
Paul Ricoeur en zijn pleidooi voor een realistisch cogito
In wat volgt completeer ik mijn drieledig essay over de nefaste gevolgen van de idealistische verleiding. Een consequentie daarvan is de creatie van een al te spiritualistische wijsgerige antropologie die noodzakelijk tot ontgoochelingen leidt. Daartegenover staat een ontwerp van een klein ik dat realistische afmetingen heeft en dat in alle menselijke ondernemingen wellicht veel vruchtbaarder zal blijken.
Als Descartes en Husserl een absoluut beginpunt zoeken voor hun bewustzijns-filosofie, dan is het verhelderend de woorden van Paul Valéry te memoreren: “There is no theory that is not a fragment, carefully prepared, of some autobiography”. Er is zonder twijfel een meer existentiële onderbouw die aan de basis ligt van de idealistische verleiding. Op het einde van zijn magistrale boek Le Volontaire et l’ involontaire besteedt Paul Ricoeur veel aandacht aan de vitale ondergrond van dit verschijnsel. In zijn uitvoerige analyse van de wil gebruikt Ricoeur Husserls fenomenologische methode, verrijkt met een meer existentiële invalshoek, waarbij hij, naar het voorbeeld van Gabriël Marcel, het lichaam en daarmee de hele tijdruimtelijke wereld opneemt in zijn verruimde, zogenaamde ‘totale cogito’.
Voorheen liet de Franse filosoof al zien hoe de mens in de verschillende fasen van de wilsact zijn vrijheid op tegenkrachten verovert. Omdat dit mogelijk blijkt, zijn die tegenkrachten relatief. Later gaat Ricoeur dieper in op de absolute (want onoverwinnelijke, alleen maar assumeerbare) druk die de vrijheid ondervindt van de kant van het karakter (‘la tristesse du fini’), het onderbewuste (‘le mauvais infini ou la tristesse de l’informe’) en van het leven zelf (‘la tristesse de la contingence’).
Het conflict tussen de vrijheid en deze drie vormen van noodzakelijkheid is een schandaal voor de rede, omdat die er nauwelijks in slaagt zijn eenheid te denken, maar nog veel meer voor de praktische mens, die slechts met veel inspanning en maar gedeeltelijk dat conflict tot verzoening kan brengen. Hoewel Ricoeur precies die verzoening op het oog heeft, toch interesseert ons hier vooral de daaraan voorafgaande fase van de negatie, waarin het idealistische cogito zich afzet tegen de innerlijke en uiterlijke machten die het bedreigen. De pressie van die machten ervaart het eerst als een pijnlijk niet-zijn, een inkrimping van zijn perspectief op de wereld, een reductie van zijn mogelijkheden. Het ondervindt immers al te zeer de waarheid van het klassieke adagium: omnis determinatio negatio.
Het omsingelde cogito reageert dan op drie manieren. In de eerste plaats maakt het zich los van de vastgeroeste schablonen van zijn karakter en besluit alle menselijke mogelijkheden tegelijk te realiseren. Het affirmeert zijn soevereiniteit. Het kijkt daarbij weg van het feit dat het zijn onmacht wegmoffelt, dat het er niet slaagt om in alle geduld met zijn beperkingen te leven en er het beste van te maken. Het klopt zich op tot iets absoluuts en geeft zich voluit over aan de zopas ontdekte passie van de vrijheid. Dan wordt de mens een wezen van het exces, van de bovenmaat, de titanische Sturm und Drang-held die bereid is het lot van de hele mensheid op zijn schouders te nemen. Het kan niet anders dan dat die prometheïsche buitenmatigheid al vlug op zijn grenzen stoot en overgaat in bittere ontgoocheling, wanhoop, allerlei soorten van verachting en uiteindelijk in een verlangen naar destructie. Hoewel Ricoeur daarover niet spreekt toch is Hitlers welbekende Nerobevel op 19 maart 1945 daarvan een goed voorbeeld. Omdat het Duitse volk slechts een niets zou zijn na de nederlaag, omdat het zijn onmacht definitief had bewezen moesten alle bruggen, fabrieken, regeringsgebouwen, watervoorzieningen en elektrische installaties met de grond worden gelijkgemaakt. Als de wereld niet op Hitlers voorwaarden kon bestaan mocht hij niet bestaan. Een dergelijk verlangen naar absolute destructie is het negatief van een verlangen naar absolute creatie, verlangens die de dictator zeker eigen waren. Dit nihilistische bevel vloeide voort uit de icarische val van een voorheen door de verbeelding buitenproportioneel opgeblazen, al te voluntaristisch ik.
In de tweede plaats bevestigt het idealistische ego zijn volstrekte transparantie. Het wil licht zijn zonder schaduw, het wil leven zonder de chaos van al die affectieve pressies, onpeilbare impulsen en vage, vormeloze herinneringsflarden die zijn doorzichtigheid vanuit zijn onbewuste onderkant bedreigen. Het weigert om geduldig en voorzichtig met die ondefinieerbare materie om te gaan waaraan het met zijn bewuste vrijheid een zekere vorm zou kunnen geven. Dit soort ego is leugenachtig en illusoir want het ontkent zijn eigen weigering: het poneert veel liever een soort afgescheiden, puntvormig zelf dat aan de beperkingen van alle lichamelijkheid ontsnapt.
In de derde plaats stelt dit ego tegenover de onvermijdelijke contingentie van het leven wederom het majestueuze gebaar van zijn eigenmacht. In het licht van die inzichten, aldus Ricoeur, moet men het werk van Fichte herlezen. Voor die filosoof is het onaanvaardbaar dat hij de voorwaarden van het bestaan niet helemaal uit zijn zelf kan afleiden. Zijn triomfantelijk zelfbewustzijn weigert zichzelf te zien als een gesitueerd fenomeen. Het leidt de idee van de ruimte af uit zichzelf en niet uit onze corporaliteit. Hetzelfde gebeurt met de idee van de tijd, alsof die niets te maken heeft met het reële verloop van de dingen en met de idee van de contingentie, alsof de spontaneïteit van het leven niet het bewustzijn verre vooruit is. Geen wonder dat deze titanische vrijheid, zodra ze op ernstige weerstand stoot en haar eigen onmacht inziet, kapseist en plaatsmaakt voor troosteloosheid, missprijzen en ressentiment. Voortaan ervaart zij de wereld als een absurditeit. Uit deze pijnlijke implosie van een voorheen vergoddelijkt zelf verklaart Ricoeur het ‘zwarte existentialisme’. Zelfmoord is dan een ultieme, heroïsche optie, want in dit opzicht blijft de mens de volstrekte meester van zijn lot. Het is de spanning tussen noodzaak en vrijheid binnen het cogito die van dit alles de oorzaak is. Die tegenspraak zoekt Ricoeur te verzoenen, niet door ze weg te redeneren of te ontkennen, maar door ze op een of andere manier te asssumeren.
Zijn ‘totale ego’ nadert dan de contouren van een klein ik, omringd door, maar niet tot onmacht gedwongen door de beperkingen van ons half vrije, half voorbepaalde bestaan. Ricoeur omschrijft het als volgt: “L’acte du cogito n’est pas un acte pur d’auto-position, il vit d’accueil et de dialogue avec ses propres conditions d’enracinement. L’acte du moi est en même temps participation”. Zijn mensbeeld vertoont daarbij een treffende gelijkenis met dat van Erich Fromm, zoals Commers het weergeeft: “ Fromms visie op het menselijk bestaan wordt niet getekend door het beklemtonen van de menselijke onmacht, evenmin als er sprake is van het niets waarop de mens door zijn Sein-zum-Tode is gefixeerd. Maar hij verheerlijkt evenmin de egocentrische eigenmachtigheid. Zijn denken houdt het midden tussen de belijdenis van de onmacht en de exaltatie van de almacht. De noodzakelijkheid om telkens nieuwe oplossingen te vinden voor de tegenspraken van ons bestaan bepaalt de macht van de mens. Het bepaalt zijn gedrag, zijn hartstochten, belevingen en angsten.”
Omdat zelfs een sterk empirisch opgezette reflectie over mensbeelden niet helemaal theorievrij kan zijn (ze moest ergens beginnen, van een of andere werkhypothese uitgaan), formuleer ik hier een eerste omschrijving van het kleine ik die ik later zal concretiseren of aanpassen. Op basis van mijn vorige opmerkingen vat ik het op als een door en door intentioneel gebeuren, dit wil zeggen een (deels) bewuste en op allerlei zin georiënteerde reeks van innerlijke en uiterlijke activiteiten, die, nauw gerelateerd aan het lichaam, van zeer nabij en van in den beginne betrokken zijn op de wereld en de maatschappij. Dit betekent in de eerste plaats dat zijn wil om te bestaan op alle niveaus weerstanden ondervindt. De analyse van de wijze waarop het met die hindernissen omgaat, ze assumeert, ze te boven komt of door allerlei schijnbewegingen probeert ze te minimaliseren, te ontkennen en ongevaarlijk te maken kan een relevante bijdrage zijn voor de wijsgerige antropologie en een vruchtbare invalshoek voor de hermeneutiek. Immers, de afhankelijke en voor zijn vervulling naar de wereld gerichte positie van dit kleine ik impliceert vervolgens dat het vooral tot zichzelf komt en het best kan worden begrepen in en vanuit zijn werken. Ten opzichte van Ricoeurs totale cogito vergt dit een verschuiving van een fenomenologisch naar een hermeneutisch standpunt, wat Ricoeur trouwens in vele van zijn andere boeken ons voorbeeldig voordoet.
0 reacties:
Een reactie plaatsen