden vervangen door een zwakkere, door de notie van een slechts graduele mentale verbondenheid. Ook het belang dat de gewone man daaraan hecht moet worden herzien: de persoonidentiteit heeft immers op zichzelf geen intrinsieke waarde. Het normale unitaire zelfbeeld moet dan de plaats ruimen voor een pluralistisch. Het ik valt daarbij uiteen in een reeks van opeenvolgende zelven waarvan sommige meer belang hebben dan andere. Deze revisie vindt plaats in allerlei emotionele, rationele en morele contexten op basis van steeds hetzelfde graduele ’disconto-principe’: hoe zwakker de relatie tussen opeenvolgende empirische zelven hoe minder belang ze heeft. Parfit voorziet zijn bijzondere persoonsopvatting ook van een ethische dimensie. Hij omschrijft die als een soort ‘boeddhisme’: als het ego een onpersoonlijke entiteit is en zijn ervaringen niet echt bezit, dan brengt dat een zekere onthechting mee die een mogelijke opening is naar de anderen. Ricoeur waarschuwt ervoor dat die positie uiteindelijk het in het Angelsaksische utilarisme sterk aanwezige egotisme versterkt. “Would the question of what matters arise if there were no one to whom the question of identity mattered? Let us now add: if my identity were to lose all importance in every respect, would not he question of others also cease to matter?”

De metafysische Ego-theorie

Deze theorie poneert het bestaan van een spiritueel ego of van een blijvende, onveranderlijke ziel-substantie. Precies zoals de empirist acht een dergelijke metafysicus zich in staat het zelf te kennen door een inwendig zintuig. Anders dan die empirist meent hij dat zelf volledig in het vizier te kunnen krijgen. Naast zijn lichaam bezit de mens een immateriële dimensie die het essentiële deel is van zijn persoon en die ontsnapt aan de contingentie van het gewone leven. De zelfidentiteit door de tijd heen bestaat dan in het onveranderlijke voortbestaan van die essentie die niet verder analyseerbaar is. De ziel-substantie verzamelt in zichzelf alle belevingen en brengt ze tot eenheid. Het Ego verschijnt dan ook als de eigenaar van zijn ervaringen. Onze identiteit is geen door de maatschappij opgedrongen constructie of een soort taalspel dat voorkomt uit allerlei vitale of pragmatische contexten. Op die manier kan de Egotheorie een rationele rechtvaardiging bieden voor de common sense opvatting over persoonsidentiteit die, zoals we al weten, werkzaam is in allerlei existentiële kwesties. Uiteindelijk bevestigt zij de eenheid van de persoon als een metafysisch mirakel of een ontologische fictie.
Cuypers concludeert dat het analytische debat over de persoonsidentiteit zich in een patstelling bevindt. De empiristen en de metafysici van de Egotheorie besteden onvoldoende aandacht aan de natuur en aan het belang daarvan. Volgens de empiristen verschijnt de persoonsidentiteit in kwesties zoals liefde en verantwoordelijkheid als een existentiële fictie. De aanhangers van de Egotheorie doen op hun beurt een beroep op een ontologische fictie om die alledaagse praktijken te rechtvaardigen.

Het vernauwde mensbeeld in het analytische debat over de persoonsidentiteit

Cuypers is van oordeel dat zowel de bundeltheorie als de Egotheorie is aangetast door het filosofische atomisme. Daarbij delen beide denkwijzen een aantal epistemologische en ontologische vooronderstellingen. Telkens wordt de ontologie van de persoonsidentiteit ondergeschikt gemaakt aan een welbepaald epistemologisch model daarvoor. Dit model is fundamentalistisch van aard (‘foundational theory of knowledge’): het verlangen naar een zeker fundament voor de kennis privilegieert, net zoals in Descartes’ methode van de twijfel, de positie van de eerste persoon. De innerlijke ruimte van het ik is immers het domein waarop onbetwijfelbare en directe kennis mogelijk is. De uiterlijke ruimte van het lichaam, van andere personen en van de fysische wereld is slechts het object van waarschijnlijke en indirecte kennis. Tot die innerlijke ruimte heeft zowel de empirist als de metafysicus van de Egotheorie een bijzondere, introspectieve toegang. Die introspectie wordt opgevat als een perceptuele activiteit die de kenmerken heeft van de waarneming van uiterlijke objecten. In Russells logisch atomisme speelt bijvoorbeeld de kennis door vertrouwdheid (‘knowledge by acquaintance’) een grote rol. Dit soort kennis onderscheidt zich van kennis via beschrijving (‘knowledge by description’) door haar onmiddellijke en zekere karakter. De introspectieve vertrouwdheid met mentale toestanden verschijnt daarbij als analoog met de perceptuele vertrouwdheid met de objecten in de uitwendige ruimte (zintuiglijke gegevens of sense-data).
Op die manier leidt een fundamentalistische epistemologie via haar verlangen naar zekerheid en haar nadruk op de bevoorrechte toegang van de eerste persoon tot de innerlijke, vertrouwde wereld uiteindelijk tot een solipsistische opvatting van de persoonsidentiteit.

Ook het gemeenschappelijk ontologische fundament van de bundeltheorie en de Egotheorie is solipsistisch van aard. Beide denkwijzen gaan ervan uit dat er afgescheiden particuliere entiteiten bestaan zowel in de psychische als in de fysische wereld. De werkelijkheid vormt geen holistische eenheid maar is een collectie van talloze, van elkaar onafhankelijke eenheden. Terwijl de ziel in de Egotheorie heel duidelijk als een aparte substantie verschijnt vat bijvoorbeeld ook Russell de delen van de mentale bundel op als afgescheiden mentale atomen die het karakter hebben van een substantie. Juist daarom kunnen zij op zichzelf bestaan zoals ook de persoonsidentiteit die zij samen tot stand brengen.

Dit epistemologische en ontologische solipsisme heeft een vijftal belangrijke gevolgen. In de eerste plaats verschijnt de persoonsidentiteit binnen het atomistische denkkader als die van de eerste persoon waardoor zij van in den beginne een asociaal karakter krijgt. Het zelf wordt opgevat als een privaat object dat slechts door één persoon, en wel de eerste persoon, kan worden gevat. Andere personen hebben slechts indirect toegang tot dat zelf dat zich ophoudt in een soort splendid isolation, ver weg van het publieke domein. Ten tweede ontstaat er een epistemische asymmetrie tussen de kennis van de eigen geest en die van andere geesten. De laatste zijn alleen begrijpbaar naar analogie van de kennis van de eigen geest. Ten derde poneert de atomische denkwijze de logische prioriteit van de zelftoeschrijving van ervaringen ten opzichte van het toeschrijven van ervaringen aan anderen. Ten vierde vindt binnen dit kader een herleiding plaats van het probleem van de persoonsidentiteit tot die van de zelfidentiteit. Omdat de eerste persoon geen bevoorrechte toegang heeft tot het lichaam verliest dit laatste zijn relevantie voor de constitutie van de persoon. Alleen het geestelijke aspect is daarvoor van belang. Het is duidelijk dat we hier, zij het op heel andere gronden dan in het geval van Husserls of Kants transcendentale ego, afglijden in de valkuil van de idealistische verleiding. Ten vijfde verschijnen de micro-atomen die de mentale bundel samenstellen of het macro-atoom van de ziel-substantie als statische objecten die gewoon gegeven zijn. Zij constitueren de persoonidentiteit als het ware automatisch. Daarvoor is geen praktische of talige omgang met de wereld, geen creativiteit van het subject noodzakelijk en zeker geen inbreng van de anderen of een bemiddeling door de cultuur.

Het is duidelijk dat de logische atomisten - in het spoor van Descartes - tot hun opvattingen kwamen vanuit een verlangen naar epistemische zekerheid en ontische stabiliteit. Zij perken het probleem van de persoonsidentiteit in tot dat van de zelfidentiteit van de eerste persoon. Deze geestelijke identiteit is immers alleen bereikbaar via een proces van introspectie. In Russells termen gaat het hier om kennis door vertrouwdheid. Het zelf is daardoor nooit een publieke entiteit maar veeleer een privé-aangelegenheid. Het heeft een zelfstandig en afgescheiden karakter. Kortom, het ‘zelfportret’ van het filosofische atomisme is het portret van een niet-lichamelijk, privaat en statisch object waarmee de eerste persoon intiem vertrouwd is.

Vervolgens ondermijnt Cuypers het kenmodel van het logische atomisme. In de eerste plaats laat hij zien dat het onmogelijk is de ziel-substantie van de Egotheorie (die de eigenaar is van alle subjectieve ervaringen) van binnen uit te observeren. Hij gebruikt daarvoor een aantal argumenten waarvan ik hier alleen het meest bekende bespreek. Als de observatie van het innerlijke ik opereert naar het model van de waarneming van uiterlijke objecten dan moet een foutieve identificatie van de ziel-substantie mogelijk zijn. Het is echter duidelijk dat wij onszelf niet foutief kunnen identificeren. Shoemaker legt er de nadruk op dat het gebruik van het persoonlijke voornaamwoord ‘ik’ immuun is tegen een dergelijke identificatiefout.
Hoewel de empiristen een zelfstandig Ego (en daarmee de persoonlijke observatie van innerlijke toestanden vanuit een levendig zelf) ontkennen, toch is de waarneming van mentale toestanden mogelijk omdat een soort mechanisch oog die op een hoger, tweede niveau in het vizier kan nemen. Het bewustzijn is dan een soort scanning van een bepaald deel van onze hersenen door een ander. De analyse van ervaringen wordt daarbij volstrekt onpersoonlijk. Ook hier geldt wat al werd opgemerkt in verband met de observatie van de ziel-substantie in de Egotheorie: indien de observatie van innerlijke objecten analoog verloopt met die van uiterlijke dan moeten de voornaamste kenmerken van de tweede ook gelden voor de eerste. Met heel wat argumenten laat Cuypers zien dat dit niet het geval is: het fenomenale karakter van de perceptie en ook de causale relatie tussen het waarnemingsobject en de perceptie zelf kunnen niet worden overgedragen. Het proces van de introspectie verloopt dus niet parallel met de waarneming van objecten.

Daarom concludeert Cuypers dat het perceptuele model van zelfkennis in het logische atomisme onhoudbaar is. Evenmin zijn de ontologische kenmerken daarvan, die op dat kennismodel steunen, nog langer te verdedigen. De bundel van ervaringsgegevens heeft niet eens het statuut van een waarnemingsobject en heeft zeker niet het karakter van een afgezonderd, privaat en volkomen innerlijk fenomeen. Zelfkennis door de hier behandelde vorm van introspectie blijkt een illusie te zijn.

Strawsons descriptieve metafysica als een correctief voor de persoonsopvatting in het logische atomisme

Al dit inderdaad het geval is dan komt de persoonsopvatting van het logische atomisme op de helling: de persoon is dan niet langer een niet-lichamelijk, privaat en statisch object van introspectieve vertrouwdheid. De herleiding van die persoonsidentiteit tot die van de eerste persoon en de bevestiging van haar ontologische afgezonderdheid is dan evenmin vanzelfsprekend. Peter Strawsons descriptieve metafysica kan volgens Cuypers fungeren als een therapie tegen de misvattingen in het model van het logische atomisme. Die metafysica beschrijft de feitelijke structuur van ons denken over het subject van ervaringen (de persoon) en die ervaringen zelf. Zij brengt in dit verband het conceptuele schema van het gezonde verstand, van de common sense man naar de oppervlakte. Strawson komt tot zijn bijzondere opvatting van de persoon vanuit twee logico-metafysische principes.
Het eerste houdt in dat de identificatie van innerlijke ervaringen logisch de identificatie van het subject van die ervaringen vooronderstelt. Daarbij gaat deze filosoof uit van het bestaan van basisparticularia: individuele objecten in het algemeen die materiële lichamen zijn of hebben. Die particularia kunnen in een communicatieve situatie optreden als objecten van identificerende referentie. Men kan die immers spontaan lokaliseren in een enkel vierdimensionaal spatio-temporeel systeem, waarin zij een unieke en dus herkenbare plaats bezetten. Dit systeem kan ontstaan omdat die particularia (materiële lichamen en lichamelijke personen) een zekere massiefheid in de ruimte en enige duurzaamheid in de tijd bezitten. Als Strawson aldus beweert dat lichamelijke personen in het alledaagse tijdruimtelijke systeem het statuut hebben van basisparticularia dan volgt daaruit dat zij publiek waarneembaar zijn. Zijn persoonsbegrip heeft daarom niet het private karakter dat het logische atomisme daaraan toedichtte. Omdat deze basisparticularia het alledaagse tijdruimtelijke systeem constitueren kunnen zij onafhankelijk van andere particularia worden herkend en aangewezen. De referentie naar toestanden, gebeurtenissen en processen (dit zijn niet-basale particularia) is daarentegen wel afhankelijk van een identificerende referentie naar andere, basale materiële substanties. Vandaar dat de identiteit van een individuele mentale toestand (ervaring) noodzakelijk afhangt van de identiteit van de lichamelijke persoon (subject) die zich in die toestand bevindt. Het is duidelijk dat Strawson aldus het eigenaarschap van mentale ervaringen erkent en zich keert tegen de onpersoonlijke bundeltheorie die dat weigert te doen. De afgescheidenheid van ervaring en van het zelf, dat daarmee zou samenvallen, wordt daardoor onmogelijk. Hetzelfde geldt voor een onpersoonlijke analyse van ervaringen. Strawson zet de lichamelijke persoon op de plaats van het subject die als basiseenheid in het alledaagse tijdruimtelijke systeem gemakkelijk aanwijsbaar is. Daarmee corrigeert hij het vergeestelijkte concept van het zelf dat het logische atomisme typeert.

Het tweede logico-metafysche principe stelt dat de zelftoeschrijving van ervaringen secundair is ten opzichte van toeschrijving van ervaringen aan anderen. Dit betekent dat de toeschrijving van mentale predikaten in de derde persoon een noodzakelijke voorwaarde is voor de toekenning van dergelijke predikaten in de eerste persoon. Strawson geeft geen onafhankelijk argument voor deze stelling. Toch komt de inhoud daarvan overeen met Wittgensteins anti-privé-taal argument. Hiermee wijst Strawson iedere vorm van solipsisme in het toeschrijven van ervaringen af. Het primaat van de derde persoon daarbij maakt duidelijk dat het toeschrijven van ervaringen een sociaal fenomeen is.

Op die manier komt Strawson tot de notie van de primitiviteit van de persoon. Daarmee bedoelt hij dat het persoonsbegrip niet verder analyseerbaar is zoals dat wel het geval was in het logische atomisme. De persoon verschijnt dan als een welbepaalde entiteit waaraan zowel mentale als fysische predikaten kunnen worden toegeschreven. Beide soorten predikaten komen aan die personen toe. Het concept van de persoon is daarbij primitief zowel ten opzichte van het geestelijke als van het lichamelijke aspect daarvan of anders gezegd: het primitieve persoonsconcept gaat vooraf aan beide aspecten die op zichzelf beschouwd niets meer zijn dan conceptuele abstracties.

Cuypers verheldert vervolgens de implicaties van Strawsons persoonsbegrip. Een persoon moet vooreerst worden opgevat als een handelend wezen of een actor. Een handeling is immers zelf in het alledaagse conceptuele schema een primitief feit: zij bestaat niet alleen in een intentie of alleen in een uiterlijke beweging. Beide aspecten zijn even onmisbaar. Vervolgens verschijnt die persoon het best als een object van reactieve attitudes en gevoelens (zoals bewondering, afkeer, woede) die ook een primitief of een niet verder analyseerbaar karakter hebben. Die reacties berusten niet op een of ander inzicht in de aard van het lichaam of van de ziel: zij zijn er van in den beginne en manifesteren zich zonder reflectie. Daardoor verschijnt de mens dan als een moreel wezen dat niet vervreemd is van de alledaagse praktijken zoals het toekennen van verantwoordelijkheid of het zorg dragen voor de eigen toekomst. In die existentiële praktijken kan de mens optreden als een tastbare realiteit in de intersubjectieve werkelijkheid. Het gaat hierbij om een soort instinctief personalisme dat een passend alternatief is voor de persoonsopvatting van het logische atomisme.

Bij dit alles is een verdere analyse nodig van een niet-cartesiaans concept van het levend menselijke lichaam. Omdat de mens in de eerste plaats een handelend wezen is ent zich de maximale structuur van de handelingsidentiteit op de minimale structuur van de lichaamsidentiteit. Een niet-atomistische handelingstheorie dient dan ook te worden uitgewerkt. De natuur van de persoon ligt uiteindelijk in de totaliteit van zijn rationele handelingen in een sociale context. Parallel daarmee kan de notie van een narratieve identiteit (zoals bijvoorbeeld Charles Taylor en Paul Ricoeur die hebben ontwikkeld) van belang zijn voor de studie van alle factoren die een persoon maken tot wat hij is. De lichaamsidentiteit is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor persoonsidentiteit. Er is immers ook nog het innerlijke zelf dat een afgeleid, secundair fenomeen is ten opzichte van het primaire, meer primitieve persoonsconcept. Het persoonlijke zelf bestaat, het is voor ons praktische leven van groot belang, maar het is niet zonder meer een privaat object van introspectieve vertrouwdheid.

Cuypers besluit dat een verantwoorde persoonsopvatting een dynamisch, lichamelijk en publiek karakter heeft. Daar voeg ik nog een vierde kenmerk aan toe. Isaiah Berlin wijst Strawsons descriptieve metafysica af omdat die zijn metafysica een tijdloos, universeel karakter geeft. Op die manier neemt Strawson een kantiaanse positie in: zijn werk is een inventarisering en rechtvaardiging van a-priori kennis van de menselijke natuur en van het universum. Berlin is van oordeel dat Strawson zich beperkt tot de altijd geldende vooronderstellingen van de ervaring en het denken waardoor hij voorbijgaat aan hun historische veranderlijkheid. Daarom is vanuit Strawson geen echte wending naar de cultuurfilosofie mogelijk. De hermeneutische praktijk heeft echter voldoende duidelijk gemaakt hoe de inhoud van zeer vele mentale predikaten en daardoor onze blik op onszelf en op de anderen zeer sterk door de geschiedenis zijn aangeraakt. Een persoon kan in de alledaagse werkelijkheid niets anders verschijnen dan als een dynamisch, lichamelijk, sociaal én historisch fenomeen. Om het even welk mensbeeld, dat van belang wil zijn voor het praktische leven, zal aan deze criteria moeten voldoen.

Het kwetsbare ik

Als we een persoon opvatten in het licht van het primaat van de derde persoon dan betekent dat niet dat we kunnen voorbijgaan aan de subjectieve zijde daarvan. Het concept van het zelf is inderdaad afgeleid van het meer primitieve persoonsconcept, maar het kan niet worden weggeredeneerd. Daarvoor speelt het een te belangrijke rol in ons praktische leven.

Het is echter onmogelijk het op te vatten als een niet-lichamelijk, privaat, statisch en onhistorisch en daardoor als een min of meer stabiel object. Cuypers is van oordeel dat het persoonlijke zelf het best kan worden bestudeerd in contexten van persoonlijke autonomie (dan floreert het) en van wilszwakte en zelfbedrog (dan verkeert het in moeilijkheden). Daarbij maakt hij duidelijk dat het zelf een kwetsbare entiteit is. In tegenstelling tot het eigenmachtige, van het lichaam en de cultuur losgemaakte Ego van Descartes verschijnt het zelf bij deze auteur als een eerder zwakke, aan allerlei gevaren blootgestelde entiteit, die op vele manieren afhankelijk is van krachten van buiten. Dat wil echter niet zeggen dat de mens bij bepaling tot mislukken gedoemd is. Met veel moeite en in de goede omstandigheden is hij tot een gematigde autonomie in staat.

Zelfrealisering begint in een passieve context: het zelf bepaalt niet eigenmachtig zijn identificaties maar ondergaat ze. Onze wil wordt voorgevormd door zinpatronen en waarden in de leefwereld die greep op ons krijgen onafhankelijk van onze eigen inzichten en beslissingen. Daardoor raken we vaak voor lange tijd en soms zelfs voor de duur van ons hele leven (op een niet-intentionele wijze) bekommerd om zaken die voor ons belangrijk zijn. Wij kiezen onze diepste identificaties niet, maar worden erdoor gecreëerd. Het is dan ook geen wonder dat onze respons daarop doorheen de tijd onze identiteit helpt opbouwen. Die welbepaalde gerichtheid van de wil op uiterlijke objecten structureert ons innerlijke leven en bevrijdt ons van de verwarrende willekeur van onze passies. Zij personaliseert onze verlangens en geeft ons geestelijke leven een particulier karakter. De oorspronkelijke passiviteit van onze wil wordt op die manier een essentiële voorwaarde voor iedere vorm van authentieke persoonlijke autonomie.

Onze afhankelijkheid van krachten van buiten uit blijkt ook uit het fenomeen van de zelfevaluatie. In dat proces schatten we de waarde in van onze keuzes en daarmee die van onszelf. Daarbij gaat het niet zozeer om een willekeurige keuze uit enkele op zichzelf neutrale preferenties. Het gaat ook niet om een inschatting van de relatieve sterkte van een of ander verlangen dat in principe door een ander kan worden vervangen. Die evaluatie vindt veeleer plaats op basis van normatieve referentiepunten die het subject niet zelf heeft gekozen. Die zijn afkomstig uit een voorgeven horizon van waarden. Eigen voorkeuren en volstrekt zelfgekozen waarden hebben die normatieve status niet. Uit deze karakteristiek van de zelfevaluatie wordt duidelijk waarom absolute autonomie onmogelijk is. Iedere vorm van zelfevaluatie berust uiteindelijk op het oordeel van de anderen in het licht van een gemeenschappelijk waardesysteem. Die sociale afhankelijkheid is helemaal geen vervreemdende factor maar een constitutieve factor voor onze zelfwaardering. Pas dan wordt het mogelijk een gepast en niet illusoir gevoel van eigenwaarde te ontwikkelen. Daarzonder vervalt een persoon al vlug in allerlei vormen van zelfbedrog.

Het is voor een goed begrip van ons kleine ik van belang nogmaals te onderstrepen dat volstrekte autonomie hooguit een regulatieve idee is, de imaginaire bovenlimiet van wat onze individualistische tijd van ons verwacht. Daarom voeg ik aan Cuypers argumenten de volgende opmerking toe. In de praktijk is autonomie (of individualisme, zelfbepaling, zelfbeschikking, zelfactualisering) niet tegengesteld aan, maar veeleer immanent betrokken op heteronomie. Autonomie is een gemengd verschijnsel. Zij mag niet essentialistisch worden opgevat, als een afgerond, met zijn natuur gegeven kenmerk van de mens of als een mogelijkheid die zich geheel en eenduidig kan realiseren. In ons verlangen naar autonomie spelen imaginaire en libidineuze componenten een rol. Daardoor kunnen de verbeelding, het verlangen en het denken het uitvergroten tot buiten de menselijke maat. Het wordt dan vatbaar voor de idealistische verleiding. Het gemengde karakter van het (gematigd) individualisme blijkt bijvoorbeeld uit A. Maslows behoefteschaal, waarin het verlangen naar een door en door meer gepersonaliseerde levenswijze bovenaan staat. De auteur wijst er op dat slechts een gering aantal mensen die ‘top’ bereiken. Zelfactualisering is dus een opdracht, een moeizame arbeid. Dat betekent dat concrete manifestaties van autonomie meestal inadequaat zijn, onzuiver en gemengd.

Dat ons zelfoordeel afhankelijk is van het oordeel van anderen blijkt uit ons verlangen om door hen te worden erkend. In het wederzijdse spel van de erkenning lopen we het risico door de anderen afgekeurd te worden of foutief beoordeeld. Het verlangen naar eer en prestige houdt het gevaar voor minachting in. De anderen zijn immers van ons onafhankelijk waardoor de beoordeelde geen echte controle heeft over het oordeel van de beoordelaar. Daaraan voeg ik nog toe dat een dergelijk oordeel triadisch van aard is: het vindt plaats op basis van een ‘tertium quid’: een of andere waarde die beide partijen aanwezig vinden in hun gemeenschap-pelijke leefwereld. Dit betekent dat het verlangen naar erkenning op een dubbele wijze het gebrek aan een volstrekte eigenmacht van het ego illustreert. Fundamenteel is daarbij een zekere passieve geestesgesteldheid die ons ontvankelijk maakt voor een reeks van voorgegeven waarden én voor het oordeel van de anderen op basis daarvan. Daarom is die passiviteit de noodzakelijke voorwaarde voor een juiste zelfevaluatie en een gepast gevoel van eigenwaarde. Ook Charles Taylor legt grote nadruk op onze behoefte aan erkenning. Hij brengt die in verband met de instorting van de vroegere sociale hiërarchieën en met het moderne ideaal van authenticiteit, waarin onze eigen individualiteit niet monologisch maar dialogisch moet worden gerealiseerd.

Op die manier formuleert Cuypers een soort antropologie van het zwakke ik waarin de kwetsbaarheid van de mens een leidmotief is. De passieve dimensie van de mens is verbonden met veel innerlijke conflicten, allerlei vormen van tragiek en innerlijke verscheurdheid, maar evenzeer met de mogelijkheid van vervulling en authentiek geluk. Van een sterk ik, dat meent alleenheerser te zijn in eigen huis, kan echter geen sprake meer zijn.

dinsdag 16 augustus 2011

Het precieze gebruik ( 4321 - 4340)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4321 - 4340)

4321. Vlaamse tolerantie: Vlaamse artiesten die dezer dagen hun mailbox zien overlopen met haatmail van fans van Bart De Wever zijn onder meer Bart Peeters, Daan en Milow. ‘Al wie tegen Bart De Wever is, moet gewoon zijn bek houden,’ schrijft De Morgen, die mocht meelezen in de mailboxen van de Bekende Vlamingen. ‘Het varieert van onbeschoft tot ronduit griezelig,’ zegt Stijn Peeters, broer en manager van Bart Peeters. De zanger en VRT-presentator had zich eerder deze week in het Radio-1 programma Touché kritisch uitgelaten over Bart De Wever die volgens hem verantwoordelijk is voor het politiek immobilisme in dit land. Peeters kreeg 800 haatmails toegestuurd.

4322. Nederlandse tolerantie: de principieel uiterst tolerante Wilders beweegt hemel en aarde om de subsidielijnen van de overheid naar de activiteiten van de publicist Riemen door te knippen. De laatste heeft een onthullend en zeer leerrijk boekje over de witharige politicus geschreven. Voor dat boekje: zie mijn literatuurlijst.

4323. de laatste neologismen: horkerig vulgair (Jeroen Brouwers over de literaire kritiek van Herman Brusselmans); de metroseksueel; de teuro (de volgens de Duitsers dure euro); het koningskoppel moet de euro redden (Merkel en Sarkozy).

4324. een moderne god: gedicht van Erich Kästner (met dank aan mijn vriend Raf ):

Neues vom Tage

Da hilft kein Zorn. Da hilft kein Spott.
Da hilft kein Weinen, hilft kein Beten.
Die Nachricht stimmt! Der Liebe Gott
ist aus der Kirche ausgetreten.

4325. een modern vooroordeel: blijkbaar is niemand er verbaasd over dat het financiële systeem voor de zoveelste keer naar de verdoemenis gaat. Het vertrouwen in dit systeem is geen geloof meer, maar een blind vooroordeel, door de schema’s, begrippen en redeneringen van illustere en zelfs van Nobelprijzen voorziene economen tot een schijnbaar logisch, in de natuur der dingen liggend stelsel omgetoverd.

4326. een moderne verwarring: de economie is een in de natuur der dingen liggend fenomeen als men daaronder verstaat het feit dàt en de manieren waaròp de mensen aan de voor hen noodzakelijke bezittingen komen of nog preciezer hoe ze die niet kunnen krijgen, ze verliezen of ze aan anderen (dienen te) geven. De studie daarvan heet ook economie, maar de waarheidswaarde daarvan is niet veel meer dan een uiterst inadequaat en inefficiënt instrument voor het begrip en de beheersing van de economie in de hoger vermelde zin.

4327. onze intellectuele vijanden: we moeten onze intellectuele vijanden dankbaar zijn, want we ontwikkelen onze vitaalste gedachten door onze wedijver met hen, door onze jaloezie, door ons verlangen hen te overtroeven en door de argwaan en de bijzondere scherpzinnigheid waarmee we de opvattingen van onze concurrenten vanaf de aanvang proberen van hun glans te ontdoen.

4308. historisch onvermogen (1): slechts weinig mensen kennen het verleden, niet zozeer door een gebrek aan onderricht, maar veeleer door het ontbreken van een min of meer valabel interpretatieschema, waarin menselijke strevingen en activiteiten een plaats krijgen in een vooraf doordacht stramien van waarden, waarheid en moraliteit. Als dit het geval is zwalken losse feiten in het geheugen rond, zonder veel verband met het menselijke heil, losgemaakt van hun betekenis voor de individuen die er mee te maken krijgen.

4309. historisch onvermogen (2): zonder een dergelijk interpretatieschema kan een mens zich verlustigen in de wonderen van de Romeinse bouwkunst en voor geen moment aandacht besteden aan het lot van tienduizenden slaven die tijdens de bouwwerken ten onder gingen of voor het leven werden verminkt.

4310. historisch onvermogen (3): dit onvermogen is een vorm van individuele, maar vooral van collectieve verdringing, waarbij de betrokkene zijn ziel in van elkaar onafhankelijke delen weet op te splitsen: het ene deel neemt dan niet meer deel aan het leven van het andere.

4311. historisch onvermogen (4): voor een stuk is dit onvermogen te verklaren door een merkwaardige opstelling van vooral de geschiedenisleraars. Kinderen uit het lagere en middelbare onderwijs, zo denken ze, zijn nog te teerhartig om de harde waarheden die zichtbaar worden in het verleden te verdragen. Daarom worden ze niet zozeer verbloemd, dan wel verzwegen, of preciezer, doelbewust overdekt met minder gevaarlijke aspecten van hetzelfde historisch fenomeen. Wat daaruit voortvloeit is een angstig ongeloof in achteruitgang, verval en ondergang en, in het algemeen, een kleinburgerlijk wantrouwen in ieder pessimistisch inzicht. Het mensbeeld gaat spoedig rieken naar dat van Rousseau en dat is geen opsteker voor diegene die de waarheid op het oog heeft.

4312. een economisch enigma: na een sterk jaarbegin is de groei van de Duitse economie zo goed als stilgevallen. Het bruto binnenlands product (bbp) steeg in het tweede kwartaal met slechts 0,1 procent. Onlangs maakte Frankrijk al bekend dat de economische groei in het land tegen de verwachtingen in is stilgevallen in het tweede kwartaal van 2011. Maar België, het land met een onnoemelijke overheidsschuld, met zogenaamd onverantwoord hoge lonen en met een nog altijd uiterst bloeiende sociale zekerheid (want door de Walen voorbeeldig bewaakt!), scoort als een van de besten in het Europese peloton. Dit alles laat zien hoe de tot schablonen versleten en zichzelf tot vervelens toe herhalende economenpraat gewoon geen steek houdt

4313. een economische verrassing: budgettair orde op zaken stellen is in heel wat landen noodzakelijk, maar mag niet ten koste gaan van alles. Dat stelt IMF-topvrouw Christine Lagarde in een vrije tribune in de Financial Times. "Laat ons geen budgettaire handrem trekken die de wereldwijde heropleving blokkeert", aldus Lagarde.

4314. een economische uitzondering: Yves Desmet in De Morgen: “Iemand die vraagt om zijn belastingen te verhogen, het gebeurt niet alle dagen. Nochtans is dat net wat superbelegger en miljardair Warren Buffett, een van de rijkste Amerikanen, heeft gedaan: hij vraagt het Amerikaanse Congres de belastingen te verhogen voor de rijkste inwoners van de VS om zo het begrotingstekort in te perken. Dat mag best, vindt hij, "omdat mijn vrienden en ik lang genoeg zijn vertroeteld door een miljardairsvriendelijk Congres". Het pamperen van miljonairs heeft nu toch al bij een ervan tot een opstoot van ethische schaamte geleid. De 80-jarige investeerder zei dat hij vorig jaar 6,9 miljoen euro belastingen betaalde, ofwel 17,4 procent van zijn belastbaar inkomen. De 20 mensen die voor hem werken, allemaal tegen een veel lager loon, betaalden daarentegen gemiddeld 36 procent belastingen. De parallel met dit landje is niet zo moeilijk te trekken. Loon- en weddetrekkenden zitten hier al gauw aan een tarief dat de 50 procent benadert of overschrijdt, terwijl de 20 grootste beursgenoteerde bedrijven van het land nauwelijks belastingen betaalden”.

4315. de impact van deze economische uitzondering: de impact zal jammer genoeg vrijwel nihil zijn. Een van de reden daarvoor is dat economen (en al diegenen die hun bijbelse uitspraken geloven en in de praktijk trachten te brengen) niet gedreven worden door liefde voor de waarheid, maar door eigenbelang en dat is hetzelfde als het belang van hun rijk in de room zittende en ruim salarissen betalende broodheren, in wier invloedrijke schaduw zij zich bovendien heel graag koesteren.

4316. Gerrit Komrij over de Verlichting:

Man uit 1803

Als afgezant van de miljoenen lijken
Die wonen onder weiland en trottoir
Werd hij vooruitgestuurd om eens te kijken
Hoe het er uitzag na tweehonderd jaar.

Om zijn geraamte een gele regenjas,
Om ieder vingerkootje een gouden ring
En om zijn kaak een dappere grimas
Gedroeg hij zich een dag als sterveling.

Hij zag het bouwwerk van een architect,
Hij rook de geur van kanker en gangreen,
Hij hoorde een fragment uit Lohengrin,

Hij proefde hoe het stond met het intellect
En politiek, en ging hoofdschuddend heen.
Zijn voorbeeld volgde niemand meer sindsdien.

4317. nog een economisch enigma: in België is het de laatste decennia wettelijk mogelijk bestaande apotheken te kopen, ook als men zelf geen apotheker is. Alleen een voldoend hoge som geld is nodig. Op dezelfde wijze is het de laatste tijd mogelijk voetbalploegen op te kopen, of het nu met maffiageld is of met ander, want geld, zoals men weet, stinkt niet. Het blijft wachten op de neoliberale vervulling der tijden, op het godzalige moment dat een rijkaard een school kan kopen, de leraars aanstelt en het lesprogramma naar zijn hand zet.

4318. Gerrit Komrij over het geld:

Lied van het geld

Met velde handen tellen ze hun geld –
Ze achten ieder tijdverdrijf onzedig
Dat inhoudt dat er minder wordt geteld

Of dat er geld zou vallen uit hun hand.
Tussen hun oren is het woest en ledig,
Dus staan ze in hoog aanzien in het land.

Terwijl ze tellen spelen ze de baas,
Ze tellen bij het legen van hun blaas
En tellen sneller bij het koppensnellen.

Wat ze nooit tellen zijn hun grijze cellen.
Het goud dat ze beheren op hun banken
Is ijzer in hun woning van zes planken.

4319. economie: John Kenneth Galbraith: “De economische wetenschappen zijn erg bruikbaar als vorm van tewerkstelling voor economen”.

4320. tegen de rationalisten: de markten kunnen langer irrationeel zijn dan jij solvabel. Zij kunnen fout zijn, maar ze krijgen wel altijd gelijk. De mensenwereld laat zich slechts hier en daar en uiterst kortstondig iets aan de waarheid gelegen liggen.


maandag 8 augustus 2011

Het precieze gebruik (4301 - 4320)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4301 - 4320)

4301. het eenheidsdenken: omdat het ontstaat door een complexiteitsreductie wordt het al spoedig populistisch: wie tegengestelden, ambivalenties en de veelvuldige gelaagdheid van menselijke verschijnselen niet kan verdragen (niet in de praktijk en evenmin in theorie) voelt er zich thuis in. Maar ook intellectuelen van een eerder naturalistische snit (die een strenge, eenduidige wetenschapsopvatting huldigen) reageren vaak hun ongemak in de omgang met culturele (en dus deels onvatbare, niet geheel voorspelbare en veelvuldig samengestelde) verschijnselen af door een hardnekkige, onterechte, op intellectuele gronden niet helemaal verdedigbare sympathie voor één of ander eenheidsstelsel (zoals de Dawkinsiaanse godsdiensthaat als bron van alle kwalen). Ook grote geleerden kunnen verborgen populisten zijn.

4302. het populisme(1): journalist Holthof (schrijvend voor De Tijd) besteedt aandacht aan de cultus van de domheid in het populistisch discours: "Idiotie en onbenulligheid hebben vandaag een ongekende glamour", schrijft Holthof, die het populisme definieert als "de veruiterlijking van de kleinburgerlijke domheid". Aangezien domheid momenteel verkoopt, laten doorgaans behoorlijk intelligente politici zich aan de buitenwereld (de media) kennen als joviale mannen-in-de-straat.

4303. de laatste neologismen: zijn troeteldichter; haatpaleizen (zo noemt Wilders de moskeeën in Nederland); okselfrisse politici; teenslippers en espadrilles als de tekens van de zon; de nieuwste bananenrepubliek (de econoom Paul Krugman over de USA na de recente schuldendeal); het Engels uitspreken met een accent waar het bier van verschaalt; de leefbaarometer van een wijk in Nederland; hangmatwerknemers in België; de smurfenknuffelaars kunnen de boom in (grondwettelijk gegarandeerd Wilderiaans voor de met de islamieten theeslurpende linksen); een atheïst boort constant gaatjes in zijn eigen boot (de filosoof Hubert Dethier); er zijn de tabloids (het riool van de wereld) én de rioolratten die ze kopen; voor de winnaar van de Tour: cadee, cadelleke, cada.

4304. het populisme(2: optimisten die in het populisme het begin van de opgang van de kleine man zien, mogen die illusie snel opbergen, schrijft Jan Blommaert. "De stem van de gewone man is een commercieel product, dat in handen is van een heel kleine elite die commercie en opinievorming met elkaar combineert".

4305. rechtse vraatzucht (1): neoconservatieven en andere haviken hebben geen goed woord over voor het schuldakkoord tussen de Democraten en Republikeinen dat de uitgaven voor defensie aanzienlijk zou terugdringen. Het is echter duidelijk dat de vele militaire avonturen van deze agressieve staat (én de weigering van de rijken om ook maar een cent belasting te betalen) de eerste oorzaak zijn van zijn immense schuld.

4306. rechtse vraatzucht (2): de Democraten drongen aan op de afschaffing van de belastingvoordelen voor de rijkste Amerikanen, maar zij bijten in het zand. Die belastingverlagingen, ingevoerd onder president Bush, werden in december door Obama verlengd. Hij had tijdens zijn verkiezingscampagne nochtans beloofd om ze af te schaffen. En ook nu lukte het dus niet om te raken aan die cadeautjes voor de rijken. De 400 rijkste Amerikanen bezitten ondertussen meer dan hun 150 miljoen armste landgenoten. Ook Amerikaanse bedrijven betalen zo goed als geen belastingen. General Electric boekte in 2010 14,2 miljard dollar winst, maar betaalde daarop geen belastingen. Let op, als het in economisch opzicht regent in de USA druppelt het hier spoedig.

4307. rechtse daadkracht: Koen Meulenaere in Knack: “Bart De Wever zal pas echt tot de grote jongens behoren indien hij alle Latijnse spreuken waarmee hij graag de grote Janus uithangt, ook op zijn lijf laat tatoeëren. Men zou toch denken: daar is plaats genoeg, ten gevolge van een overconsumptie van deeg en gefrituurde knolgroenten. ‘Nil voluntibus arduum’, dat gaat pijn doen in de meer uit spek dan spieren bestaande ledematen van de N-VA-gouwleider”.

4308. een vlinder: ‘Dat dubbelgevouwen liefdesbriefje op zoek naar het adres van een bloem’.

4309. Belgische journalisten: Benno Barnard op zijn blog in Knack: “Onder de zoogdieren behoren de journalisten tot de herkauwers. En ze verergeren de situatie nog door hun gebrekkige kennis van de andere landstaal. Dit alles maakt dat de Belgische journalisten erin slagen van een heel klein land iets ongelooflijk onoverzichtelijks te maken”.

4310. linkse kromtaal: Renaat Landuyt (socialist) over de megadeal tussen de frauderende familie Hendrickx en het gerecht: “Klassejustitie zal altijd bestaan. Deze deal levert de gemeenschap iets op, zodat de burger minder belastingen moet betalen”.

4311. een beoordelingscriterium: je kan je medemensen en de instituties beoordelen naar de mate waarin ze vrij spel geven aan de commercie. De politiek, de media en zelfs het onderwijs zijn op dit moment in dit opzicht nefast. Of anders gezegd: je kan de waarde van de mens en zijn werken afmeten aan hun graad van vergeestelijking, of aan de afwezigheid van het nutsdenken of aan de neiging activiteiten te waarderen omdat ze in zichzelf plezierig zijn.

4312. links wangedrag: niemand zal eraan twijfelen dat ik uit overtuiging en in het openbaar een linkse ben en dan nog eentje van het vurige soort. Voor mij is er niets afschuwwekkenders dan een gestudeerd en succesvol mens die zijn bescheiden origine afzweert en omwille van het geld, het prestige of de macht met de klassenvijand heult. Omdat de leiders van de Europese socialistische partijen zich precies aan dat soort praktijken bezondigen, geven ze het socialisme een uiterst slechte reputatie. Ze worden volstrekt ongeloofwaardig, terwijl deze leer, als een messcherpe, onverbloemde analyse van maatschappelijke kwalen, heel precies de vinger legt op de oorzaken daarvan en op de remedies daartegen. De intellectuelen kunnen zich niet te ergeren aan het populisme van de massa’s als ze zelf uitblinken in dit soort laaghartig verraad.

4313. de rechtse denktrant: ik begin meelij te krijgen met de rechtse publieke figuren. Wat een inspanning moet het kosten in het oog springende feiten voortdurend te negeren, almaar te moeten argumenteren tegen de logica in en ertoe gedwongen te worden om onze natuurlijke neiging tot medemenselijkheid keer op keer de kop in te drukken.

4314. het populisme (3): fuck de feiten!

4314. politieke horror: columniste Maureen Down over de Tea Party in de New York Times: 'Ze zijn als kannibalen die hun eigen partij en leiders opeten. Ze zijn als vampieren die de reputatie en kredietwaardigheid van het land als bloed aftappen. Ze zijn als zombies die meedogenloos en gedachteloos herrijzen.'

4315. het belang van de erfelijkheid: Koen De Meulenaere in Knack: “Kleine Croo is kennelijk zot geworden. Van de spanning. Zoals Grote Croo van glorie”.

4316. het eufemisme van de week: zeg niet dat je motorpech hebt, maar veeleer dat je problemen hebt met het motormanagement.

4317. een onopgelost probleem: in de Middeleeuwen voerden geleerden bij herhaling een eigenaardige discussie over de vraag of het bovenste dan wel het onderste gedeelte van een vrouw de voorkeur van de man verdient. Het was daarbij niet toegestaan te beweren dat beide gedeelten op een of andere wijze moeten samen gaan. Analoog daarmee vroeg een vriend van mij zich luidop af of een mens van nu veeleer macht dan wel geld verlangt, waarbij hij mij verbood beide elementen op elkaar te betrekken. We vonden geen passend antwoord op zijn vraag. Ik vermoed dat dit onvermogen iets laat zien over de blijkbaar onontwarbare, al maar toenemende verborgenheid van de belangrijkste verlangens in deze tijd.

4318. kleinburgers: kleinburgers hebben een speciale relatie met hun vakanties. Zonder een innige omgang met de laatste kunnen zij niet bestaan. Vakanties lijken de graadmeter van hun identiteit. Dit is in het bijzonder zichtbaar bij de grootste van alle kleinburgers: de Belgische politici. Al explodeert de staatskas met een knal, al vliegen de vier hoeken van het land met atoomkracht uit elkaar: hun vier weken vakantie blijven onaantastbaar.

4319. Weimar (1): alle vergelijkingen tussen de intenties, tactieken en daden van Wilders (en die van andere populisten) en een aantal voorvallen en toestanden in de Weimarepubliek zijn zeer ten onrechte taboe. Mensen die op die gelijkenissen wijzen worden niet gehoord, precies zoals Thomas Mann in de late jaren 1930 in zijn Let op, Europa.

4320. Weimar (2): tussen het einde van de Weimarrepubliek en het hoogtepunt van Auschwitz ligt een langzame escalatie, een steeds toenemende radicalisering van hooguit tien jaren. Onder (on)gunstige omstandigheden is één decennium genoeg om uit de beschaving weg te glijden in de wildste barbarij. Een belangrijke voorwaarde daarvoor is de koppige ontkenning van haar aanvangsstadia en het blijkbaar onuitroeibare ongeloof in het feit dat de zaken nog erger kunnen worden.

woensdag 3 augustus 2011

Gezelle in het Frans



Moederken


Paul Claes, die ik zeer bewonder, onder meer om zijn antiromantische poëzie-opvatting, vertaalde vijfentwintig gedichten van Guido Gezelle in het Frans. Hieronder als een proeve Gezelles bekende moedergedicht.

Ma mère

Je n'ai de toi
ici-bas point
de trace, point
d'image,
ma mère, aucun
portrait ne m' est
resté de ton
visage.

Aucun dessin,
aucun cliché,
aucun travail
de pierre,
sinon le seul
reflet laissé
en moi par toi
ma mère.

Que ce reflet
ne trouve pas
indigne ma
demeure,
que pieusement
il vive en moi
et pieusement
y meure.