donderdag 26 januari 2012

Mensbeelden (2)


Het gelaagde en conflictueuze karakter van mensbeelden

In het eerste deeltje van dit essay gaf ik een definitie van mensbeelden en ik besloot dat ze zowel innerlijk als uiterlijk conflictueus van aard zijn. Om verscheidene redenen geldt dit vooral voor moderne mensbeelden.

Omdat een mensopvatting een met de omstandigheden wisselende afdruk is van de menselijke aard zijn er nog andere wijsgerig-anthropologische redenen die de eenheid van het mensbeeld in de weg staan en dat vooral in de moderne tijd. Traditionele of de daarmee concurrerende innovatieve mensbeelden binnen onze cultuur kunnen identieke trekken vertonen, elkaar overlappen en beïnvloeden, maar zullen doorgaans op belangrijke punten van elkaar verschillen. Een eerste reden daarvoor is de onverenigbaarheid van onze belangrijkste waarden. De tweede is de dialectiek tussen enerzijds onze actieve wil om te bestaan en anderzijds ons ‘verlangen naar de val’ , dit wil zeggen een verlangen naar onderwerping, om onweerstaanbaar meegevoerd te worden door innerlijke of uiterlijke krachten, een tweeledigheid die in de moderne tijd ongemeen wordt verscherpt.

Velen geloven nog vandaag dat ons leven een convergerende doelgerichtheid bezit en dat allerlei waarden in één cultuur en zelfs die in verschillende culturen naar een universeel, eenvormig centrum verwijzen en dat alle culturen in die richting evolueren. Volgens Isaiah Berlin (zie foto) daarentegen is het onmogelijk onze belangrijkste waarden op één noemer te brengen. Deze auteur laat zien dat het ideaal van absolute gelijkheid niet rijmt met dat van absolute rechtvaardigheid, dat een wetenschappelijke theorie niet persé waar is omdat ze ook mooi is of ethisch veelbelovend. Volledige vrijheid voor de wolven betekent de dood voor de lammeren.

Daarover zegt Isaiah Berlin: "Deze botsingen tussen waarden zijn inherent aan het wezen van waarden en aan het wezen van de mens. Als ons wordt verteld dat die tegenstrijdigheden zullen worden opgeheven in een volmaakte wereld waarin alle goed dingen in principe met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht, dan moeten wij degenen die ons dat vertellen antwoorden dat de betekenissen die zij geven aan de benamingen waarmee voor ons die tegenstrijdige waarden worden aangegeven, niet de onze zijn. Wij moeten zeggen dat een wereld waarin volgens ons onverenigbare waarden niet strijdig met elkaar zijn, ons voorstellingsvermogen volkomen te boven gaat; dat principes die in die andere wereld met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht niet behoren tot de principes waarmee wij in het dagelijkse kleven vertrouwd zijn; als ze worden veranderd, dan is dat in begrippen die ons op aarde niet bekend zijn. Maar wij leven op aarde, en híer moeten we in iets geloven, en handelen. (…) Ik kan slechts zeggen dat al diegenen die op zo’n gerieflijk bed van dogma’s rusten het slachtoffer zijn van een vorm van zelfopgelegde kortzichtigheid, met oogkleppen die dan misschien wel tot tevredenheid leiden, maar niet tot inzicht in wat het betekent mens te zijn".

Het inzicht in de onverenigbaarheid van onze meest wezenlijke doelstellingen moest worden veroverd op de Verlichting, die, zoals men weet, uitging van de idee van een natuurlijke orde, innerlijk harmonieus en in principe kenbaar. Berlin ziet in deze van oorsprong Platonische opvatting drie elementen: ten eerste dat op elke vraag slechts één juist antwoord kan (en moet) bestaan; ten tweede dat er ergens een betrouwbare methode beschikbaar is die naar dit antwoord voert; tenslotte dat alle juiste antwoorden op belangrijke vragen per definitie met elkaar harmoniëren. Die elementen typeren niet alleen de Verlichting, ze zijn drie pijlers van de Westerse cultuur, maar ze worden in de zeventiende en vooral in de achttiende eeuw op een bijzondere wijze getransformeerd. Deze drie veronderstellingen poneren een eenheid die niet bestaat. Ze transformeren de wereld tot een geordende entiteit die ook voor de mens harmonie belooft. Daardoor maken ze in principe onze cognitieve, zingevende en sociale activiteiten makkelijker dan ze in feite zijn, want hoewel we daarbij op vele hindernissen stoten, die zullen niet voor altijd in onze weg blijven staan. Daaruit blijkt dat zelfs onder de ‘verlichte’ opvattingen een (verdunde) variant van de idealistische verleiding aan het werk is, een zwakke echo van de veel oudere mythische denkstijl, die, zoals we nog zullen zien, daarmee een familieverwantschap vertoont.

Al vlug raakte het geloof in een natuurlijke orde in diskrediet door de drie moderne revoluties: de Franse, de industriële en de romantische omwenteling. De conservatieve of revolutionaire mensbeelden, die na de drie omwentelingen ontstaan, zijn zonder meer een reactie daarop. Berlin acht de romantische revolutie ongemeen belangrijk, als een beslissende bijdrage aan het moderne mensbeeld. De radicale romantici zagen immers in de bevestiging van chaos, beweging en allerlei vormen van verdeeldheid de voorwaarde voor een waarachtige, volstrekt gesubjectiveerde creativiteit. De heroïsche, radicale en vaak extreem eenzijdige toon in het werk van sommige moderne cultuurcritici vindt zijn verklaring in hun romantische inspiratie. Hun mensbeelden dragen daarvan de stempel. Hoewel er over tijd heen gemeenschappelijke trekken te ontwaren zijn, toch zijn ze in de eerste plaats persoonlijke scheppingen, veelvormig en onderling tegengesteld. Van een configuratie van waarden is geen sprake meer.

Vervolgens gaat met de moderniteit een merkwaardige verbreding van onze geestelijke en materiële reikwijdte gepaard: het ego, in de eerste plaats dat van intellectuelen, betrekt zich niet meer alleen op de eigen omgeving of persoonlijke belangen, het voelt zich in toenemende mate verantwoordelijk voor het wel en wee van de eigen klasse, de staat, het eigen volk, de proletariërs, de nationale en zelfs de Europese cultuur. Die geestelijke horizonsverruiming (die paradoxalerwijze het pendant is van de inkrimping van tijd en ruimte, bijvoorbeeld van de ontwikkeling van het spoorwegennet, de uitvinding van de auto en de toenemende invloed van de massamedia) legde een nieuwe last op de schouders van een steeds maar groeiende groep mensen. Het werd moeilijker zich in die verbrede ruimte te oriënteren en daarin zinvol op eigen kracht te handelen. Het is dan ook geen wonder dan de verleiding tot een passieve levenstijl, die volgens Ricoeur verwantschap vertoont met de inertie in de fysische wereld, onder druk van die lastenverzwaring aanzienlijk in kracht toenam. De Franse filosoof noemt ons verlangen om niet te zijn misschien wel onze diepste passie. In ieder cogito zijn er van nature inerte, passieve krachten waarop de vrijheid zichzelf moet veroveren. Ricoeur onderstreept hoe de passies leiden tot een soort mauvaise foi, een excuus, waarin het tot vrijheid geroepen subject zijn vrijheid opgeeft en zich daarbij beroept op een onoverkoombare fataliteit: het beweert dat het niet anders kan dan te buigen voor sterke machten van binnen of buiten. In vele moderne mensbeelden is dat verlangen naar passiviteit aanwezig, zowel in een heroïsche als in een mildere variant. In de heroïsche variant lost het vrije cogito zich op in de stuwkracht van een of andere passie (bijvoorbeeld het extreme nationalisme), waarbij het zich gewillig laat transformeren tot een automaat. Daarbij ervaart het nochtans een gevoel van verlossing, een vreugdevolle, soms bijna extatische bevrijding door de volkomen overgave aan een enthousiasme dat de noodzaak van doordachte, weloverwogen beslissingen uit de weg ruimt.

De door conservatieven vurig bestreden en door romantische naturen extatisch verheerlijkte waardepluriformiteit (die neerkomt op een ontkenning van ons verlangen naar eenheid) én de dialectiek tussen onze actieve bestaanswil en onze natuurlijke en door de moderne omstandigheden erg versterkte passiviteit spelen een rol in de constructie van vele (conservatieve of revolutionaire) mensbeelden in de negentiende en de twintigste eeuw. Hun ontwerpers mengen beide tegenstellingen in allerlei verhoudingen en in verschillende intensiteiten door hun creaties, wat een bijdrage levert aan de gespannen samengesteldheid en verdeeldheid daarvan. Met het oog op dit alles kan men beseffen hoe complex het mensbeeld is en hoezeer de interpreet, die ze aan een onderzoek onderwerpt, zijn hermeneutische messen zal moeten slijpen om de wisselende krachtsverhoudingen tussen al die lagen en samenstellende delen correct in te schatten.

Die inwendige gelaagdheid geeft een mensbeeld van binnen uit de gestalte van een dynamisch, soms zelfs conflictueus geheel. Toch is het vooral de uitwendige relatie met de historische cultuur die mensbeelden veranderlijk maakt. Een voor de hand liggend voorbeeld is de ondergang van de verzuiling in Nederland, waarvoor Kwant een aantal oorzaken opsomt. Een wat breder voorbeeld is de overgang van het mythische naar het kritische denken die beide hun eigen type mensbeelden produceren.

(wordt vervolgd)

0 reacties:

Een reactie plaatsen