dinsdag 17 januari 2012

Mensbeelden (1)


De aard van mensbeelden


Mensbeelden zijn zo complex als de menselijke aard. Ze zijn dan ook moeilijk uitputtend te beschrijven. Een mensbeeld is in ieder geval veel meer dan alleen maar de optelsom van mijn persoonlijke voorkeuren of de opvattingen die ik over mezelf koester. Hoewel ik erin ben vervat deel ik het met talloze anderen. Een mensbeeld illustreert de excentriciteit van de mens, die zelfs in zijn intiemste beleving door krachten van buiten wordt gecontamineerd. Een mensbeeld is zowel feitelijk als normatief. Het weerspiegelt niet alleen een maatschappelijke situatie, het schrijft ook voor hoe we moeten leven. Het bepaalt hoe ik over mezelf en de anderen oordeel. In het christendom is de heilige het prototype van het gewenste mensbeeld. Het beschrijft niet alleen hoe christenen zich doorgaans gedragen, maar ook hoe ze behoren te zijn en te handelen, als ze ‘het heil’ deelachtig willen worden. Daardoor bevat ieder mensbeeld libidineuze en imaginaire componenten die kunnen worden uitvergroot, zodat het vatbaar wordt voor de idealistische verleiding. Omdat mensbeelden ons van buiten doordringen worden ze ons aangepraat. Lang echter voor we kunnen praten neemt het ongevraagd bezit van ons in de vele wijzen waarop belangrijke anderen ons behandelen. Het zit ingebed in allerlei praktijken, houdingen en levenswijzen die het kind omringen en met hun zin doordringen. Dit soort onbewuste, voortalige mensbeeld wordt, naar een treffend neologisme van R.C. Kwant (zie foto), ons aan-geëxisteerd. Men mene echter niet dat dit soort mensbeeld voor iedere baby binnen één cultuur hetzelfde is. Het is immers afhankelijk van de variabele verwachtingspatronen die de belangrijke anderen op het kind projecteren, van de geïndividualiseerde en de soms zeer eclectische zingevingswijzen die de ouders vanuit meer algemene patronen hebben ontwikkeld. De maatschappij zelf is trouwens in dit opzicht een verdeeld fenomeen: het algemene mensbeeld vertoont variaties met de onderscheiden standen, beroepsgroepen, opleidingsniveaus en met de ‘relatieve tijd’ waarin de ouders leven. Het geëxisteerde mensbeeld vertoont een nauw verband met de mores, de zeden van een groep. Van het woord zeden is het woord zedelijkheid afgeleid. Zeden hebben het karakter van een vaststaande feitelijkheid die zich opdringt als een moeten. Op dit niveau bestaat het onderscheid tussen ‘is’ en ‘ought’ nog helemaal niet. Onze zeden hebben een zodanige vanzelf-sprekendheid dat ze niet, of maar gedeeltelijk, verbaal ter sprake komen. Tijdens onze prille opvoeding verinnerlijken we het geëxisteerde mensbeeld, maar niet op een bewuste wijze, zodat we datgene wat we in onszelf binnenhalen niet in woorden kunnen uitdrukken. Toch bepaalt het ons gedrag.

Een groep dankt zijn identiteit aan zijn geleefde mensbeeld en de eerste, onlichamelijke basis van onze persoonlijke identiteit is de zwijgende verinnerlijking daarvan. Maar omdat een groep – in ieder geval binnen de sfeer van de moderniteit - verschillende identiteiten heeft, die elkaar overlappen of tegenspreken , interioriseert ieder kind tijdens zijn vroege opvoeding een samengesteld mensbeeld en daarmee een eerste grondslag voor een potentiële verdeeldheid en een mogelijk antagonisme. Men zegt wel eens dat een mens tweemaal wordt geboren: eenmaal in zijn lichaam en nog een keer in zijn cultuur. Die tweede geboorte staat aldus vanaf het begin in het teken van een potentiële diversiteit, een mogelijk conflict, waarvan het zich aanvankelijk helemaal niet bewust is. Het vertrouwen in de opvoeders is aanvankelijk zo groot en het kinderlijke onderscheidings-vermogen zo gering dat mogelijke tegenspraken in het aangeboden mensbeeld onopgemerkt blijven. Geëxisteerde mensbeelden zijn ongemeen veelvormig: het ene gezin verschilt van het andere, de basisschool hanteert een ander mensbeeld dan de middelbare, een arbeider heeft een ander dan een academicus.

Als het eenmaal wordt geverbaliseerd voegt zich bij het geëxisteerde het gesproken en het besproken mensbeeld. Het gesproken mensbeeld is het geëxisteerde in zoverre het doordringt in het alledaagse spreken, zonder dat het doelbewust daarvan een onderwerp vormt. Slechts weinig mensen bespreken hun mensbeeld, hoewel ze van daaruit spreken. En als ze spreken weten ze in dit opzicht niet wat ze zeggen. Het is nogal onduidelijk wat een gesproken mensbeeld inhoudt, maar het is in ieder geval homogener dan het geëxisteerde. Het lijkt alsof het laatste zich versmalt wanneer het als het ware achter onze rug om in de taal verschijnt. Het komt slechts impliciet, occasioneel of zeer partieel ter sprake en het toont zich nooit als een afgerond, gesloten geheel van redeneringen.

Veel duidelijker kunnen we het besproken mensbeeld onderscheiden: daarin is de reflectie werkzaam, daar wordt het mensbeeld doelgericht tot onderwerp van het spreken. Een besproken mensbeeld is algemeen van aard en heeft daardoor een grotere homogeniteit dan de twee andere. Zij staan verder van de geleefde realiteit, ze zijn abstracter en daardoor ook eenvormiger. De prijs daarvoor is een verarming aan concreetheid en vitale kracht. Zij zijn dan ook het meest onwerkelijk, waardoor idealistische deformaties snel kunnen optreden. Vele sceptisch ingestelde mensen van onze tijd ervaren zulke sterk theoretische bouwsels als irrelevant en vervreemd, terwijl die bijvoorbeeld in de negentiende en tot ver in de twintigste eeuw voor velen bijzonder aantrekkelijk waren. Ook deze mensbeelden hebben een feitelijk en een normatief karakter.

Er zijn onder meer mythische (meer verhalende), empirische, wetenschappelijke, politieke, wijsgerige, religieuze, theologische en zelfs artistieke mensbeelden. Zij presenteren alle modellen die tegelijk descriptief en normatief zijn. Omdat zij iets ijls over zich hebben, een zekere leegte, een sfeer van onwerkelijkheid, proberen de uitvinders van nieuwe en de verdedigers van oude mensbeelden de geldingskracht van hun model met allerlei middelen te versterken: met sancties, beloningen, bewijsvoeringen, emotionele appèls, retoriek, rituelen en pakkende artistieke voorstellingen. Zulke mensbeelden zijn het stabielst als ze samenvallen met de gesproken en de geëxisteerde, zoals in sommige streng gereformeerde gemeenschappen in Nederland tot voor kort het geval was. Het omgekeerde doet zich ook voor. In Italië laten de katholieken de paus zijn gang zijn als hij het officiële, algemeen aanvaarde mensbeeld verdedigt. Ondertussen gaan zij hun eigen gangetje en die divergentie tussen het besproken, geleefde en gesproken mensbeeld lijkt niemand erg te storen. Het is te verwachten dat onder bepaalde condities een conflict tussen deze soorten mensbeelden zich voordoet. Kwant is van oordeel dat bijvoorbeeld de Nederlanders moeilijk met zulke verschillen kunnen leven en dus voortdurend van hun elites en van zichzelf eisen dat zij die overbruggen.

Mensbeelden van deze soort raken vaak geïnstitutionaliseerd. Ze krijgen hun aangestelde woordvoerders. Als die aanstelling officieel is verschijnen de priesters, dominees of partij-ideologen. Zelfs als die niet officieel is (bijvoorbeeld in het geval van een door één individu ontworpen mensbeeld) krijg je, als het mensbeeld de kracht blijkt te hebben om zich te verspreiden, spoedig behoeders en meer prominente medestanders die de priesterlijke rol waarnemen. Vaak zijn dat intellectuelen, die niet alleen optreden als prekers en verdedigers, maar ook als controleurs. Dat een mensbeeld zich kan vertakken in een tot in de details beheerst maatschappelijk systeem heeft de verzuiling in Nederland laten zien. Een institutionalisering op deze schaal versterkt uiteraard het mensbeeld en zet het voort. Het is dan over lange tijd mogelijk dat het besproken mensbeeld zo krachtig inwerkt op de individuen dat het in hoge mate opgaat in de gesproken en geëxisteerde varianten. Het is misschien een bevrijdend inzicht dat dit nooit helemaal lukt.

Mensbeelden zijn geen eenduidige, maar veeleer gelaagde en verdeelde fenomenen, wat hen inherent conflictueus maakt. Kwant onderscheidt vooreerst een horizontale mensbeeld-verdeeldheid. De maatschappij kent nogal gesloten horizontale lagen, op basis van opvoeding, stand, beroep en inkomen, die telkens een gemeenschappelijk geleefd en gesproken en niet zozeer een besproken mensbeeld delen. Een dergelijk mensbeeld verwijst naar gedeelde belangen. In die kringen vindt men slechts een klein aantal besprekers of ontwerpers van theoretische mensbeelden. In het verleden behoorden die allen tot de geletterde bovenlaag. Dat is de reden waarom het zo moeilijk is om te spreken over hét middeleeuwse mensbeeld. Via allerlei teksten komen we alleen iets te weten over het abstracte mensbeeld dat door theoretici uit een hogere klasse werd neergeschreven. Wij vinden daarin weinig informatie over het geleefde en gesproken mensbeeld uit andere lagen van de bevolking. Marx vindt de horizontale belangenlagen beslissend voor de evolutie van de maatschappij. Hoe het ook zij, het is zeker dat vele machthebbers doorheen de eeuwen veel energie hebben besteed aan de voortzetting en de versterking van mensbeelden die hun belangen legitimeerden. Vervolgens onderscheidt Kwant de verticale mensbeeldverdeeldheid. Die ontstaat wanneer een krachtig en duidelijk besproken mensbeeld, dwars door de horizontale lagen van de maatschappij heen, van boven uit het leven van de mensen gaat beheersen in een bepaald segment van de maatschappij, een nauw afgezette ideologisch ruimte, die duidelijk is onderscheiden van andere segmenten met weer andere dominante ideeën over het leven, de wereld en de mens. Het succes van dit maatschappijmodel kon Marx zich niet voorstellen. Voor hem was het louter bovenbouw, ideologie. Ik heb het hier uiteraard over de verzuiling, die het leven in Nederland zovele decennia heeft getypeerd en die nu in een flink tempo aan het verdwijnen is. Nederlanders gaven blijk van een bijzonder ongeduld, waardoor zij de verzuiling tot een vaststaande structuur hebben doorgevoerd: het geëxisteerde en het besproken mensbeeld mochten ook niet maar een beetje uit elkaar groeien. Nu de verzuiling op zijn einde loopt is dat voor velen pijnlijk. Wat er daarvan nog overblijft maakt een vervreemde indruk, want het past niet meer bij wat de Nederlanders werkelijk denken. Omdat deze mensbeelden structureel waren verankerd kunnen zij zich er niet zo gemakkelijk van vrijmaken. Geïnstitutionaliseerde mensbeelden vertonen nu eenmaal een sterke inertie.

We weten al dat geleefde mensbeelden uitermate veelvormig zijn. Dat is ook het geval met de meer theoretische. Een mythisch mensbeeld verschilt aanzienlijk van een wetenschappelijk, een artistiek weer van het vorige en in een pluriforme maatschappij als de onze concurreren die mensbeelden met elkaar. Daarbij komt het niet zelden voor dat ze elkaar overlappen, tegenwerken of versterken. Bovendien zijn dit soort mensopvattingen ook naar binnen toe gelaagd. Ze hebben een cognitieve component (een welbepaalde interpretatie van wat de mens is en daarachter een daarbij passende blik op de wereld en de geschiedenis die soms tot stand komt vanuit een heel eigen epistemologie). Daaronder werken de gevoelens, de wisselende beweging van de wil en een reeks imaginaire voorstellingen, die de cognitieve inhoud niet alleen vitaliseren, maar bij gelegenheid kunnen radicaliseren of vernietigen. Bovendien is ook de cognitieve inhoud van een mensbeeld niet zelden gelaagd. Lévy toont aan hoe in de materialistische maatschappijtheorie van Marx en bij Horkheimer en Adorno nog steeds een idealistische sublaag aanwezig is.

Omdat een mensopvatting een met de omstandigheden wisselende afdruk is van de menselijke aard zijn er nog andere wijsgerig-anthropologische redenen die de eenheid van het mensbeeld in de weg staan en dat vooral in de moderne tijd. Traditionele of de daarmee concurrerende innovatieve mensbeelden binnen onze cultuur kunnen identieke trekken vertonen, elkaar overlappen en beïnvloeden, maar zullen doorgaans op belangrijke punten van elkaar verschillen. Een eerste reden daarvoor is de onverenigbaarheid van onze belangrijkste waarden. De tweede is de dialectiek tussen enerzijds onze actieve wil om te bestaan en anderzijds ons ‘verlangen naar de val’ , dit wil zeggen een verlangen naar onderwerping, om onweerstaanbaar meegevoerd te worden door innerlijke of uiterlijke krachten, een tweeledigheid die in de moderne tijd ongemeen wordt verscherpt. Velen geloven nog vandaag dat ons leven een convergerende doelgerichtheid bezit en dat allerlei waarden in één cultuur en zelfs die in verschillende culturen naar een universeel, eenvormig centrum verwijzen en dat alle culturen in die richting evolueren. Volgens Isaiah Berlin daarentegen is het onmogelijk onze belangrijkste waarden op één noemer te brengen. Deze auteur laat zien dat het ideaal van absolute gelijkheid niet rijmt met dat van absolute rechtvaardigheid, dat een wetenschappelijke theorie niet persé waar is omdat ze ook mooi is of ethisch veelbelovend. Volledige vrijheid voor de wolven betekent de dood voor de lammeren.

(wordt vervolgd)

0 reacties:

Een reactie plaatsen