woensdag 28 september 2011

Liberticide


Liberticide. Kritische reflecties over het neoliberalisme

Dat neoliberalisme weinig met liberalisme van doen heeft wordt na vijftien jaar vrije markt duidelijk zichtbaar. Terwijl men bij het afbouwen van de verzorgingsstaat het einde van de ideologieën en maakbaarheid bejubelde, manifesteert het marktdenken zich als een nieuwe en ongrijpbare ideologie.

Het terugtreden van de overheid (privatisering en deregulering) en de opkomst van de managerscultuur hebben bureaucratie, wet- en regelgeving alleen maar doen toenemen. De belofte dat de ‘vermarkting’ van de samenleving de consument ten goede zou komen wordt inmiddels door harde feiten gelogenstraft. Zorg, onderwijs en infrastructuur werden duurder en slechter. De vrije markt blijkt een nieuwe utopie die door captains of industry en politici gelegitimeerd wordt door drogredenen als de globale economie en terroristische dreiging.

De neoliberale revolutie leidde dan ook niet tot meer democratie en vrijheid. Integendeel, het hedendaagse burgerschap is, mede door het wegvallen van de zuilen, verworden tot een nomadisch bestaan in een als natuurstaat voorgestelde maatschappelijke werkelijkheid. In een door hyperconsumptie en sociale inflatie gedomineerde samenleving blijkt het opkomende neoconservatisme slechts een andere kant van dezelfde medaille te zijn.

Liberticide is een groepsproject van verschillende onderzoekers dat de condities van de hedendaagse vrijheid binnen vele maatschappelijke terreinen in kaart brengt. De auteurs stellen een diagnose van de samenleving in de 21ste eeuw en willen de weg vrij maken voor een mogelijke remedie.

227 p.

Inhoud

Inleiding - Tiers Bakker en Robin Brouwer (red)
Welkom in de woestijn van de neoliberale vrijheid - BAVO
De Gelijke munt van het neoliberalisme - Tiers Bakker
Vrijheid als ideologie. Een diagnose van de neoliberale samenleving - Robin Brouwer
Brief aan mijn Zorgverzekeraar - Simon de Boer
Een gecontroleerde vrijheid. Neoliberalisme, veiligheid en verzekeringen - Marc Schuilenburg
De markt jaagt de bureaucratie aan - Prof. Alfred Kleinknecht, Dr.C.W.M Naastepad, Dr. Servaas Storm
De media voorbij het neoliberalisme. Vaarwel objectiviteit, welkom werkelijkheid - Koen Haegens
‘Straf is mijn hant maar lieflyk mijn gemoet’: de afbraak van het humane strafrecht - Vasco Groeneveld
Hoe de politiek verdween uit Nederland - Merijn Oudenampsen
Liefde in een tijd van veinzen. Liefde.com - René den Ouden
Het neoliberalisme: De distopische werkelijkheid van een utopie - Benda Hofmeyr
De onvrijheid van de keuzevrijheid - Robbert Veen
Lustige vrijheid. Een lusteconomische kijk op moderne vrijheid - Marc De Kesel
Het communisme heeft het laatste woord - Boris Groys’ Kommunistische Postskriptum - Philip Westbroek
Pasolini, Badiou, Zizek en de erfenis van de christelijke naastenliefde - Lorenzo Chiesa

maandag 26 september 2011

De Wever in de achteruit


Zelfhaat

Aangezien ik het niet beter kan zeggen citeer ik hieronder een volledige column van Hugo Camps over het Vlaamse welbespraakte wonder bij uitstek: Bart De Wever.

Voor het eerst sinds zijn zonnekoningschap vertoont Bart De Wever stuiptrekkingen van paniek. Met de shovel veegde hij het akkoord over de financieringswet weg. Van B-H-V deugde eerder ook niets. De wilde uithaal werd een dag later getemperd door zijn luitenanten. Dat was op zich al een significant crisisgeluid binnen N-VA. Meneer Bart die gecorrigeerd wordt: is dat niet heiligschennis?

De door het volk geliefde volksmenner gaat moeilijke tijden tegemoet. Hij weet van zichzelf dat hij een historische kans heeft gemist. Daarom worden de tremolo's met orkaankracht almaar idioter, de verzuurde mondhoeken almaar grimmiger.
Opgevoerde brommer.

Van een met kwinkslagen strooiende charmeur naar blindgeleide blafhond: het kan snel gaan in de politiek. Als hij niet uitkijkt, deelt De Wever straks de megafoon met Vlaams Belang. Terwijl hij toch iets subtieler in elkaar zit dan Dewinter. Maar als zelfhaat opspeelt, maakt een mens rare sprongen. En het lijkt er steeds meer op dat De Wever verteerd wordt door afstotingsverschijnselen. Althans, zijn misprijzen is grotesk.
Beroepsquerulant, bijna.

Jammer, want hij had als plebiscietdrager voor een nieuwe politieke cultuur kunnen zorgen. Door anderen de eer te geven die zij verdienen. De eer van het compromis dat Vlamingen in niets tekortdoet.

zaterdag 24 september 2011

Het precieze gebruik (4421 - 4440)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4421 - 4440)

4421. de onwelriekende geur van politici: Fientje Moerman (na haar ontslag als bestuurder bij Sea-Invest); “Voor het imago van het bedrijf is het niet altijd goed dat er een politicus in de raad van bestuur zit.”

4422. de socialisten: terwijl Bruno Tobback met een stalinistische score tot voorzitter van zijn partij werd verkozen legt Caroline Gennez er even de nadruk op dat ze beschikbaar is voor een ‘tof ministerschap’. Wat de verkiezingen betreft: voorzittersverkiezingen hebben geen zin als de leden niet zelf de kandidaten (én hun programma) kunnen aanwijzen. Wat Gennez betreft: al teveel (klein)burgerlijke ‘tofheid’ was precies de reden voor haar steeds maar groeiende impopulariteit.

4423. Leterme: deze overal flaterende minister verlaat het zinkende schip, onterecht trots op zichzelf, zonder scrupules en met een gevulde geldmand. Zolang de hooggeplaatsen zonder kruisverhoor en zonder scherpe beoordeling van de burgers internationaal kunnen jobshoppen (voor functies die uiteindelijk geheel of gedeeltelijk door hen worden betaald) zijn we nog ver verwijderd van enige rechtvaardigheid. Onder meer ideale politiek-sociale omstandigheden zouden de meesten van hen hun dagen niet in een of andere bestuurs- of voorzitterszetel maar in de donkerste uithoek van de bajes doorbrengen.

4424. een modelvoorbeeld van neoliberale graaizucht: het bovenste deel van de bevolking weet zich gaandeweg steeds meer meester te maken van het geld, de bezittingen, rechten en mogelijkheden van het onderste deel. Deze neoliberale operaties, die niet alleen op het terrein van de economie plaatsvinden, leiden tot eens scherpe tweedeling in de maatschappij. Zopas kwam mij een mooi voorbeeld daarvan ter ore. Nadat er schoolgemeenschappen zijn opgericht wint het gebruik aan kracht dat de scholen een flinke som lidmaatschapsgeld betalen aan de gemeenschap, die daarmee een weelderig secretariaat en hoogbezoldigde bonusdienaren financiert, en dat alles met rijkstoelagen die oorspronkelijk voor leerlingen waren bedoeld.

4425. de laatste neologismen: de OESO, de rijkelandenclub voor cijfervreters en corruptiebestrijders (zelfs Rusland wil er nu bij en Leterme!); een kruisweg zonder kloten (een karakterisering van Verhulsts De intrede van Christus in Brussel); Bismarck noemde de Coburgs in de negentiende eeuw ‘de beste stoeterij van Europa’; de boomerang kids (afgestudeerde jongeren die werkloos weer thuis gaan wonen) en de permalancers (permanente freelancers).

4426. niks nieuws onder de zon: Augustinus in zijn Confessiones: “Leerlingen stormen met een half verwilderde blik schaamteloos andere klassen in, en bederven daar het goede pedagogische klimaat dat de leraar er misschien had weten te scheppen.”

4427. de Belgische bisschoppen: met de schijnheiligste glimlachjes op hun pontificale gezichten en met een beroep op de meest jezuïtische drogredenen obstrueren zij op dit moment de juridische afwikkeling van de seksuele dossiers. Maar ook al in de negentiende eeuw waren zij voor geen gat te vangen. Toen Queen Victoria hoorde dat de Belgische kardinaal Sterckx probeerde haar koning-neef Leopold I op zijn sterfbed te bekeren (hij was nog altijd protestant) riep ze uit: “That actrocious catholic clergy! Nasty bastards!”.

4428. crisis voor iedereen: "De aandeelhouders zijn de grote winnaars van de crisis", kopte 'Het Laatste Nieuws' maandag. De Nationale Bank maakte zopas bekend dat de bedrijfswinsten tussen 2000 en 2009 van 47 miljard naar liefst 82 miljard euro stegen. Dat is 35 miljard méér winst, of een stijging met 75 procent.

4429. het slechts relatieve belang van de waarheid: al zijn sommige beweringen of bepaalde inzichten in standen van zaken op dit moment onbetwijfelbaar waar (bijvoorbeeld in wetenschappelijk opzicht), dan wil dat nog niet zeggen dat die waarheden niet kunnen worden misbruikt. Daarom is het zaak dat de wetenschapper een dubbele reflectie uitvoert: één over de waarheidsstatus van een bewering en een tweede over de geschiktste (of de minst schadelijke) strategie om die waarheid in de maatschappij te doen debuteren.

4430. misverstanden: zoals dat in menselijke aangelegenheden meestal het geval is doet een misverstand zich niet voor als het gevolg van slechte wil of als het resultaat van een intellectuele of emotionele vergissing. Eén van de betrokkenen neemt een misverstand doorgaans niet waar omdat hij leeft in een kosmos met heel andere wetten, in een leefwereld met een heel andere structuur, in een persoonlijke geschiedenis van een heel verschillende signatuur. Alsof een Mars- en een Maanmannetje met elkaar praten.

4431. de theoretische rede: als de theoretische rede niet kan beslissen over de oplossing van een probleem dat doen we dat met de praktische rede. De limietberekening is theoretisch niet helemaal correct, maar uiterst bruikbaar en voor gewone doelen zeer efficiënt. Ook het gebied van de wetenschappelijke methode blijkt aldus onze beperktheid en tegelijk de praktische manieren waarop die kan worden gecompenseerd. De minachting voor de praktische rede (vooral van diegenen die nog altijd eeuwige en onveranderlijke waarheden nastreven en daarom hun neus ophalen voor de humane wetenschappen) is dan ook zeer ongepast.

4432. kentheoretisch materialisme: als de theoretische rede vlees wordt in de gedaante van de praktische of begrijpt dat ze zichzelf voor een stuk slechts in die gedaante kan realiseren, dan is dat één aspect van haar materialistische wedergeboorte.

4433. de familiegelijkenis tussen de mensen: van welk ras zij ook zijn, welke opvoeding zij ook hebben genoten, hoe verschillend hun lokale werelden er ook uitzien, alle mensen zijn klein, beperkt, relatief machteloos en kwetsbaar. Hun droom van almacht vindt zijn voeding in hun daaraan voorafgaande onmacht. In dat alles wortelt hun meest wezenlijke verwantschap.

4434. de naakste zin: als alle schijn, als onze onuitroeibare behoefte aan status voor een ogenblik uit het sociale spel zijn geschrapt kunnen we misschien oprecht zeggen dat we van iemand houden. Toch is die mededeling nog naakter en meer to the point als we daarmee aangeven dat we vanuit onze zwakte iemand nodig hebben.

4435. oud worden: het groeiende wantrouwen in alle dure zinnen (en dat zijn er veel en ze doen zich voor op alle levensterreinen) en de steeds maar in omvang en hevigheid toenemende schrapoefening als een gevolg daarvan.

4436. een teken van de komende tijden: uitgeverij Roularta zocht en vond de nieuwe hoofdredacteur voor haar vlaggenschip Knack in eigen huis. Johan van Overtveldt, tot nu hoofdredacteur van het zakenblad Trends, maakt de overstap naar de Knack-redactie. Hij volgt daar Karl van den Broeck op, die midden juli bij Roularta (gedwongen) vertrok. Voorwaar, er komen nog blauwere neoliberale tijden, waarin de normaliteit nog sterker dan nu zal worden gedefinieerd in zakelijke, bedrijfstechnische en (dus) zeer egocentrische (of in maatschappelijk weinig solidaire) termen.

4437. de geluksmythe (1): psychiater Dirk De Wachter: “Dat een miljoen mensen antidepressiva inneemt is indrukwekkend. Zelfs al nemen ze die niet helemaal trouw, ze vroegen er wel naar of kregen ze van een arts. Dat betekent dat een tiende van onze bevolking vindt dat het leven niet goed meer is. We mogen de cijfers dus zeker niet relativeren. Al is er meestal niks mis met de hoofden van de mensen, er is iets mis met onze wereld.”

4438. de geluksmythe (2): dezelfde psychiater: “Onze maatschappij propageert een geluksillusie. Je wordt gelukkig als je knap en succesvol bent. Iedereen wil een fantastische relatie, met meer meervoudige orgasmes – ook letterlijk. Er is een stuitend gebrek aan gewoonheid. De gewoonheid van het bestaan wordt daardoor steeds meer en meer ondraaglijk”.

4439. de geluksmythe (3): idem: “Mensen zoeken gemakkelijkheidsoplossingen, zodat ze niet verder hoeven na te denken. Daarom hebben we in de psychiatrie meer nood aan filosofie en minder aan medicijnen. We moeten niet alleen kijken naar de ziekte, de symptomen en het brein van de patiënten die voor ons zitten, maar ook naar de maatschappij”.

4440. nieuwe deugden: verstandige mensen waarderen en prijzen de juiste personen en in hen de meest aanbevelenswaardige deugden. Wat voor een type mens verheft zich niet boven de gewoonheid van het bestaan, is niet het slachtoffer van de geluksillusie? Onder welke voorwaarden blijkt dit soort ascese geen neurotisch manoever, geen listige schijnbeweging om de eigen onkunde en het gebrek aan (het toch zo vurig verlangde) succes te maskeren? De formulering van een nieuwe ethiek (en van een daarmee samenhangende antropologie) zal nog heel wat tijd vergen, al is ze broodnodig.

woensdag 21 september 2011

Het precieze gebruik (4401 - 4420)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4401 - 4420)

4401. wie we zijn (1): wij scheppen de media en vervolgens scheppen de media ons.

4402. wie we zijn (2): weinig is meer onterecht dan de trots van mensen over hun eigenheid. Ze hebben die niet en als ze die hebben dan is dat maar gedeeltelijk het geval en ze zijn daarvoor nog veel minder zelf verantwoordelijk.

4403. DSK: achter the battle of the sexes gaat een ouderwetse klassenstrijd schuil.

4404. iets geheel nieuws: Henk Hofland in De Groene Amsterdammer: “We zijn ons er niet van bewust, maar sinds het einde van de Koude Oorlog is de politieke en sociale structuur van het Westen geleidelijk in staat van ontbinding geraakt. De tekenen daarvan waren in Amerika al zichtbaar in het laatste decennium van de vorige eeuw, toen ultrarechts probeerde wraak te nemen op Bill Clinton, eerst toen Newt Gingrich 'de regering sloot', en daarna door de uitbuiting van de affaire-Lewinsky. Onder George W. Bush is het begrotingsoverschot in een gigantisch tekort veranderd. Obama is niet in staat gebleken de schade te herstellen. De machtigste natie ter wereld is nu in een staat van permanente crisis, terwijl een groot deel van het electoraat gelooft dat de kwakzalvers van de Tea Party het bij het goede eind hebben. In Europa zien we verwante verschijnselen: een politieke cultuur die zich geleidelijk heeft laten verdringen door het multisoortig entertainment en als het mis gaat neigt een toenemende meerderheid tot de vlucht naar rechts. En er is geen hechte maatschappelijke structuur om op terug te vallen, want die is binnen een generatie afgebroken”.

4405. de laatste neologismen: een secretaresse met een hoog pokkenwijfgehalte; banken als financiële desperado’s; een staycation (een reis in je eigen kamer, in je verbeelding); Patrick Janssens staat bekend als een harde tante met een krachtig parler vrai; als je een socialist vakkundig weet voor te stellen als een afgunstwezen verliest zijn boodschap in de ogen van de mensen zijn scherpte.

4406. onze banken: terwijl er in de VS fel wordt gestreden over de invoering van de duizenden pagina's tellende Dodd-Frank-wet, er in het VK serieus wordt overwogen om grote banken op te splitsen, en er in Zwitserland doodleuk wordt gesteld dat banken minstens vijftien procent bufferkapitaal moeten hebben, heerst in Nederland en in België verwatenheid: de banken aldaar zijn financiële lammeren en hebben aan de crisis part noch deel gehad.

4407. onze koning: ocharme, de koning moest op 14 september plotseling uit vakantie terugkeren! De vorige avond had hij nog de formateur in wanhoop op zijn paleis ontvangen. Niemand vraagt zich af waarom de kroondrager in die omstandigheden überhaupt naar zijn vakantieoord vertrokken was.

4408. de metafysica: geen enkele bovenzinnelijke metafysica kan het uithouden tegen rijkdom, toenemende weelde en de mogelijkheid dat alle in- en uitgangen van het lichaam met aangename gewaarwordingen zijn bezet. Wie dus bewaar maakt tegen de godsdienst (bijvoorbeeld de islam) moet luidop applaudisseren voor alle maatregelen die het poesachtige spinnen van tevreden lijven en verzadigde zielen trachten te bevorderen. Want het is niet de waarheid (en evenmin de wetenschap als dusdanig) die bevrijdt, het zijn de praktische gevolgen daarvan die hoorbaar worden in het genoeglijk grommen van die lichaamsdelen waarmee wij allen aan de varkens verwant zijn. Van de waarheid an sich hebben de mensen, precies zoals de dieren, geen benul en zeker geen interesse.

4409. files: Hugo Camps: “Altijd hoor je dat files de economie een godsvermogen kosten. Ach, alweer cijfers. De economie moet niet zo parmantig zijn- zij staat nooit in de file. Treuriger dan het wachten is het ontbreken van enig landschap langs de snelweg. Nergens een vijvertje, parkje of een kunstwerk. Alleen maar zwerfvuil. De middenberm is nog de grootste gruwel: vangrails die in geen jaren een natte dweil hebben gezien. Langgerekte roetfilters. De economie houdt niet eens de schone schijn op.”

4410. oude foto’s: vroeger waren de mensen blijkbaar altijd op vakantie, steeds scheen de zon. Want verdriet wordt nu eenmaal niet gefotografeerd en regen evenmin. Meer dan ooit hebben we zeggenschap over de manier waarop we ons later herinneren. Dit is een mooi voorbeeld van de bijna artistieke leugenachtigheid waarmee wij ons verleden zo bijschminken dat het een vorm aanneemt die ons welgevallig blijft.

4411. trieste krantenlezers: wie ‘s ochtends een krant leest heeft een halve dag nodig om daarvan te bekomen. Het is vooral zaak de financiële bladzijden daarbij links te laten liggen, want zoals La Rochefoucauld al zei: “ … van de zon en de dood moet men de blik wel afwenden”. Artikels over de boekhouding van de Europese staten zou de Franse aforismenschrijver zeer zeker rekenen bij die zonachtige fenomenen, of bij die van de dood.

4412. socialistisch: Chavez gaat overijverig ‘socialistische auto’s’ bouwen; Bruno Tobback begint met zijn gekende nonchalance het metselwerk aan een vernieuwde socialistische partij. Is er ergens iemand die in alle ernst bezorgd is om de precieze contouren van een links geweten?

4413. de schadelijkste leugen van het jaar: dat snoeien in de overheidsuitgaven banen schept en uiteindelijk goed is voor de economie in zijn geheel.

4414. de wijsheid van de markten (of de onzichtbare hand): wie in dit sprookje van Bernard Mandeville en later van Adam Smith (en hun duizenden, onkritische napraters) blijft geloven leze The devils are here. Unmasking the men who bankrupted the world, een nieuwe bestseller van Joe Nocera, en Bethany McLean, twee Amerikaanse topjournalisten. Markten verdienen respect, maar niet meer dan het weer. Van mooi weer profiteer je, maar tegen de wind schuil je onder de stevige paraplu van een betrouwbare overheid.

4415. de gevaarlijke economie: de economie vernietigt bij gelegenheid niet alleen zichzelf, maar ook de politiek. Als de dingen goed gaan is dat de verdienste van de economie. Als het slecht gaat is het de schuld van de politiek. Dit raakt de kern van onze democratie. In crisistijden worden de mensen ongeduldig van de imperfecties van het democratische systeem. Zoals zij ook geen belasting willen betalen om de sociale zekerheid overeind te houden, zo weigeren ze de staat macht over de economie te geven zodat die niet kan of mag optreden in tijden van nood.

4416. de Duitse hervorming (1): zoals Luther destijds de religie hervormde zo renoveerde Peter Hartz zeer recent het Duitse arbeidsmodel, wat een recept bleek voor een pijlsnelle verarming van de onderste helft van de bevolking en van een nooit geziene tweedeling in de maatschappij. De OESO zegt hierover: “Sinds 2000 zijn de inkomensongelijkheid en de armoede in Duitsland sneller gestegen dan die in de andere OESO-landen. De indicatoren daarvoor zijn op vijf jaar tijd, tussen 2000 en 2005, sneller gestegen dan tijdens de vijftien voorgaande jaren, tussen 1985 en 2000."

4417. de Duitse hervorming (2): wie is die Peter Hartz? De man werd in 2007 veroordeeld tot twee jaar voorwaardelijke celstraf en een boete van 576.000 euro voor zijn rol in het organiseren van exotische luxereizen, prostituees inbegrepen, om beleidsmakers warm te maken voor zijn drastische hervormingen bij Volkswagen. Maar dat is niet zijn belangrijkste prestatie. Aan de vooravond van de verkiezingen van 2002 vroeg Gerhard Schröder (een socialist!), een persoonlijke vriend, hem een commissie te leiden die de arbeidsmarkt moest hervormen. Hartz werkte met zijn commissie alles uit: gemakkelijker ontslag, vermindering van de bijdragen voor de sociale zekerheid, de werkloosheidsuitkeringen in de tijd beperken, werklozen verplichten om het even welke job om het even waar in Duitsland te accepteren, tijdelijke contracten en lage lonen stimuleren ...

4418. de Duitse hervorming (3): wat houdt die fameuze hervorming van het Duitse arbeidsmodel in? Het antwoord op die vraag is belangrijk omdat ook de Belgische werkgevers op dit moment pogingen ondernemen om een dergelijke revolutie ook in ons land in te voeren. De meest verregaande wet in dat gamma maatregelen kreeg de naam 'Hartz IV'. Na één jaar zonder werk vervalt je werkloosheidsuitkering. Voor 55-plussers is dat anderhalf jaar. Daarna val je terug op een bijstand . Die bijstand bedraagt vandaag 364 euro per maand voor een alleenstaande of gezinshoofd, met een bijpassing tussen 215 en 287 euro voor kinderen, naargelang de leeftijd. Als je geen eigen huis hebt, krijg je ook nog een vastgesteld bedrag voor de huur en de verwarmingskosten. Tenminste als je ouder bent dan 25. Want tot je 25 ben je verplicht bij je ouders te wonen. Hotel mama. Die 364 euro moeten volstaan om alle kosten van voeding, kleding, gezondheid, transport, huisraad, communicatie en - godbetert - ontspanning, te dekken. Voor je een beroep kunt doen op die uitkering moet je eerst je spaargeld opmaken want met spaargeld geen bijstand. Je mag ook geen partner met een inkomen hebben, of een ander gezinslid met een inkomen. Dat wordt allemaal verrekend. Naast die 'hongeruitkering' is er een verplichting. Elke dag van de week, behalve zondag, moet je klaar staan en beschikbaar zijn, van 8 uur 's morgens tot 8 uur 's avonds. Je mag dan het district van je arbeidsbureau niet verlaten. Je moet bereid zijn gelijk welke baan gelijk waar in Duitsland te aanvaarden. Om je werkwilligheid te bewijzen moet je honderden kilometers ver gaan solliciteren, ongeacht je opleiding. Ook wanneer die nieuwe job geen levensminimum biedt. Want dat wordt je bijgepast tot het Arbeitslosengeld II. Het is een uitgekiend systeem van moderne dwangarbeid.

4419. armoede: de Frans utopist Charles Fourier: “De ene zijn armoede is de overvloed van de andere”.

4420. een historisch weetje: in de loop van de jaren 1990 werkte Jean-Luc Dehaene aan zijn Globaal Plan, waardoor hij een gigantisch tekort in de staatskas wist weg te werken. Dit Plan voorzag ook in een vermogensbelasting (zoals de superrijken nu zelf in verschillende landen en met enige aandrang voorstellen). Maar die maatregel werd nooit uitgevoerd.

zondag 18 september 2011

De interpretatiekunde van Charles Taylor


De bijzondere hermeneutiek van Charles Taylor


1. Inleiding

Onder hermeneutiek versta ik het vaardige, min of meer succesrijke verklaren van allerlei menselijke uitingen vanuit innerlijke en uiterlijke contexten. Iedereen die interpreteert gaat uit van een meer of minder bewuste persoonsopvatting, een visie op de mens die als een norm optreedt voor het interpretatieve oordeel.
In het werk van Charles Taylor vindt de lezer niet alleen een bijzondere opvatting over wat de mens is en hoe hij functioneert maar ook een daarmee samenhangende opvatting over wat interpretatie precies is en hoe ze werkt. Het is mijn bedoeling zowel Taylors mensbeeld als zijn bijzondere opvatting over interpretatie vandaag nader toe te lichten.

Taylor is een hedendaags filosoof die nadenkt in het spoor van bijvoorbeeld de tweede Wittgenstein, Merleau-Ponty, Heidegger en Ricoeur. Zoals al deze voordenkers zet hij zich af tegen het mensbeeld van Descartes. Die Franse denker ziet het menselijke bewustzijn als een aparte entiteit, die weinig wordt beïnvloed door het lichaam, de taal, de maatschappij, de cultuur of de geschiedenis. Een juiste denkmethode en het bestaan van God garanderen dat dit losgemaakte, gedetacheerde bewustzijn absolute zekerheden produceert, dit wil zeggen dat zijn intellectuele inhouden precies overeenkomen met de stand van zaken in de werkelijkheid. Zonder veel contact met de omringende cultuur is dit bewustzijn in staat algemeen geldende waarheden te denken. Dit bewustzijn is dus zeer spiritueel van aard, het heeft geen contact met enige aardsheid of lichamelijkheid. Het heeft geen uiterlijke bepaaldheden nodig om te kunnen functioneren. Taylor van zijn kant zal laten zien hoe ons bewustzijn wortelt in concrete, lijfelijke omstandigheden: het lichaam, de taal, de cultuur met haar voorgegeven raamwerken van betekenis, de maatschappij en de geschiedenis. Als dat waar is dat komt hermeneutiek onder meer neer op het vinden van allerlei verbanden tussen de menselijke geest en de omstandigheden waardoor die bepaald wordt.

Taylor is een Canadese filosoof. Hij beweegt zich op allerlei domeinen van de filosofie, onder meer de ethiek, de antropologie, de cultuurfilosofie en niet in het minst de politieke filosofie. Hij was ooit echt betrokken bij de verkiezingen in Canada, waarin hij een nogal links standpunt verdedigde en de opvatting dat Engels- en Franstaligen in Canada elkaar in hun eigenheid dienden te tolereren en te respecteren. Het is Taylors antropologie, zijn bijzondere opvatting over de mens die al deze domeinen tot een eenheid samenbindt.

De moderne filosofie is ingedeeld in twee kampen. Enerzijds heb je het continentale kamp waarin de filosofie bijna hetzelfde is literatuur en slechts zelden als een echte wetenschap wordt opgevat. Dit impliceert een grote zweverigheid en een onaangename vaagheid. Anderzijds heb je het Angelsaksische kamp waarin de filosofie wordt gezien als een soort wetenschap met eigen problemen en eigen erg zakelijke methodes om die problemen op te lossen. Deze wijsgeren bedienen zich van de wiskundige logica en proberen kleine deelproblemen op te lossen in de hoop later de grote problemen aan te kunnen pakken. Zij staan zeer wantrouwig tegen de wilde woordacrobatieën van de Europese wijsgeren en streven ernaar valse filosofische vraagstellingen uit de weg te ruimen. Zij bedienen zich van een heldere taal en van even heldere redeneervormen. Op die manier hopen zij, zoals in de wetenschap, na verloop van de tijd echte vooruitgang te realiseren. Taylor is een kenner van beide tradities. Hij verenigt de weidse visie en de diepgang van de continentale traditie met de heldere betoogtrant van de Angelsaksische. Hij laat zich bijvoorbeeld inspireren door Hegel, Merleau-Ponty, Heidegger en de tweede Wittgenstein. Hij zet zich af tegen Nietzsche, de moderne nihilisten en de postmodernen die het bestaan van de vrije mens als een illusie voorstellen.

Op al deze terreinen van de filosofie gaat Taylor uit van een mensbeeld dat je het best in de volgende slogan kunt samenvatten: de mens is een wezen dat leeft van betekenis. Onze kritische reactie op cultureel voorbepaalde betekenissen geeft aan wat de mens ten diepste is. Die slogan suggereert daarenboven hoe een geslaagde hermeneutische interpretatie van menselijke verschijnselen dient te verlopen. De mens moet begrepen worden vanuit zijn lichaam en vanuit zijn betrokkenheid op de culturele betekenissen die hij in zijn omgeving vindt.

2. Taylors mensbeeld

Ruwweg vat Taylor de mens op als een wezen dat min of meer kritisch reageert op voorgegeven betekenissen. Daarbij moet gezegd dat de mens een lichamelijk wezen is: hij is gesitueerd in tijd en plaats, leeft, denkt en voelt vanuit een bepaald perspectief. Daarbij vertrekt hij altijd vanuit de omgrenzing van het lichaam, vanuit zijn beperkte waarnemingsvermogens, vanuit een reeks specifieke behoeftes, intuïties en gevoelens en vanuit de individuele en collectieve ervaringen in zijn alledaagse handelen. In dit proces wordt hij verder bepaald door de taal, die hij met zijn medemensen deelt, door de geschiedenis en door de in de maatschappij voorgegeven betekenissen en waardesystemen waarbinnen de mens tot zichzelf dient te komen. Taylor spreekt hier van frameworks: voorgegeven raamwerken van zin en betekenis. De mens is dus een gesitueerd, door allerlei omstandigheden bepaald wezen dat desondanks door interpretatie en reflectie aan die bepaaldheden kan ontsnappen. Ik zal laten zien dat Taylor die kritisch-rationele mogelijkheden van de mens overschat en daardoor, tegen zijn eigen bedoelingen in, een bijna cartesiaans standpunt inneemt.

De mens vindt en schept betekenissen op verscheidene domeinen. Hij doet dat eerst op het gebied van de waarneming. De wereld verschijnt als een wereld gevuld met onderling afgescheiden dingen. Die opdeling van de wereld in aparte objecten heeft te maken met onze behoeftes. We dienen te eten en daarom nemen we voedingsmiddelen waar, duidelijk afgescheiden van dingen die niets met eten te maken hebben. Onze waarneming wordt daardoor tot een zinvolle activiteit, een soort handeling met betekenis. Ook ons handelen wordt immers bepaald door onze behoeftes en onze verlangens.

Een bijzondere vorm van handelen is het morele handelen, de ethiek. Een van de meest aantrekkelijke aspecten van Taylors filosofie is dat die een verklaring en een rechtvaardiging geeft van ons morele handelen en dat vanuit het mensbeeld dat ook het fundament is van alle andere domeinen waarop Taylors wijsbegeerte zich beweegt. Onze behoeftes en verlangens vertonen een onderlinge rangorde, een soort kwalitatieve hiërarchie, waardoor we sommige vulgair noemen, andere eerder neutraal en weer andere uiterst belangrijk of verheven. Deze uiterst belangrijke voorkeuren kunnen we morele maatstaven noemen. Die hoogste preferenties treden op als morele normen en geven zin en betekenis aan de lager gerangschikte voorkeuren. Taylor gebruikt hier de term ‘moreel’ in een zeer ruime betekenis: het gaat om de reacties op dingen, personen en toestanden die voor de mens van zeer groot belang zijn en die aan de top staan van een hiërarchische structuur die al onze voorkeuren ordent van laag naar hoog. De mens vat zijn leven op als een geheel en hij wil dat zijn leven betekenisrijk is. Als hij opmerkt dat bepaalde bestaanswijzen leeg en oppervlakkig zijn en tegelijk weet dat er meer nastrevingswaardige alternatieven zijn, zal hij kritiek leveren op bepaalde levensvormen.

Ook op het politieke en sociale niveau komt betekenis tot stand. Bijna alle mensen willen participeren in een groter geheel, deel uitmaken van iets dat hen te boven gaat. Zij zijn er trots op lid te zijn van een kerk, een natie of een professionele groep. Dit soort van maatschappelijk leven heeft volgens Taylor een intrinsieke waarde die onafhankelijk is van het nut dat de gemeenschap voor de individuen op vele terreinen weet te realiseren.

Als de mens ten slotte voorbijgaat aan het aardse goede leven en zijn aandacht richt op het lijden en de dood kan hij een religieuze betekenis vinden in een wereld die het aarde leven overstijgt.

Samenvattend herhaal ik: de mens is een wezen dat opbloeit in de kritisch-rationele omgang met vooraf gegeven betekenissen, een wezen dat door zijn lichaam, zijn handelen, de geschiedenis, de taal en de maatschappij bepaald is en dat door een kritische reflectie op deze voorgekauwde waardehorizon volledig tot zichzelf zal komen. De meest fundamentele bewering van Taylor is de volgende: slechts in de deels spontane, deels weloverwogen omgang met betekenissen kan de mens zich ten volle realiseren.

3. Het negatieve deel van Taylors project

Vanuit dit mensbeeld ontwikkelt Taylor in zijn filosofie een negatieve en twee positieve denkbewegingen. Ik zal het eerst hebben over de Taylors negatieve denkstrategie. Die negatieve strategie is niets anders dan een grondige afbraak van wat Taylor het naturalisme noemt. Daarbij gaat het om een eenzijdige natuurwetenschappelijke (d.w.z.causale of mechanistische) benadering van menselijke fenomenen waardoor onze omgang met betekenissen uit het zicht verdwijnt. Sinds de wetenschappelijke revolutie in de 17de eeuw verscheen een betekenisvolle omgang met de natuur steeds meer als een illusie. Die betekenissen werden gezien als een projectie van menselijke inzichten en voorkeuren op een op zichzelf onverschillige realiteit. Causale verklaringen vervingen de teleologische. Daarmee verdween de doeloorzaken (of finale oorzaken) uit het verklaringsmodel van de natuurwetenschap en spoedig ook uit het model van de humane wetenschappen.

Sinds Descartes ontstond het zogenaamde mentalisme dat nu nog voortleeft in bijvoorbeeld de cognitieve wetenschappen en in heel wat daarmee verwante harde, zogenaamd puur wetenschappelijke benaderingen van de menselijke geest. Het mentalisme vat de menselijke geest op als een onafhankelijke, van de concrete wereld losgemaakte entiteit die met de uiterlijke objecten door representaties (of mediaties) is verbonden. Die mentale toestanden hebben een zekere relatie met de werkelijkheid maar hangen er niet echt vanaf. De klassieke epistemologie, die volgens Taylor met Descartes begint, bestaat dan in de studie van de bemiddelende rol van die representaties. Descartes vertegenwoordigt het rationalisme. Ook binnen het empirisme overheerst het mentalistische beeld van de geest. Zintuiglijke indrukken ontwikkelen zich daar via interne wetten tot ideeën zonder veel verband met de uiterlijke werkelijkheid. Telkens verschijnt de geest als een methodisch geprogrammeerde verwerkingsmachine van oorspronkelijke elementen die grotendeels op eigen kracht werkzaam is. Telkens gaat men voorbij aan de onvermijdelijke lichamelijkheid van onze subjectiviteit die Taylor in het licht wil stellen.

Zowel het rationalisme als het empirisme schrijven een kenleer voor die tot zekerheid zal leiden. Het overwicht van een dergelijke kenleer leidt volgens Taylor tot een reïficatie van de geest. Omdat men kennis opvat als de omvorming van afzonderlijke, op zichzelf neutrale componenten tot een geïntegreerd geheel wordt de geest herleid tot een zelfstandige verwerkingsmachine die wordt losgemaakt van zijn lichamelijkheid en van zijn verbondenheid met de taal, de maatschappij en de geschiedenis verdwijnen dan uit het zicht.

4. De twee positieve kanten van Taylors project

Taylor valt het naturalisme aan (de opvatting dat de mens een natuurobject is en als dusdanig moet worden bestudeerd) en hij verwerpt het mentalisme (de opvatting dat de menselijke geest bestaat uit representaties die overeenkomen dienen te komen met de werkelijkheid). Dit is het negatieve deel van zijn filosofisch project.
Het constructieve deel van Taylors project heeft twee aspecten die elkaar aanvullen. In de eerste plaats wil deze auteur de een mensbeeld uitwerken dat een universele geldigheid heeft. Taylor wil iets essentieels in het licht stellen: hoe het menselijke bestaan geconstitueerd wordt door verschillende lagen van betekenis. Daarom maakt Taylor in het spoor van Kant gebruik van het transcendentale argument waardoor hij erin slaagt tot noodzakelijk ware beweringen over onze ervaring te komen. Via deze redeneervorm zal Taylor laten zien dat de lichamelijkheid van het subject een noodzakelijke voorwaarde is voor de wijze waarop wij met de wereld omgaan. Op dezelfde manier zal hij tonen dat onze identiteit tot stand komt door een oriëntatie op allerlei in de cultuur voorgegeven raamwerken van zin (frameworks) en dat ons individuele taalvermogen ondenkbaar is zonder zijn verworteling in een publiek taalsysteem.

Vervolgens onderstreept Taylor in het meer constructieve aspect van zijn project de historiciteit van alle voor ons belangrijke betekenissen. Daardoor krijgt Taylor vooreerst een zo helder mogelijk inzicht te krijgen in de genese van het naturalisme. Dit fenomeen verschijnt dan als slechts een historisch contingente mogelijkheid voor onze zelfinterpretatie waardoor het al voor een deel zijn dwingend karakter verliest.

Vervolgens wil Taylor door zijn historische interesse ‘herstelwerkzaamheden’ uitvoeren. Het naturalisme verdrijft de betekenissen uit onze omgang met de natuur. Daardoor verliezen de aanhangers daarvan het besef van allerlei morele krachten die in de moderniteit werkzaam zijn. Maar zelfs in onze onttoverde wereld leven nog allerlei morele opties onderhuids voort al zet het strikt wetenschappelijke denken die officieel tussen haakjes. Taylor wil proberen allerlei verdrongen en onzichtbaar geworden waarden weer naar boven te spitten zodat wij op een hoger niveau weer kunnen beschikken over een voorraad morele energie die wij in onze complexe maatschappij meer dan ooit nodig hebben.

5. De lichamelijkheid van ons bewustzijn

Ik zal in het kort laten zien waarom Taylor van oordeel is dat ons bewustzijn wortelt in onze lichamelijkheid. Later zal ik even ingaan op de manieren waarop hij ons morele leven verklaart. In beide gevallen komt er een mensbeeld naar voren dat het fundament vormt van zijn bijzondere opvattingen over de hermeneutiek.
Vooreerst dan de lichamelijkheid van het bewustzijn. In de continentale filosofie na Descartes is er duidelijke lijn: het bewustzijn wordt steeds minder als louter geestelijk en dus als een afgescheiden entiteit gezien en steeds meer als gesitueerd, dit wil zeggen als verbonden met allerlei uitwendigheden en daardoor bepaald. Het eindpunt van deze ontwikkelingslijn is het postmodernisme waarin het subject gewoon verdwijnt onder druk van allerlei uitwendige en inwendige bepaaldheden. In zijn beroemd werk The Sources of the Self laat Taylor zien hoe sinds Plato, Augustinus, over de Middeleeuwen heen tot Descartes en Locke het bewustzijn steeds meer werd verinwendigd en vergeestelijkt. Dit afgescheidenen, louter geestelijke ‘ik’ was het ongrijpbare punt van waaruit de mens de wereld met absolute zekerheid kon kennen, technisch kon beheersen en ethisch tegemoet kon treden. We weten dat Descartes de uitwendige wereld louter als uitgebreidheid opvat en de geest als een daarvan losgemaakte, louter spirituele entiteit. De natuurlijke wereld is dus onverschillig, neutraal, zonder menselijke betekenissen. Een overwegend lichamelijke of zintuiglijke omgang met de wereld is vanuit het kennisideaal van Descartes een verwerpelijke illusie.

Taylor zet zich af tegen deze dualistische opvatting van de mens. Maar hij verzet zich ook tegen de moderne, zeer materialistische visies op onze menselijkheid. We weten dat bijvoorbeeld de radicale sociobiologie, het behaviorisme en de recente cognitieve wetenschappen het gebruik van alledaagse termen voor geestelijke, innerlijke activiteiten van de geest (‘herinnering’, ‘verlangen’, ‘emotie’) als volksgeloof beschouwen. Ze reduceren deze entiteiten tot instincten of tot dieperliggende lichamelijke fenomenen die vroeg of laat met precieze, echt wetenschappelijke woorden zullen worden benoemd en dan de alledaagse volkstermen voor ons geestelijke leven zullen vervangen. Iedereen kent de recente slogan: het zit allemaal in de hersens!

Taylor wijst erop dat die vervanging nog niet heeft plaatsgevonden. Men kan nog niet echt spreken over onze geestelijke activiteiten in de nieuwe, zogenaamd wetenschappelijke termen. Als we dat doen, veranderen we de aard van de mens. Immers, in die nieuwe termen ontbreekt van alles wat voor ons menszijn van groot belang is, vooral onze onvermijdelijke, constitutieve relatie met voorafgegeven raamwerken van zin. De mens mag niet worden opgevat als een stukje neutrale, onverschillige natuur. Hij is immers in de eerste plaats een betekenisdier, een wezen dat tot zichzelf komt door het scheppen en reageren op betekenis en dat zowel op individueel als collectief vlak. Op dit moment spreekt Taylor van het BA-principle (best account principle). Dit principe is een variant van het transcendentale argument. Het is onbetwistbaar dat we op dit moment niet in alle opzichten en met behoud van alle nuances over onze geestelijke activiteiten kunnen spreken in bijvoorbeeld sociobiologische of computertermen. We moeten ons dus wel bedienen van de alledaagse taal daarvoor, een taal die velen smalend folk psychology noemen. Het is onbetwijfelbaar dat we zeker een begrip hebben van onze geestelijke activiteiten door die traditionele woorden. Op basis van het transcendentale argument (of het BA-principle) kunnen we dan volgens Taylor vooronderstellen dat aan die woorden een zekere realiteit beantwoordt, op zijn minst in fenomenologische zin. Onze alledaagse opvattingen over de geest en onze alledaagse woorden voor zijn kenmerken en activiteiten zijn voorlopig de beste. Voorlopig is het ons onmogelijk uit de alledaagse ervaring te treden en de woordenschat daarvoor te vervangen door een meer wetenschappelijke.

Onze lichamelijke handelingen scheppen betekenis. Voor we kunnen denken kunnen we al een trap oplopen. In die vaardigheid zit een heleboel impliciete kennis. Taylor noemt een dergelijke impliciete, voorbewuste, in het lichaam verankerde en door het lichaam veroorzaakte kennis ‘tacit knowledge’ soms ook ‘know how’. Dit soort kennis vormt de stilzwijgende ‘background’, een nauwelijks bewuste ‘horizon’ voor alle latere bewust-rationele kennis. De laatste is een secundaire explicitering van de eerste. Door het transcendentale argument kunnen we eens te meer vooronderstellen dat onze steeds maar groeiende vertrouwdheid met de wereld aanvankelijk terug te voeren is op onze lichamelijke openheid naar de wereld en dat zowel in onze waarneming als in ons handelen. Daardoor is een scherp, cartesiaans onderscheid tussen geest en wereld onmogelijk.

Van in den beginne is er een sterke wederzijdsheid, een innige band tussen wereld en ik, juist via de bemiddeling van onze lichamelijke activiteiten en van onze waarneming. Onze waarneming deelt de wereld in in bijvoorbeeld een voorgrond en een achtergrond. Een koffiepot heeft vanuit een bepaald perspectief een voorkant. Vanuit een ander perspectief is die voorkant plotseling de achterkant. Mijn lichamelijke positie doet dus de wereld verschijnen en bepaalt mijn waarneming daarvan. Of anders gezegd: waarneming en handelen scheppen betekenis in de wereld. Al die betekenissen raken in de loop van de geschiedenis gesedimenteerd in allerlei tradities, slaan neer in begrippen, boekwerken, maatschappelijke structuren, morele systemen, filosofische stelsels en in het alledaagse gebabbel.

Door het lichaam oriënteren we ons in de uiterlijke wereld. Onze innerlijke wereld heeft volgens een Taylor eveneens een herkenbare geografie, ook daar zijn er geestelijke landkaarten die we kunnen gebruiken om onze weg te vinden. We leven tussen raamwerken van betekenis waarin bepaalde vormen van zin ons voorkomen als belangrijker en hoger dan andere. Het gaat om een innerlijk landschap van kwalitatieve contrasten die niet eenvoudig tot onze instincten of behoeften te herleiden zijn. Integendeel, die bijzondere voorkeuren komen voort uit de geestelijke geschiedenis van de mensheid. Ze hebben een eigen zelfstandigheid en een soort bijna lichamelijke uitwendigheid. Daarom kunnen ze ons van buiten uit bekoren. Ze oefenen een moreel appel op ons uit. Daarmee bedoelt Taylor dat we soms voorkeuren hebben, die door uitwendige, in de cultuur voorgegeven betekenissen worden bepaald en die niet alleen uit onze behoeftes kunnen worden verklaard. Heel ons leven is niets anders dan een queeste, een persoonlijke, voortdurend bijgestelde speurtocht naar een zo betekenisvol mogelijk leven. De vaardigheid om die morele geografie, die landkaart van betekenissen rondom en in ons te verstaan, te interpreteren en eventueel te corrigeren speelt daarbij een grote rol. Taylor spreekt daarbij van de articulatie van gegeven zin. Die articulatie is het werk van de praktische rede. Articulatie of het gebruik van de praktische rede zijn andere woorden voor een hermeneutische bezinning. Op die manier is de hermeneutiek een beslissend moment is ons morele leven. Die vaardigheid beslist over de kwaliteit van ons menszijn.

Hoe kunnen we nu via ons lichaam op die geestelijke betekenissen gericht raken? Hoe vinden we de weg op onze geestelijke landkaart terwijl we aanvankelijk over geen andere middelen beschikken dan onze waarneming en ons handelen, kortom alleen maar een lichamelijke omgang met de wereld?

De ‘tacit knowledge’, de ‘know how’, waarover we hoger spraken, verwekt in ons een reeks intuïties die ons handelen kunnen richten. Allerlei succesbelevingen in ons handelen versterken die intuïties en daarmee ons vertrouwen in onze kennis en in de kenbaarheid en manipuleerbaarheid van de wereld. We beseffen dan in toenemende mate dat we passen bij de wereld, dat wijzelf en de wereld op elkaar zijn afgestemd.
Die onbewuste kennis schrijft zich in in ons lichaam: in allerlei spontane neigingen, gewoontes, houdingen en onwillekeurige, prereflectieve praktijken. Er is hier sprake van een soort ‘voorverstaan’, zoals Heidegger het noemt, een voorverstaan dat plaatsvindt via het lichaam en niet zozeer via representaties of innerlijke mediaties zoals Descartes en zijn navolgers het voorstelden. Onze lichaamsstijl wordt op den duur een soort incarnatie van allerlei kwalitatieve onderscheidingen die in de cultuur rondom ons het sociale leven bepalen. Ons lichaam zit vol met morele imperatieven. Bourdieu spreekt hier van de habitus van het lichaam.

Het lichamelijke karakter van ons geest blijkt vervolgens uit de taal. Volgens Taylor is zij een vorm van activiteit. De taal wortelt immers in het aanvankelijke, pre-reflectieve en pre-talige handelen. Uit een veelheid van zintuiglijke indrukken fixeert zij er enkele en geeft die een naam. De taal schept de objecten en drukt uit hoe wij er mee omgaan. Taal is iets lijfelijks: naar vorm en betekenis krijgen de woorden slechts hun gestalte door contrasten met andere woorden en andere betekenissen. Taal voegt een extra, veel complexere, veel meer gediversifieerde en veel meer gelaagde dimensie toe aan de zingeving en de zinvinding dan degene die louter door de waarneming en het handelen tot stand komt. Zij is bovendien een sociaal fenomeen want zij is een gemeenschappelijke onderneming. Ook hier wordt duidelijk dat we van bij de aanvang sociale wezens zijn.

Taylor hangt een romantische taaltheorie aan die is geïnspireerd door Herder en Von Humboldt en die zich afzet tegen de cartesiaanse opvattingen over de taal, een opvatting die we later terugvinden bij de denkers van de Verlichting (Hobbes, Locke, Condillac) en bij een aantal hedendaagse filosofen (Quine, Davidson). Taylor noemt deze verkeerde opvattingen designatieve theorieën over de taal. De vroegste versie daarvan is al in het werk van Augustinus aanwezig. Een designatieve taal is dan een weloverwogen verzameling van woorden die volgens afspraak volkomen doorzichtig verwijzen naar bepaalde dingen of standen van zaken. Volgens de aanhangers van de designatieve taaltheorie beheksen allerlei magische, archaïsche aspecten van de taal onze omgang met de wereld. Daarom moet een echt wetenschappelijke taal volkomen transparant zijn. De taal wordt dan een neutraal, volkomen helder instrument om te kennen en de wereld technisch en moreel te beheersen. Dat soort taal hebben we volledig onder controle. Herder daarentegen vat ze op als een activiteit waarin door expressie en innovatie allerlei nieuwe mogelijkheden ontstaan.

Taal is eerst expressief: ze geeft uitdrukking aan betekenissen die we in onze lijfelijke omgang met de wereld vinden en scheppen. Ze is vervolgens constitutief of creatief: op een hoger niveau dan de alledaagse, lichamelijke omgang met de wereld schept ze nieuwe voor de mens uiterst belangrijke betekenissen. Ze schept het onderscheid tussen bijvoorbeeld schaamte, schuld en schroom. Ze schept en verfijnt een complex netwerk van waarden en spreidt dat uit over onze primaire verlangens, behoeftes en instincten. Alleen binnen het domein van een gemeenschappelijke taal kan de mens zichzelf en de anderen duidelijk maken welke dingen het waard zijn verlangd te worden of afgewezen en waarom. Het gaat dan om culturele, historisch gegroeide waardeverschillen die van een andere natuur zijn dan lichamelijke voorkeuren. Hier wordt al een beetje duidelijk hoe Taylor onze vrijheid opvat. Door talige interpretatie (die deels creatief van aard is) kunnen we altijd een nieuw betekeniselement toevoegen of aftrekken, kortom veranderingen en correcties aanbrengen in de zinpatronen die al in de cultuur aanwezig zijn. Hermeneutiek en vrijheid liggen in elkaars verlengde.

Onze identiteit is een antwoord op de vraag wie je bent, waar je vandaan komt. Omdat het subject vanaf zijn geboorte opgroeit in een web van gesprekspartners is het van in den beginne op de anderen betrokken. Onze identiteit ontstaat dan ook dialogisch. Daarom is zij nooit voor honderd procent transparant. Iedere identiteit deelt met de collectieve, historisch gegroeide en voortdurend veranderende taal een onvermijdelijk stuk ondoorzichtigheid, veelduidigheid en allerlei vormen van duisterheid.

Deze onontkoombare ingebedheid in de taal maakt het Verlichtingsideaal van volstrekte zelfbeschikking onmogelijk. Tegenover de term ‘zelfbeschikking’ stelt Taylor dan ook het begrip ‘authenticiteit’, waarmee hij die vorm van moderne vrijheid (of van individualisme) aanduidt die hij aanvaardbaar vindt. Het gaat daarbij om een (gematigde) vorm van autonomie, om een (beperkte) wijze van zelfbepaling die in voorgegeven contexten plaatsvindt.

Herder bracht de idee naar voren dat ieder van ons een oorspronkelijke en unieke manier van menszijn bezit. Het verschil met de anderen kreeg daarbij voor het eerst een morele betekenis. De mens is geroepen zijn leven op zijn manier te leven en niet als nabootsing van dat van iemand anders. Een moreel levensmodel bestaat niet buiten de mens. Hij kan het alleen binnen zichzelf vinden. Trouw zijn aan jezelf betekent dan trouw zijn aan je eigen originaliteit. Door die onder woorden te brengen definieer je jezelf.

6. Het morele leven van de mens

Ik heb beweerd dat Taylors hermeneutiek berust op zijn mensopvatting. Om die laatste te illustreren heb ik laten zien hoe Taylor de mens opvat als een lichamelijk, historisch, sociaal en talig wezen dat tot zichzelf komt via een kritische reactie op voorgegeven raamwerken van zin. In dit deel van mijn betoog wil ik dit meer precies illustreren door wat Taylor het morele leven noemt. Dit leven toont hoe de mens een handelend wezen is en vooral hoe dat handelen zijn zin ontleent aan de voorgegeven raamwerken van betekenis. Daarna zal ik ingaan op de vraag hoe Taylors hermeneutiek samenhangt met zijn mensbeeld en een oordeel uitspreken over de wijze waarop hij bij het interpreteren te werk gaat.

Een handeling is niet zomaar een fysische beweging. Een handeling heeft een doel en heeft daardoor een betekenis. De mens begrijpen is het doel van zijn handelingen begrijpen. De menswetenschappen kunnen dus niet zonder doeloorzaken. Vandaar dat een natuurwetenschappelijke benadering van het menselijke gedrag onmogelijk is.

Voor het gemak onderscheid ik in Taylors morele leven een eerste en een tweede niveau. Op het eerste morele niveau reageert de mens op sterke waarden (strong values). Volgens Taylor zijn onze verlangens van de eerste orde (bijvoorbeeld het nastreven van voedsel, veiligheid enz.) cultureel overdekt door die van de tweede orde. Een sterke evaluator blijft niet stilstaan bij alleen maar subjectieve of instinctieve voorkeuren maar laat zijn beslissingen en zijn gedrag mede bepalen door de betekenis die zij ontlenen aan het spel van de kwalitatieve distincties in de cultuur. Sterke waarden zijn dan objecten, personen of situaties die niet in de eerste plaats passen bij onze behoeftes maar die vooral een antwoord zijn op allerlei culturele directieven die in de raamwerken van zin zijn geïncarneerd. We rijden niet alleen met een auto om ons te verplaatsen. Als we een bepaald merk kiezen heeft dat ook te maken met normen voor status, met het oordeel van de buren, met een gevoel van rijkdom en luxe of met een waardering van allerlei technische snufjes. Die laatste elementen noemt Taylor sterke waarden. Hij gebruikt dus de termen ‘waarde’ en ‘moraal’ in zeer ruime zin. Het gaat om een reactie op verlangens van de tweede orde.

Een beschrijving van dit eerste morele niveau is niets anders dan een beschrijving van Taylors mensopvatting. Door het transcendentale argument komt Taylor tot de conclusie dat mensen zonder een actieve betrokkenheid op frameworks geen menswaardig leven kunnen leiden. Dit is het belangrijkste element van zijn antropologie. Daarbij kunnen we vanuit een fenomenologisch standpunt niets anders dan die sterke waarden op te vatten als onderdelen van een objectieve, morele orde (Taylor spreekt van een morele ontologie) die ons van buiten uit voorziet van levenswijzen en handelingsmodellen.

Indien mensen er niet in slagen een of andere verhouding te vinden met de hen omringende zinpatronen komen ze in een identiteitscrisis terecht zoals E. Erikson die beschreven heeft. Ze weten dan niet meer wie ze zijn, waar ze staan en wat ze belangrijk vinden. Ze slagen er niet meer in zich te oriënteren in de geestelijke ruimte.

Op dit eerste morele niveau reageert de mens op sterke waarden die rondom hem in objecten, toestanden en personen liggen ingebed. De sterke waarden en hun incarnatie in lijfelijke, concrete contexten kunnen niet van elkaar worden losgemaakt. Denken we aan de stijl van een goedgesneden herenpak. Of de betovering van een chique auto. De stijl zit in het pak, de betovering in de auto Vandaar dat de mens er toe gedwongen is op die sterke waarden te reageren. Omdat hij in die concrete contexten leeft wordt de mens onvermijdelijk geconfronteerd met de sterke waarden die de cultuur eraan heeft vastgehecht. Omdat een mens voortdurend is ondergedompeld is waardegeladen contexten is dit soort van primaire zinbeleving onvermijdelijk. Die gebeurt als het ware automatisch. Dit is de meest fundamentele bewering uit Taylors mensopvatting.

Onder de moraal van het tweede niveau verstaat Taylor onze reacties met betrekking tot het goede en het kwade. Het gaat dan om de moraal in strikte zin. Stiekem hoopt Taylor ook de moraal van het tweede niveau, een zelfde onvermijdelijk karakter mee te geven als de moraal op het eerste niveau: beide niveaus wortelen dan in een universele, overal geldende antropologie. Zoals ik zal laten zien zal Taylor daarin niet helemaal slagen.

Het morele leven op het tweede niveau is het morele leven in een meer strikte zin, een soort leven dat wij moraal of ethiek noemen. Het gaat dan om de omgang met waarden, die erg hoog op de hiërarchische ladder staan en die Taylor aanduidt met de term hypergoods, zeg maar ‘hogere morele goederen’. Ze doordringen de lagere morele waarden met hun glans. Die hogere morele waarden hebben een zeker objectief karakter. Ze zijn gegeven in de cultuur en verlokken de mens van buiten uit. Die hogere waarden bestaan slechts in de mate dat ze uitgedrukt worden in een of ander expressief medium (taal, riten, gezangen, symbolen enz.). Via dat expressieve medium worden ze geabstraheerd uit allerlei concrete personen, dingen en situaties. Het zijn dan historisch gegroeide, in taal gefixeerde verdichtingen uit een onoverzichtelijke veelheid van vooraf gegeven, met elkaar concurrerende sterke waarden. Omdat ze talig van aard zijn zijn ze meer abstract, meer losgemaakt uit concrete personen, dingen en situaties. Het is dan ook zeer de vraag of ze even dwingend, even onoverkomelijk of onvermijdbaar zijn als de sterke waarden die allemaal heel stevig geïncarneerd zijn in concrete contexten. In de Westerse cultuur gaat het dan om bijvoorbeeld erg nobele waarden zoals het verlangen het lijden te verminderen of het verlangen naar een algemene welwillendheid. Maar ook minder nobele waarden kunnen het gedrag van de mensen motiveren zoals de begeerte naar geld of de genadeloze wil tot macht. Die hypergoods komen in de geschiedenis tot stand, vaak via militaire of economische macht of soms zelfs door bruut geweld. Deze hogere morele goederen zijn dus historisch bepaald en daarom relatief. Ze hebben geen universele geldigheid. Ze kunnen misbruikt worden of gewoon waardeloos zijn en toch dienen ze zich op een bepaald moment aan als nastrevenswaardige idealen.

De vraag rijst dan hoe we het relativisme (zeg maar de culturele bepaaldheid, het gebrek aan algemene geldigheid) van die hogere waarden te boven kunnen komen. Het is bovendien niet duidelijk of we niet gevangen zitten in een bepaalde cultuur waarin we toevallig zijn opgegroeid. In dit verband verwijt men Taylor wel eens zijn sociologisme. Taylor overwint in de ethiek van de ene kant het subjectivisme (ik bepaal mijn waarden op eigen kracht). Hij bevestigt immers het objectief, uiterlijk, voorgegeven karakter van de morele waarden. Taylors mensopvatting (of zijn moraal van het eerste niveau) is van de andere kant daardoor duidelijk culturalistisch. Mensen vinden zichzelf door een reactie op in hun cultuur voorgegeven doeleinden. Als hij nu de moraal van het tweede niveau modelleert naar het voorbeeld van die van het eerste niveau zal hij een poging ondernemen om zowel aan het relativisme als aan het culturalisme te ontsnappen. Beide morele niveaus zouden dan wortelen in een en dezelfde mensopvatting.

Daarvoor maakt Taylor gebruik van wat hij noemt het proces van articulatie dat de morele waarden moet verhelderen, rangschikken op een hiërarchische schaal en eventueel moet corrigeren. Verder maakt hij gebruik van de praktische rede die moet uitmaken welke waarden beter zijn dan andere, welke voor een zekere vooruitgang hebben gezorgd en welke niet. Het gaat hier om vormen van nadenken die alle min of meer neerkomen op interpretatie, op een hermeneutisch denken dat beslist over de precieze inhoud en over de geldigheid van onze hogere morele goederen en hun onderlinge rangschikking. Door dit soort denken hoopt Taylor te ontsnappen aan de relativiteit van die hogere morele goederen. Het is echter zeer de vraag of dit kritische nadenken die moeilijke taak wel aankan. In wat volgt zal ik proberen aan te tonen dat Taylors tweede dimensie van de moraal (waarin hij kritisch probeert na te denken over voorgegeven waarden) onrecht doet aan de eerste dimensie (waarin hij de mens definieert als een wezen dat zijn identiteit alleen maar kan vinden door een onvermijdelijke, dwingende, met onze natuur gegeven respons op culturele doeleinden).

7. Articulatie

Taylors articulatie is een vorm van dubbele hermeneutiek. Als de mens zijn omgang met voorgegeven goederen articuleert dan is dat vooreerst een passief proces. Hij reageert daarbij op een historisch gebeuren, een anoniem proces van collectieve zelfverheldering dat in de maatschappij plaatsvindt en waarin hogere morele waarden raken uitgekristalliseerd. Onze wil en onze emoties, die al voorgevormd zijn door de omgang met allerlei sterke waarden, erkennen de hogere morele bronnen daardoor als een voor hen belangrijk brandpunt van zin en raken er door geïnspireerd. Tot zover is er niet veel verschil tussen onze reactie op ‘sterke waarden’ en ‘hogere morele bronnen’. Telkens gaat het om een bijna automatisch, in onze natuur verankerd en passief proces. Niet zonder reden fungeert Taylors eerste dimensie als het onderliggende model voor zijn tweede.

Aan de andere kant is het morele subject ook een actor. Het speelt een actieve rol in een kritische articulatie van waarden. Daardoor neemt Taylor afstand van een aantal filosofen die pleiten voor een onvoorwaardelijke overgave aan allerlei zinpatronen in de leefwereld. Dit subject heeft een verantwoordelijkheid niet alleen voor de overeenstemming tussen zijn principes en zijn daden maar ook voor die principes zelf en hun rangorde. Door middel van een persoonlijke articulatie probeert het subject onder woorden te brengen wat het op grond van zijn eigen levensgeschiedenis als waardevol, hoger, evenwichtiger en bevredigender voorkomt. Het formuleert dan iets wat voorheen nog onvolledig of onduidelijk was en maakt dus de zaak waarover het gaat op een nieuwe wijze toegankelijk (of ontoegankelijk). Dit soort verantwoordelijkheid komt dus neer op een streven naar duidelijke waarderingen zodat die ook door de nieuwe inzichten van het subject kunnen worden bijgesteld. Die gewijzigde interpretatie van voorgegeven betekenissen is tegelijk een nieuwe vorm van zelfinterpretatie.

Op deze manier probeert Taylor onze gesitueerdheid in concrete contexten te verzoenen met het moderne individualisme of onze fundamentele heteronomie met de mogelijkheid van een zekere autonomie. Omdat Taylor het zelf een door en door dialogisch karakter geeft is het des te opmerkelijker dat hij de kritische omgang met voorgegeven waarden voor een flink stuk in het subject plaatst, en dan nog in diens rationele autonomie. Daardoor lijkt hij de rationele mogelijkheden van de gemiddelde mens te overschatten. Het cartesianisme in Taylors filosofie is niet helemaal dood.

Taylors kritische articulatie vergt informatie, opvoeding, een zekere beheersing van de taal en het vermogen voor een stuk afstand te nemen van het eigen belang, capaciteiten waarover niet alle mensen beschikken. Zonder vermogen tot articulatie zijn de hogere goederen niet bereikbaar, dus niet voor ons aanwezig en niet in staat om ons te inspireren. In dat geval wordt het eigenlijke morele spel onmogelijk. Indien mensen niet over die vaardigheden beschikken zijn zij veroordeeld tot een meer passieve, praktische, sterk heteronome beleving van voorgegeven zinpatronen. Het is dan ook geen wonder dat sommige critici Taylors positie over de moraal beschrijven als al te intellectualistisch, al te spiritueel en al te elitair.
De Leuvense professor Cuypers wijst erop dat Taylor door zijn nadruk op reflectie en articulatie voorbijgaat aan het principe ‘Geen woorden, maar daden’. Dit acht ik een belangrijke opmerking. Het handelen, veel meer dan het denken, wordt immers voortdurend belemmerd door allerlei beperkende omstandigheden waarin we via ons lichaam zijn ingebed. Het gaat niet op de moraal te reduceren tot vooral een innerlijke omgang met hogere goederen. Dit fenomeen illustreert Taylors neiging het morele spel te vergeestelijken en het daardoor te vergemakkelijken.

Misschien is Taylors voortstelling van het hogere morele leven een poging om de ethiek onder moderne condities te redden. Daardoor neigt hij ertoe het morele leven te vergemakkelijken. Bijvoorbeeld door het voor een flink stuk als een semi-automatisch proces te presenteren, of als een in de aard van de mens ingebakken dynamiek of door het proces van rationele articulatie als al te onproblematisch voor te stellen. Er is bovendien een sterke overeenkomst tussen Taylors beschrijving van de moraal en die van het katholicisme. Denken we maar aan Taylors voorstelling van de hogere morele goederen die als een soort genade de morele actoren van buiten uit betoveren en in hun ziel een verlangen wekken om die morele doeleinden te verwezenlijken.


8. De praktische rede

De praktische rede geeft een antwoord op de vraag hoe we in een welbepaalde situatie het best kunnen handelen. Soms krijgt de praktische rede een meer reflectieve vorm. De hypergoods, die wij gebruiken om te scheidsrechteren tussen rivaliserende handelingsopties, zijn vaak op zichzelf onhelder, tegenstrijdig en hun onderlinge rangorde is zelden zomaar evident. Ook kan het gebeuren dat een persoon zijn aanhankelijkheid aan een vertrouwd hoger goed verliest en die vervangt door een ander. In al deze gevallen speelt de meer reflectieve praktische rede een essentiële rol. Taylor gebruikt haar ook om de waarde van goederen in andere culturen af te wegen tegen de onze en om te onderzoeken of er binnen één cultuur sprake is van vooruitgang. Op die manier biedt Taylors praktische rede weerwerk aan allerlei relativistische tendensen. Taylors in wezen zwakke en onzekere ego heeft daarmee een (rationeel en daardoor zeker) wapen om aan de toevalligheden van het bestaan het hoofd te bieden. De praktische rede biedt weerwerk tegen het relativisme en het culturalisme dat in Taylors mensbeeld zit ingebakken. Ook in dit opzicht in het cartesianisme in zijn filosofie niet volkomen dood. Ik herinner eraan dat Taylor zich had voorgenomen het mensbeeld van Descartes met zijn nadruk op een gedetacheerd, onafhankelijk denken te vervangen door een meer lichamelijke, meer door allerlei uitwendigheden beïnvloede visie op de mens. Voor een stuk komt hij hier daarop terug. Precies zoals Descartes probeert hij via de rede bijna absolute rationele zekerheid te verkrijgen over beslissingen in verband met morele keuzes. Volgens mij doet hij daarmee onrecht aan de eindigheid van de mens, aan zijn kleinheid, aan zijn fundamentele onzekerheid en aan de voorlopigheid van zijn beslissingen en inzichten. Het is precies Taylors mensopvatting die die menselijke afhankelijkheid voor honderd procent illustreert.

De praktische rede heeft volgens Taylor een ad hominem structuur. Haar deliberaties vinden plaats in de concrete omstandigheden waarin het subject zich bevindt, iets wat de klassieke morele theorieën over het hoofd zien. Het utilisme wil de meetbare gevolgen van een handeling op het spoor komen waarbij ‘het grootste geluk voor zoveel mogelijk mensen’ de maatstaf is. De kantianen onderwerpen alle opties aan een universaliseringstest. Bij Taylor staat niet zozeer een of andere formele procedure maar de inhoud van de morele beslissing centraal.

Taylor stelt een model van de praktische rede voor dat berust op een contrastieve vergelijking van twee situaties of posities. Hij onderscheidt drie argumentatievormen waarmee men kan meten of de overgang van positie X naar Y een verbetering of vooruitgang betekent. Als voorbeeld bespreek ik hier alleen de derde redeneervorm. Die derde redeneervorm toont dat tijdens de overgang van X naar Y een contradictie wordt weggewerkt, een nieuw element in de beschouwing wordt betrokken of een duister punt wordt opgehelderd. Als er daar sprake is van een of andere overgang die fouten wegwerkt (an ‘error-reducing transition’) is die overgang succesrijk en door de praktische rede gelegitimeerd.

Taylor is dus van oordeel dat dit soort argument met vrij grote rationele zekerheid (op realistische gronden) kan beslissen welke van twee situaties beter is dan de andere. Toch is er een probleem. Als positie Y beter is dan positie X moet er een tertium quid zijn op basis waarvan dat oordeel wordt geveld. Dat maatschappelijke referentiepunt dient onafhankelijk te zijn van beide posities. In morele debatten gaat het dan om een sterke waarde of een hoger moreel goed, waaraan de participanten al vooraf gehecht waren, hoe impliciet ook. Dat morele goed is beschikbaar vanuit een particuliere cultuur. In interculturele waardevergelijkingen kan er bijgevolg geen tertium quid zijn omdat naar Taylors eigen zeggen geen a-culturele beschouwing van een sociaal systeem of van elementen daaruit mogelijk is. Daarvoor hebben we geen metataal. Het enige universalisme dat hij erkent is de universaliteit van particuliere culturen. Dit betekent dat Taylors praktische rede op dit niveau onwerkzaam wordt. Opnieuw staat deze filosoof oog in oog met een (in dit geval intercultureel) relativisme.

Daarom bedient Taylor zich van een deus ex machina: op basis van antropologische constanten zouden wij toch in staat zijn een rationele vergelijking te maken tussen waarden in onderscheiden culturen. Telkens het BA principle , het proces van articulatie of de praktische rede in de problemen komt voert Taylor die constanten ten tonele. Zij gaan in tegen zijn eigen antropologie die de mens definieert uit zijn particuliere waardehorizon en uit zijn complexe interpretatieve reacties daarop. Daarom wordt Taylor wel eens beschuldigd van essentialisme. Wat een particulier cultureel kenmerk van de mens is verschijnt dan als een element van de universele natuur van de mens.

De praktische rede slaagt er niet altijd in met absolute zekerheid aan te tonen dat een positie Y comparatief beter is dan positie X. Men kan zich voorstellen dat een individu een overgang maakt van X naar Y van waaruit een terugkeer naar X onmogelijk lijkt. Later kan het echter positie Z verkiezen van waaruit X als beter verschijnt als Y. Zijn praktische rede maakt haar belofte dan ook niet helemaal waar. Als de mens over zijn keuzes delibereert, doet hij dat in een context die hij niet helemaal kan overzien en waar allerlei keuzes niet volkomen rationeel beslisbaar zijn. Ook onze praktische rede heeft een tastend, aarzelend karakter dat slechts in relatieve zin een antwoord biedt aan de toevalligheden van het bestaan.

9. Besluit: Taylors complexe hermeneutiek

Dat de mens via zijn belichaamde activiteit een betekenisvolle relatie met de wereld aangaat is het centrale element van Taylors antropologie. De mens verschijnt daarbij als een gesitueerd wezen dat tot zichzelf komt vanuit een gemeenschappelijke taal en cultuur. Dit alles is niet denkbaar zonder een tweede element: het menselijke vermogen tot een voortdurende interpretatie van allerlei contexten en van zichzelf.
In het spoor van Heidegger en Gadamer geeft Taylor aan die capaciteit een ontologische fundering. Zij is een zijnsmodus van de mens. De mens verschijnt van nature als een zichzelf interpreterend dier.

Taylors hermeneutische visie is zeer radicaal: zowel de sociale wereld als onze subjectiviteit wordt erdoor geconstitueerd. Een zelf of een sociale werkelijkheid die aan die interpretatie vooraf zou gaan is dan niet langer denkbaar. Onder die interpretatie is de werkelijkheid an sich onbereikbaar. “Interpretation is interpretation all te way down”.

Taylor onderscheidt twee interpretatieve niveaus (al houdt hij ze niet voortdurend scherp uit elkaar): een pre-reflectief en een meer reflectief niveau. Telkens gaat het om een vorm van dubbele hermeneutiek. In een historisch, anoniem proces interpreteert de maatschappij eerst zichzelf en als het subject dat op zijn beurt probeert te doen interpreteert het een realiteit die al vooraf van zin en betekenis was voorzien. Zowel op het pre-reflectieve als op het reflectieve niveau gebruikt het subject een aparte morele landkaart waartussen een conflict mogelijk is. Zo wordt het inzichtelijk waarom ik mij soms niet verontwaardigd voel (eerste niveau) hoewel de officiële maatschappelijke landkaart dat voorschrijft (tweede niveau).
Volgens Taylor heeft de hermeneutische activiteit een object dat een welbepaalde betekenis heeft. De uitdrukking daarvan is van die betekenis onderscheiden. Beide staan in een zekere spanningsverhouding: de uitdrukking kan immers meer of minder adequaat zijn. Ook is er een subject dat door die betekenis wordt aangesproken. Op ieder van de twee interpretatieniveaus functioneren deze vier elementen.

Laat ik eerst iets zeggen over het eerste, pre-reflectieve interpretatieniveau.
Omdat Taylors subject, zoals Heideggers Dasein, om zichzelf bezorgd is zoekt het uit existentiële noodzaak een passende verhouding met allerlei contexten die voor zijn bestaan van belang zijn. We hebben dan een subject voor wie het object zijn eigen existentie in de wereld is. Dit bestaan ontleent zijn betekenis aan de frameworks in de cultuur. De wijze waarop het subject die betekenis opvat vindt zijn uitdrukking in het koloriet van zijn gevoelens, in zijn intuïties, in zijn lichaamstijl, in zijn handelingsmotieven en in allerlei spontane praktijken. Als het subject zich de vraag stelt of het een passend antwoord geeft op die contextuele imperatieven ontstaat er een afstand tussen die oorspronkelijke betekenissen en hun pre-reflectieve uitdrukking. Alleen al het gebruik van de taal verwijdert de uitdrukking van de geleefde ervaring daarvan.

Als het subject zich bedient van de taal beweegt het zich naar het tweede interpretatieniveau. Het object daarvan is het geheel van de voorafgaande, pre-reflectieve interpretaties die opnieuw naar hun betekenis worden bevraagd. Die vindt zijn uitdrukking in de taal en in allerlei meer begrippelijke systemen. Omdat de morele landkaart van dit niveau op heel verschillende wijzen (en nooit uitputtend) kan worden gecodificeerd is er ook hier een onderscheid tussen de uitdrukking en de betekenis die ze probeert te vatten. Het is dit soort onderscheid dat het hermeneutische proces en daarmee de ontwikkeling van het zelf op gang houdt. Dit soort volgehouden interpretatie is de motor van ons geestelijke leven.

De taal levert de interpretatieschema’s en de woordenschat waardoor bepaalde gevoelens als dusdanig worden ervaren en waardoor externe imperatieven zich voor het subject tot herkenbare, min of meer duidelijk handelingsmotieven kunnen ontwikkelen. De beschikbaarheid van allerlei talige registers (en daardoor het taalvermogen van het subject) is bij dit alles van beslissend belang.

Taylors bijzondere visie op het hermeneutische proces maakt het onafsluitbaar. Iedere interpretatie wordt gevolgd door een andere, waardoor het subject een onafgerond en daardoor dynamisch karakter krijgt. Een interpretatie is nooit uitputtend. Omdat zij geworteld is in de ondoorzichtige, pre-reflectieve sfeer wordt een bepaalde situatie en onze reactie daarop nooit volledig helder. In het spoor van Collingwood en vele andere filosofen wijst Taylor erop dat we de grondslagen van ons denksysteem nooit alle tegelijk in vraag kunnen stellen. Als we interpreteren doen we dat vanuit één standpunt en laten de andere in het duister. Interpretaties veranderen hun object en daardoor ook de interpreet, uiteraard niet in één keer, maar in een langdurig en vaak uiterst ingewikkeld feed back proces.

Vervolgens rijst de vraag naar de criteria die uitmaken of een interpretatie een zekere geldigheid heeft. Op vele plaatsen beweert Taylor dat sommige interpretaties juister en dieper zijn en minder op zelfbedrog berusten dan andere. Taylor spreekt er ook van dat sommige meer waar zijn dan andere. Zij zouden meer recht doen aan onze ware natuur en meer werkelijkheid aan het licht brengen. Het blijft daarbij onduidelijk of Taylor hierbij verwijst naar een absolute werkelijkheid of naar de realiteit van het laagste interpretatieniveau. Als men kijkt naar het geheel van Taylors werk kan men veilig stellen dat hij, ondanks zijn sterke neiging tot culturalisme, een poging onderneemt om aan het relativisme te ontsnappen dat onderhuids in zijn antropologie ligt ingebed (het subject is immers gelegen in contexten, het komt tot zichzelf door een interpretatie van voorgegeven betekenissen, het bedient zich van een voorgevormde taal). Taylor spreekt vaak van antropologische constanten, zijn praktische rede kan via rationele middelen allerlei vormen van vooruitgang onderkennen en in zijn moraalfilosofie poneert hij overduidelijk een objectieve, voorgegeven morele orde. Deze spanning tussen Taylors antropologie en het verlangen het daarin zich opdringende relativisme te overwinnen lijkt mij de sleutel tot een dieper begrip van Taylors filosofie.

Dit verlangen blijkt onder meer uit Taylors opvatting over de positieve vrijheid. Vrijheid als loutere mogelijkheid, als een niet door de buitenwereld belemmerde spontaneïteit is immers niet genoeg. Vrijheid is immers niets anders dan een mogelijkheid die het individu kan verwezenlijken of niet. Dat impliceert dat het individu een nieuw betekeniselement kan toevoegen aan de zinpatronen die hem uit de cultuur worden aangereikt. Er is dus een nauw verband tussen onze vrijheid en de aard van Taylors hermeneutiek.

Uit Taylors antropologie, die de veelvoudige gesitueerdheid van de mens in het licht stelt en zijn moeizame, complexe interpretatieve reacties daarop, verschijnt het subject aan de ene kant als een kwetsbare entiteit. Het kan slechts voorlopige, relatief stabiele en nooit volstrekt gefundeerde posities innemen. Het is afhankelijk van de gemeenschap, de taal en van de medemens die het in zijn pogingen naar zelfwording met zijn goedkeuring moet onderstutten.

Aan de andere kant illustreert Taylors hermeneutiek tegelijk een tweede tendens in zijn filosofie: hij zoekt naar middelen om personen te redden van hun zwakheid. Dit verlangen loopt parallel met zijn wil om het in zijn antropologie ingewortelde relativisme te boven te komen. De vraag is of de strategieën die hij daarvoor gebruikt niet leiden tot een overschatting van de mogelijkheden van het subject of tot een al te harmonieuze voorstelling van het morele veld waarin het zich moet staande houden.

woensdag 14 september 2011

Het precieze gebruik (4381 - 4400)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4381 - 4400)

4381. te veel: er zijn al genoeg blogs, platen, schilderijen, films, Tv-zenders, boeken, artikels, gedichten en veel te veel kranten. Er is gewoon te veel wereld en vooral een misselijk makend overaanbod aan interpretaties daarvan.

4382. te weinig: de mensen lopen in het gareel van hun overtuigingen. Die zijn zelden samenhangend. Ze bestaan uit incoherente fragmenten en overal rondslingerende brokstukken. Daarom is er nood aan mensen die hun meningen hebben samengeraapt, uitgezuiverd, gezeefd en omgebouwd tot een overzichtelijke reeks gerieflijke werktuigen. In de algemene chaos van de mensenwereld en van de natuur zijn ze een tijdelijk vast punt, een bewegend baken, een even oplichtende lamp die niet de waarheid uitstraalt, maar de belofte daarvan.

4383. een vorm van liegen: “De Grieken besparen niet genoeg!’, ‘Griekenland importeert te veel en leeft boven zijn stand’. Zulke zinnen zijn bijzonder leugenachtig omdat hun grammaticale onderwerp te algemeen is of te weinig gediversifieerd. Het is blijkbaar voor buitenlandse politici of commentatoren te moeilijk (of preciezer: te gevaarlijk binnen de eigen nationale kring) om nauwkeurig aan te geven welke groepen in Griekenland niet genoeg besparen, teveel importeren en boven hun stand leven. In het eigen land doen diezelfde groepen immers precies hetzelfde. En dat mag niet worden gezegd.

4384. de laatste neologismen: antiliberale broedplaatsen; de opgeblazen pad Mart Smeets; de terugkomstress (na een reis); de platgefotoshopte gezichten van filmsterren en mannequins; geen Vlaming wil ooit een gefrituurde gehakstaaf opvreten die door een Waalse politicus is gebakken; Wilders als een boosmens; Jorge Zorreguieta (de vader van Maxima) als een vrij in Nederland rondlopende en enthousiast naar het volk wuivende bureaumoordenaar; de gevolgen van 9/11 als een gruwelijk uitgedijd contraterrorismecomplex; Hans Hillen (de Nederlandse Minister van Defensie) als de Raspoetin van het CDA, als de onverbeterlijke machiavellist. Wilders noemt hem ‘een brekebeen’ en ‘een verdwaalde geest’; Maxime Verhagen (de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken) als een politieke koppensneller, als de aanvalshond van het CDA; Frits Bolkestein als de wraakgod van de straffe rede (zie hieronder); zonder roken voel ik mij een gepelde garnaal - zonder omhulling, zonder schild; ik geloof niet in het einde van de wereld, alles wordt alleen maar altijd erger (Frank Zappa).

4385. Bin Laden: deze terrorist en zijn volgelingen hebben verloren. Terwijl al die gruwelijke zelfmoordaanslagen er niet in slaagden om een opstand onder de moslims uit te lokken, luidde het stille protest van de Tunesische fruitverkoper Mohammed Bouazizi wel een spectaculaire ommekeer in. Zijn eenzame zelfmoord, die verder niemand het leven kostte, bleek uiteindelijk en moreel appèl te zijn dat veel mensen in de moslimwereld raakte. Bouazizi en niet Bin Laden inspireerde een massabeweging die de eeuwig regerende machthebbers in korte tijd omverwierp. Dit alles kan de westerse critici van de islam er eindelijk toe brengen ermee op te houden het kleine, kwaadaardige deel van de Arabische wereld voor te stellen als de representant van het geheel.

4386. Antwerpen: al jaren een stad van zachte idioten. Na de komende gemeenteraadsverkiezingen worden die misschien van het harde soort.

4387. de leugen van de week (1): het liberalisme, aldus Frits Bolkestein, is het gezonde verstand, het lucide denken, het oog voor de realiteit. Het marxisme, het marxistisch leninisme, het trotskisme, het socialisme, het nationaal-socialisme en zo nog wat meer –ismen, dat zijn vuige bedenksels van even vuige intellectuelen die zich met de realiteit niet vermoeiden, producten uit laboratoria met laboranten die met de gewone, kleinburgerlijke wereld niets van doen wilden hebben. Hoewel Frits hier niet helemaal ongelijk heeft moet toch dit worden gezegd: het is ook een vorm van liegen als men de waarheid zegt, maar niet helemaal.

4388. de leugen van de week (2): in zijn recente boek De intellectuele verleiding, met als ondertitel Gevaarlijke ideeën in de politiek verwijst Bolkestein naar De fabel van de bijen (1705) door Bernard Mandeville. In die bijenkorf loopt alles op rolletjes. Helaas, de bijen in die ‘mopperkorf’ klagen over de ondeugden van de anderen. Op een dag is Jupiter het zat en maakt alle bijen deugdzaam. En ziedaar: de bijen zijn niet meer hebberig, dus de bouwsector stort in. Ze drinken niet meer, dus de kroeg blijft leeg. Portretschilders zitten zonder werk, omdat niemand meer ijdel is. Bolkestein bewijst alle eer aan Mandeville in zijn nieuwe boek en daarmee aan de onzichtbare hand die volgens zowel Bernard Mandeville als Adam Smith de economische strijd van allen tegen allen doet bewegen in de richting van een onvermoede harmonie. Dit is de stichtingsmythe van de moderne economie, een geloof als een ander, waarin sommigen, hoe rationeel ze zichzelf ook presenteren, nog altijd even passioneel opgaan als in een vurig aangehangen religie.

4389. de leugen van de week (3): Bolkestein fulmineert tegen Rousseau, de pleitbezorger van de onbedorven, primitieve mens en de felste vervloeker van de gemiddelde kleinburger, die uit is op een ‘rustige vastheid’, zijn alledaagse pleziertjes en zijn vanzelfsprekende waarheden. Hij is de peetvader van de romantiek, het bête noire van Bolkesteins culturele analyses. De romantiek staat het gezonde verstand in de weg, het kalme denken en de bezonnen reflectie. Het is vrijwel synomiem met irrationalisme dat in Bolkesteins overtrokken redelijkheidsideaal geen enkele zinvolle plaats inneemt. De auteur spreekt bijvoorbeeld niet over de manifeste nadelen van het kapitalisme, over de uitwassen van de vrije markt die nochtans door zoveel zogenaamd redelijke figuren wordt verdedigd. Hij spreekt evenmin van de vele, eerder romantische auteurs die zonder twijfel een bijdrage tot de beschaving (ook de politieke of de economische) hebben geleverd (hoewel zij toch tot een of ander soort linksigheid hebben opgeroepen). Men zegt wel eens dat intellectuelen proberen de waarheid in kaart te brengen, terwijl politici slechts belangstelling hebben in een deel van de waarheid (de oppositie moet het andere deel maar aanleveren). Conform deze uitspraak is Bolkestein geen intellectueel. En dat beschouwt hij vast als een compliment.

4390. de leugen van de week (4): een zwaar naar rechts overhellend intellectueel, van wie Bolkestein niet spreekt, is Ayn Rand. Deze Amerikaanse filosofe verdedigt een levenswijze waarin de mens zich op een nietzschiaanse wijze van zijn medemenselijkheid bevrijdt om alleen het eigen genot na te jagen in een liberalistische maatschappij, waarin een bijna maximaal laissez-faire kapitalisme voor altijd gevestigd is. Met het oog op de empathische natuur van de mens zijn deze bedenksels van Rand erg (rechts)romantische en in dit geval zonder twijfel gevaarlijke wensfantasieën, omhuld door een rationalistisch waas, waarachter de gevaarlijke idee van de heilbrengende ‘onzichtbare hand’ (van Mandeville en Smith) nog altijd zichtbaar is. Alan Greenspan, het voormalige hoofd van de federatie van Amerikaanse centrale banken, kwam uit Rands school. Haar The virtue of selfishness was een van zijn lijfboeken. De Nederlandse filosoof Hans Achterhuis behandelde in De utopie van de vrije markt de lijn die er loopt van Rands ultrarechtse opvattingen naar de financiële crisis vanaf 2008. Om begrijpelijke redenen rept Bolkestein over haar en haar bizarre opvattingen geen woord.

4391. de intellectueel: al poseert Bolkestein heel vaak en heel graag als een belezen en wijs man, een echt nadenkende figuur kan men hem daarom bezwaarlijk noemen. De vraag rijst wat een intellectueel dan wel is. In een artikel in De Groene Amsterdammer doet Beeld Milo een poging die vraag te beantwoorden: ”Is een intellectueel iemand die in woord en geschrift meedoet aan het debat? Is dat iemand met een grote, goed onderbouwde visie? Is dat iemand die wat in tweede instantie reageert, omdat hij eerst wil kijken wat er aan de hand is? Is dat een publicist die zich betrokken opstelt? Is dat iemand met verstand van zaken – je zou het bijna zeggen. Maar wanneer heb je verstand van zaken? De waarheid op dit terrein is op dit moment niet zo aantrekkelijk: er zijn geen denkers meer, er is alleen maar entertainment. Wat er wordt gezegd doet er niet meer toe. Het hoe is belangrijk.”

4392. cijfers: de Amerikaanse armoedegraad is vorig jaar gestegen naar 15,1 procent, het hoogste peil sinds 1993. Dat blijkt uit cijfers van het Amerikaanse Census Bureau. In 2009 leefde 14,3 procent van de Amerikanen in armoede. In absolute cijfers gaat het om 46,2 miljoen mensen die in 2010 in armoede leefden. Dat is een record sinds de metingen 52 jaar geleden startten. Tegelijkertijd daalde het gemiddelde inkomen van de Amerikaanse gezinnen vorig jaar met 2,3 procent tegenover 2009.

4393. een vergelijking: men zegt wel eens dat er leugens zijn, grotere leugens en tenslotte zijn er nog de statistieken. Parallel met deze uitspraak (en vooral met het oog op onze vrijheid en de praktische mogelijkheden daarvoor) zeg ik dat er liberalen zijn, ultra’s en uiteindelijk de neoliberalen.

4394. 9/11: tien jaar na de aanslagen wordt Amerika hardhandig geconfronteerd met de grenzen van zijn invloed. 11 september is het symbool van de kwetsbaarheid van een Amerika dat langzaam maar zeker zijn overmacht aan het verliezen is. Zonder de aanslag in New York was het land nu niet verwikkeld in twee uiterst kostbare oorlogen – niet alleen in mensenlevens, maar ook in financieel opzicht. In die zin, aldus Jason Burke in zijn recente The 9/11 wars, heeft 11 september de wereld niet veranderd, maar een machtsverschuiving zichtbaar gemaakt en versneld, die al langer gaande was.

4395. een typische illusie: het is een van onze aangeboren neigingen helemaal in onszelf op te gaan zodat we op den duur menen onszelf tot in alle uithoeken te kunnen doorgronden. We hebben er dan moeite mee om in te zien dat andere mensen net zoveel kanten hebben en zo complex zijn als wijzelf. Het gevolg is een ‘illusie van transparantie’: we denken meestal ten onrechte de anderen te doorzien. Fernando Pessoa schreef al dat ‘niemand het bestaan van een ander werkelijk onderkent’. Ons eigen bestaan, zo denken we, onderkennen we doorgaans wel. Maar ook dat doorzien we slechts matig. Dit onvermogen wordt des te groter naarmate we de wereld en zijn bewoners tegemoet treden met versimpelde, door duale tegenstellingen geschematiseerde interpretatierasters, vooral als die in de gangbare of de eigen cultuur het keurmerk van een door iedereen aanvaarde redelijkheid bezitten.

4396. het geheugen: het geheugen is als een spinnenweb dat nieuwe informatie vangt. Hoe meer het vangt, hoe groter het wordt. En hoe groter het wordt, hoe meer het vangt.

4397. een roofvogel: Koos Van Zomeren: “Als een sperwer een vink opvreet vereenvoudigt hij de wereld: van twee vogels maakt hij er één. Misschien is het met poëzie ook zo: dichters vereenvoudigen de wereld door hem in hun woorden in te lijven.”

4398. geen vrije wil: de Vlaamse filosoof en neurowetenschapper Jan Verplaetse: “Iemand als Dirk Swaab, auteur van Wij zijn ons brein, maakt de fout dat hij de mens reduceert tot zijn brein, maar het brein is gewoon een geleider van allerlei causale niveaus: dat kunnen biochemische niveaus zijn, maar ook sociale of politieke oorzaken. Ik ben geen reductionist, ik stel alleen dat niets gebeurt zonder oorzaak. En als we geen vrije wil hebben, kunnen we ook geen verantwoordelijkheid hebben. Maar ja, dat ligt gevoelig. Het geloof in de vrije wil heeft een psychologische functie. Het geeft ons het idee dat we grip hebben op de realiteit, maar het is filosofisch ongegrond. Misschien is het wel bevrijdend daarvan af te stappen”. Wie interesse heeft in mijn standpunt in dit debat, zie Het kleine ik, een uitgebreid artikel dat ik enkele dagen geleden op deze blog publiceerde.

4399. drie valkuilen voor evolutionaire denkers: een maatschappelijk verschijnsel is niet uitputtend verklaard als zijn evolutionaire genese duidelijk is gemaakt; men mag het niet voorstellen alsof de natuur iets in onze hersenen of in onze genen verankert omwille van een of ander nut (zoals ons overleven): dat is teleologisch denken dat de evolutionaire wetenschap juist wil demaskeren; als werkelijk alles gedetermineerd is heeft het geen zin dikke boeken te schrijven om de mensen ervan te overtuigen wat rationeler te werk te gaan.

4400. de natuur nu: nog eens Koos Van Zomeren: “Vroeger was de natuur een vanzelf. Bij de huidige omvang van de wereldbevolking … miljarden mensen … ook als die alleen maar andijviestamppot eten, allemaal overstappen op vleesvervangers en duurzame gevangen vis, allemaal op de fiets naar het werk gaan, allemaal bereid zijn de verwarming en de airco een tikje lager te zetten, allemaal gewetensvol hun afval scheiden en allemaal donateur worden van Natuurmonumenten, ook dán zal de gehele aarde met al haar hulpbronnen nog uitsluitend ten behoeve van de mensen worden geëxploiteerd”.

dinsdag 13 september 2011

Het precieze gebruik (4361 - 4380)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4361 - 4380)

4361. scherpe woorddefinities (1): rationalisten van alle slag (maar in het bijzonder de predikers van één universele natuurwetenschappelijke methode) ergeren zich geregeld aan de vaagheid van de begrippen in de humaniora. Aan de onwetendheid die uit zo’n opmerking blijkt moet men glimlachend voorbijgaan, want dergelijke Deleuziaanse bêtises zijn oncorrigeerbaar.

4362. scherpe woorddefinities (2): diezelfde onnadenkende rationalisten hebben er geen benul van hoe de taal een loopje met hen neemt. Zij menen altijd min of meer precies te weten wat ze zeggen, zoniet (zo denken ze met volle overtuiging) houden ze hun mond. Toch maken ze keuzes voor bepaalde waarden (zoals voor de waarheid en eerlijkheid), maar ze kunnen niet aangeven waarom. Geen wonder dat dit soort ‘redelijken’ zich bij gelegenheid afkeert van iedere grondslagendiscussie en zelfs van die binnen hun eigen wetenschap.

4363. het circus: zelfs het lelijke krijgt in die tent een zekere schoonheid. Niet de geslaagde stunt, maar de val van de acrobaat is mooi.

4363. ervaring: voor literaire boeken, gedichten of songs heb je niet persé de concrete ervaring nodig van de tijd en de plaats waarover je het hebt. Die kunstvormen bestaan juist om de ervaring te vervangen, aan te vullen en te verbeteren vanuit dat deel van de werkelijkheid dat voor iedere ervaring van groter belang is dan de wereld zelf: de heldere donkerheid van de menselijke geest.

4364. Vlaamse rechtlijnigheid: volgens het Offensieve Nationalisme (ON) van de zusterpartijen VB en N-VA kunnen er geen andersdenkenden zijn, want dat zijn mensen ‘die het nog niet begrepen hebben’.

4365. de laatste neologismen: de politici en hun onvermijdelijke promopraatjes; de media en hun geweldspornografie; met het vooruitschrijdende inzicht van onze beschaving kwam er een veganistische god in het zicht die niet alleen geen mensenbloed, maar ook geen dierenbloed meer wil zien vloeien (A. Grunberg).

4366. twee soorten economen: de meningsverschillen tussen de professionele economen over de aanpak van de eurocrisis tonen nu duidelijk de verschillende kampen: de doctrinairen of ideologen aan de ene kant, met Jürgen Stark (ECB) als voorbeeld; en de wetenschappers zoals Nobelprijswinnaar Paul Krugman en professor Paul De Grauwe (KU Leuven) aan de andere kant. IMF en OESO zijn dubbelzinnig, maar neigen meer naar het eerste kamp.

4367. een zelfbeeld: iemand die met drukke handgebaren en met al zijn uitgesproken meningen en dwingende intonatie de indruk geeft dat je amper het recht hebt om het met hem oneens te zijn. Toch, ondanks dat blijkbaar onaantastbare geloof in het eigen kunnen, is de twijfel een van de weinige contanten in zijn leven. En schroom, en de nood aan bewondering van belangrijke, verlichte anderen.

4368. pragmatici (1): velen van degenen die zich met nauwelijks verborgen rancune als pragmatici presenteren zijn gewoon niet in staat tot enige consistente theorie. Zo zijn in de literatuur de romankunst of de poëzie niet persé verhevener dan de essayistiek. Daarbuiten is metselen niet a priori nobeler dan nadenken. Evenmin staat de techniek als praktische waarheidsindicator onmiddellijk op een hoger schavotje dan de beschouwende natuurwetenschap. IJverige doeners zijn niet zonder meer superieur aan aandachtige toeschouwers.

4369. pragmatici (2): de sport is echter een terrein waarop alleen de pragmaticus van tel is. Al kan iemand al de winnaars van om het even welke rittenkoers uit het hoofd citeren, hij is klein bier in vergelijking met diegene die in staat is bijvoorbeeld honderd kilometer tegen een niet al te traag tempo te fietsen. Want alleen in de sport geldt onverbiddelijk de wet van de meritocratie: wie het snelst, het gaafst of het hardst een prestatie levert is onbetwistbaar de beste. Dit soort cognitieve (en misschien ook ethische) helderheid maakt de schoonheid van de sport uit.

4370. kippenvel: het moment waarop het lijf zegt dat er iets gebeurt in de kop, of in het hart.

4371. wachten: Griet Op de Beeck in De Morgen over meisjes: “ … op wendingen die ik niet verhoopte, zinnen die ik mooi vind, gesprekken die lang duren, vriendschappen die zich met het jaar verdiepen. Op gretigheid, op het rechtzetten van wat scheef zit. Geven wat ik heb. Heet water op mijn vel en gras om in te liggen. Volharden, ook als anderen daar de zin al heel lang niet meer van inzien. Weinig weten, maar daarmee veel leven, behalve soms”.

4372. 9/11 (1): Hugo Camps zeer terecht over Verhofstadt: “Verhofstadt wou niet eens participeren aan de oorlog in Irak. Hij sloeg de hysterie van Tony Blair van zich af. Die principiële houding is een hoogtepunt van de Belgische diplomatie” .

4373. een vraag: welk beest gromt er onderhuids in de Vlaamse cultuur, wat beweegt er daar achter de schermen zodat wij meer dan andere Europeanen neigen naar zelfmoord, depressiever zijn en niet tot een volwassen politieke houding in staat?

4374. hoe gehoord te worden: om gehoord te worden volstaat het voortdurend met langzame gebaren en met welbestudeerde, uiterst beschaafde volzinnen een dominante mening te debiteren. De meeste mensen hebben absoluut geen nood aan een onderzoek naar de geldigheid daarvan. Het is een courante vergissing van filosofen hun kritische ingesteldheid te veralgemenen naar die van de medemens.

4375. authenticiteit: wat moet je met dit modern ideaal (zie hierover de filosofie van Charles Taylor) als je vaststelt dat de Vlamingen het menen te realiseren door al hun (succesvolle) speelfilms met dialect te overgieten? Met Nietzsche ben ik van oordeel dat artistieke (en wellicht ook ethische) waarachtigheid slechts bereikbaar zijn binnen de grenzen van een sterke vorm, een gebiedende traditie, die zowel het eigenlijke speelterrein als het startplatform uitmaken van de eigen creativiteit. De laatste mag niet worden gelijkgesteld aan teugelloze vrijheid die iedere eigenheid zonder centrum maakt, ongericht en daarom op den duur inauthentiek. Zoals het socialisme de gelijkheid inhoudt van eenieders aanvangskansen (en dan beginnen de bloemen van het verschil overheerlijk te bloeien), zo sluit het begrip authenticiteit, wil het iets meer zijn dan een romantische kreet, een gelijkheid in van een aanvankelijke (vorm)beperking.

4376. 9/11 (2): Arnon Grunberg in De Morgen: “De terroristen hebben zich aangepast aan de wetten van de moderne kapitalistische economie. Al daarom zijn zij niet revolutionair en geen werkelijke bedreiging voor onze manier van leven. Er is een behoefte aan geweld (en de spanning die dat meebrengt)en zij vervullen die. Een radicale economie, en de kapitalistische economie is een radicale economie, vraagt om vernieuwingen, al zal er altijd ook weer gebruik worden gemaakt van vertrouwde middelen. De aanslagen van 9/11 waren een vernieuwing van het product terrorisme, zoals de Iphone een vernieuwing was van het product mobiele telefoon”.

4377. mode: volgens een Tv-reporter is de mode van Walter van Beirendonck zowel kleurrijk als maatschappijkritisch. De eerste bepaling is zonder twijfel juist, de tweede komt in aanmerking als kandidaat voor de grofste leugen van het jaar.

4378. tennis:op de American Open stelde Selena Williams zich eens te meer aan. Omdat haar sportieve superioriteit in het geding kwam begon ze op de scheidrechter te schelden en kreeg daarvoor slechts een geringe boete. Voorheen riep ze als een goede Amerikaanse het publiek op zich de gebeurtenissen van 9/11 te herinneren. Dit voorval illustreert in zijn kleinschaligheid hoe Amerika zich in de grote wereld gedraagt.

4379. Electrabel: Jeroen Olyslaegers in De Morgen: “Of u nu ondernemer bent of werknemer, rijk of arm, bruin, zwart of blank, Nederlandstalig of francofoon, u wordt genaaid en u weet dat u wordt genaaid. Electrabel is verantwoordelijk voor de grootste gelegaliseerde hold-up in de geschiedenis van dit land. België en zijn inwoners zijn een wingewest voor een Franse multinational”.

4380. de onverschillige natuur: het is niet omdat de natuur volstrekt onverschillig is voor het mensenlot dat de mensen dat zijn of de cultuur waarin ze de natuur corrigeren.