vrijdag 17 februari 2012

Het precieze gebruik (4861 -4880)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4861 – 4880)

4861. het pijnlijke succes van Duitsland: de socialist Gerhard Schröder wou tussen 1998 en 2005 in een coalitie met de groenen proberen om het Duitse sociale model een nieuwe impuls te geven. Het land vocht met een hoge werkloosheid die maar niet wou zakken. Schröder vroeg personeelsdirecteur Peter Hartz van Volkswagen om voorzitter te worden van een commissie die, onder meer, de arbeidsmarkt moest hervormen. De voorstellen van Hartz werden tussen 2003 en 2005 geleidelijk goedgekeurd en uitgevoerd. Als sommigen het beleid van Schröder vandaag als voorbeeld stellen, hebben ze vooral de laatste reeks maatregelen voor ogen die bekend is als Hartz IV. Om werklozen ertoe aan te zetten om sneller een baan te zoeken of te accepteren, wilde Hartz het werkloosheidsstelsel herzien. Werklozen zouden voortaan in het eerste jaar van hun werkloosheid nog 70 procent van hun laatste loon krijgen. Daarna zouden ze het moeten stellen met een bedrag van, toen, 345 euro per maand. Het hele pakket maatregelen dat werd voorgesteld, was uiteraard breder. Maar vooral de aanpak van werklozen had grote gevolgen. Sociaal verwees de ingreep bijna twee miljoen Duitsers naar de armoedestatistieken. Politiek brak de sociaaldemocratische SPD van Schröder in tweeën: een meer radicale linkerzijde met voormalig SPD-leider Oskar Lafontaine besloot om scheep te gaan met de voormalige Oost-Duitse communisten. Schröder gokte, schreef nog in 2005 vervroegde verkiezingen uit en verloor. De stemmen die de SPD als gevolg van Hartz IV aan uiterst links verloor, kostten hem het kanselierschap. Hij stapte uit de politiek en ging voor rekening van de Russische olie- en gasreus Gazprom werken. De SPD herstelt nog van de klap.

4862. poëzie: voor velen een vervelende of truttige winkeldochter. Geen wonder, slechts weinigen dragen de dag van vandaag niet alleen zorg voor hun lichaam maar ook voor hun ziel. En als iemand eenmaal te eten heeft en het niet al te koud is in de winter, dan betekent cultuur de zorg voor de ziel. Het is op den duur vervelend en zelfs ergerlijk overal die welgetrainde en vlekkeloos opgepoetste lichamen te zien rondlopen met daarin een verfrommeld innerlijk dat in geen jaren een washandje heeft gezien.

4863. het beperkte ik: de Poolse dichteres Wislawa Szymborska (1923-2012:

'Beschuldig me er niet van, ziel, dat ik je zelden heb.
Ik vraag aan alles om vergeving dat ik niet overal kan zijn.
Ik vraag aan allen vergeving dat ik niet iedereen kan zijn.
Ik weet, dat zolang ik leef, niets mij kan rechtvaardigen, omdat ik mezelf in de weg sta.'

4864. de laatste neologismen: een drive-in funerarium (een moderne versie van het traditionele lijkenhuis); geniet en bekritiseer met mate (een bierslogan toegepast op de intellectuelen); gun de crisis wat chronos (over de Grieken).

4865. Griekenland: in het land van de eerste filosofen is het precies dezelfde klasse van weldoorvoede lieden als in België en Nederland die aanzienlijk minder en soms zelfs geen belastingen betaalt , de meest succulente overheidssubsidies binnenrijft en dan begint te klagen over de verdorven aard van die klassen die 'tegen alle redelijkheid in' het wagen openlijk te morren en tegen hen te betogen.

4866. Valentijn: de dag van de eerste hulp bij bloemgevallen.

4867. het nut van filosofen: voor de nog overal rondhollende sciëntisten en voor al diegenen die iedere nacht uitsluitend met alleszaligmakende getalletjes naar bed gaan geef ik hieronder een bescheiden lijstje met bijdragen van wijsgeren aan onze cultuur.

# Diderot - De Verlichting
# Socrates - Kritisch denken
# Aristoteles - Formele logica

# William Ockham - Ockhams scheermes
# Adam Smith - Moderne economie

# Machiavelli - Politieke filosofie
# Francis Bacon - De wetenschappelijke methode
# David Hume - Het empirisme
# Voltaire - Burgerlijke vrijheden, vrijheid van godsdienst
# Montesquieu - Scheiding van de drie machten
# John Locke - Liberalisme, natuurlijke rechten
# Thomas Hobbes - Het sociale contract, een uiterst realistisch mensbeeld
# René Descartes - Analytische meetkunde
# Godel, Frege, Boolos - Grondslagen van de computertheorie
# Singer - De beweging voor dierenrechten
# Rawls - Rechtvaardige democratieën

4868. gnadenlos fanatisch: net zoals Richard Dawkins leeft Sam Harris in de illusie dat het mogelijk moet zijn om godsdienst uit de wereld te helpen. Wie dat niet gelooft, omdat heel wat mensen zich nu eenmaal graag vastklampen aan een bovennatuurlijk houvast, heeft volgens Harris een ‘laatdunkende, fantasieloze en pessimistische kijk op de mensheid'. In het universum van de nieuwe atheïsten is religie nu eenmaal een afwijking: ‘De grens tussen geestesziekte en respectabel godsdienstig geloof is soms moeilijk te ontwaren.' In het geval van Harris kan men zien tot welke aantoonbaar idiote theorieën iemand besluit die geen benul heeft van de onuitroeibare, want met zijn natuur gegeven kleinheid van de mens , van zijn meervoudige beperktheid waardoor hij als een zwak wezen overal en om de haverklap naar reddende handen, liefde, troost en sterkte verlangt, desnoods op imaginair niveau. Daarom zal God opnieuw verschijnen, maar wellicht in een heel nieuwe gedaante die met zijn vroegere gestalte maar weinig te maken heeft.

4869. gnadenlos wissenschaftlich: met zijn nieuwe boek Het morele landschap zet dezelfde Sam Harris keihard de bijl in Humes onderscheid tussen de beschrijving van wat is (het is, de wetenschap) en die van wat moet zijn (het ought, de moraal). De Amerikaanse filosoof en neurowetenschapper, die bij ons bekend werd met het atheïstische pamflet Van God los, wil in zijn nieuwe boek al dat ‘filosofische struikgewas' weghakken en aantonen dat onze opvattingen over goed en kwaad wel degelijk binnen het bereik van de wetenschap liggen. Er bestaan natuurlijk wél goede en foute antwoorden op morele vraagstukken, vindt hij. Die antwoorden voor eens en voor altijd achterhalen vindt hij zelfs de belangrijkste wetenschappelijke opdracht voor de 21ste eeuw. Dit boek zal verzet oproepen, weet Harris. Velen zullen het fundamentalistisch vinden, sciëntistisch of dogmatisch. Het is dit allemaal, maar het is vooral dom. Het is immers gebaseerd op een verkeerde opvatting over de mens (rationeel, verbeterbaar, met een greep op zichzelf, verwikkeld in een proces van onstopbare vooruitgang, die bovendien probleemloos en eenduidig beschrijfbaar en realiseerbaar is). Ik raad hem en zijn geestesgenoten aan de argumenten van enkele correctoren van de Verlichting (bijvoorbeeld die van Isaiah Berlin) of de boodschap van vele moderne kunstenaars eens grondig te overdenken. Het minste dat we daaruit moeten onthouden is dat de mogelijkheden van de mens nogal beperkt zijn en dat wat voor de enen vooruitgang is achteruitgang betekent voor de anderen of wat onder een bepaald aspect (bijvoorbeeld het economische) als vooruitgang kan worden gezien onder een ander absoluut als achteruitgang moet worden beschouwd (bijvoorbeeld het morele of het sociale).

4870. overtuigende argumenten:'Kom op', zegt mijn zeer wetenschappelijke vriend dan, 'geef me dan een overtuigend argument voor je filosofische kritiek op mijn opvattingen'. Al geef ik tien argumenten, geen enkele zal doordringen tot een oor dat eraan gewend is te opereren binnen een andere cognitieve structuur, dat alleen functioneert binnen de regels van de taalspelen die het al jaren speelt (en dat onder het prestigieuze gezag van de natuurwetenschap!) en dat niet bereid is of niet in staat is om zich in te schakelen in een jarenlang opvoedingsproces waarin het een zekere gewenning en daardoor een zekere openheid voor het andere en het nieuwe kan verwerven. 'Laat maar zitten', zeg ik daarom tegen mijn vriend. Want zoals de gemiddelde Waal het beneden zijn stand vindt Nederlands te leren (Waarom zou hij? Hij spreekt al de cultuurtaal Frans!), zo daalt de exacte wetenschapsman doorgaans niet af naar her volgens hen zeer lage niveau van de humane wetenschap. Omdat die méprise zeer onterecht is, maar op dit moment oncorrigeerbaar doet een verstandig man er beter het zwijgen toe.

4871. cognitieve openheid: ook hier is het geloof zonder de werken dood.

4872. Fortis-topmannen veroordeeld: dat de Nederlandse rechtswereld, heel anders dan de Belgische, nog enigszins de zaak van de algemene rechtvaardigheid dient blijkt uit de veroordeling van enkele voormalige Fortis-topmannen. Het gaat om Jean Paul Vortorn en Gilbert Mittler, respectievelijk voormalig bestuursvoorzitter en financieel directeur bij Fortis. Zij zouden in de zomer van 2008 koersgevoelige informatie hebben achtergehouden. Zo werden beleggers op het verkeerde been gezet. De beleggers spanden een rechtszaak aan. De rechtbank bepaalde dat het achterhouden van negatieve informatie neerkomt op een onrechtmatige daad. Aan een kleine groep vermogende particulieren moeten de twee nu een schadevergoeding betalen die nog bepaald moet worden.

4873. veroordeelde heksen in ere hersteld (1): de stad Keulen geeft na 400 jaar alle veroordeelde heksen eerherstel. De gemeenteraad raakte het eens over een verklaring waarin het onrecht van de heksenvervolging wordt veroordeeld. Vorig jaar besloten ook enkele kleinere Duitse gemeenten tot een gelijkaardig eerherstel. Dat meldt de katholieke Duitse radiozender Domradio. Volgens specialisten werden in Europa in de zestiende en zeventiende eeuw 40.000 tot 60.000 vrouwen, mannen en kinderen slachtoffer van heksenprocessen. In het Heilige Roomse Rijk alleen al vielen 25.000 doden. De beschuldigingen waren vaak vaag en niet zelden werden onschuldigen omgebracht als gevolg van afgunst, hebzucht of persoonlijke afkeer.

4874. veroordeelde heksen in eer hersteld (2): de heksenprocessen waren een misdaad die niet alleen uitging van de Kerk, maar zij waren ook een uiting van een in die tijd wijdverbreid, erg dogmatisch 'rationalisme' dat een als verfoeilijk beschouwde vorm van irrationalisme met huid en haar wenste uit te roeien. Ook het huidige sciëntistische rationalisme vertoont een neiging alles buiten zichzelf als irrationeel en daarmee als verboden en verachtelijk op te vatten. Dit acht ik gevaarlijk. Freud is hun eerste heks, het postmodernisme de tweede. Je zal zien, op den duur gaan alle humane wetenschappen zonder onderscheid in de moordkuil.

4875. overtrokken rationalisme: mijn wantrouwen in bijzonder rationele lieden, the best and the brightest, wortelt in de vaak zeer negatieve, zoniet desastreuze afloop van hun ondernemingen. Een flinke dosis scepsis is gepast als je de overtuigingen leert kennen van gediplomeerde, succesrijke en in het establishment opgenomen generaals, economen en deskundigen van allerlei slag. Dit noodzakelijke wantrouwen komt echter niet neer op de ontkenning van het belang van het gevormde verstand. Het wortelt veeleer in de vaststelling dat bij zulke lieden de ratio onterecht het alleenrecht krijgt waardoor iets veel belangrijkers - de liefdevolle bejegening van de medemens - onder tafel verdwijnt.

4876.de index: meten is weten. Als de index je niet zint schaf je de maatstaf af.

4877. angst: wie niet veel en intens sport heeft angst voor zijn lichaam. Voor zo'n persoon is zijn lijf verregaand een onbekende en vooral iets onbetrouwbaars. Die angst vertakt zich dan in vele andere waarvan hij de bron niet begrijpt.

4878. de waardenvrije wetenchap: uit gelekte documenten blijkt dat het Heartland Institute, de meest bekende denktank van klimaatontkenners, in belangrijke mate betaald wordt door de olie-industrie.

4879. hoog abstractieniveau: een veelvoorkomend truc van allerlei retorici is in de vlucht naar een hoog abstractieniveau. Zo legitimeert de Belgische ex-premier Dehaene zijn EU-inzet door het feit dat hij 'de toekomst van de burgers veilig wil stellen' en 'dat bepaalde beslissingen op het juiste niveau moeten worden getroffen'. Nog straffer is de Kerk, die in haar missen luidop laat voorlezen dat we 'het goede moeten doen en het kwade laten'.

4880. moed: omdat er in onze streken op dit moment geen echte slagvelden meer te vinden zijn krijgt de deugd 'moed' een heel andere betekenis: misschien komt 'moed' er nu op neer dat je iets van de waarheid durft te suggereren tegen je baas en tegen diegenen die zich presenteren als je sociale superieuren.

maandag 13 februari 2012

Het precieze gebruik (4841 - 4860)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4841 – 4860)

4841. Steven Pinker en de beschaving: de filosoof Gary Gutting schrijft op de website van de New York Times over Steven Pinkers nieuwe boek The better Angels of our nature: why violence has declined. Pinker stelt dat onze tolerantie voor geweld heeft afgenomen. Dit doet enigszins denken aan de beschavingsopvatting van Norbert Elias die beweerde dat beschaving neerkomt op het onderdrukken van allerlei spontaan-instinctieve en lichamelijke reacties (waaronder de gewelddadige). Onder toenemende sociale druk (ik heb de anderen steeds meer nodig voor het bereiken van mijn doelen en de vervulling van mijn behoeftes) wordt geweld naar buiten vervangen door geweld naar binnen (zelfdwang). Gutting wijst er echter op dat onze tolerantie voor menselijk geweld groter wordt als er geen westerlingen bij betrokken zijn. Congo laat ons koud. Terwijl Pinker denkt (en dat is volgens mij zijn grootste fout!) dat de rationaliteit aan de grondslag ligt van het beschavingsproces denkt Gutting dat het door onze emoties komt. Wij doden de anderen minder omdat we opzien tegen de gevolgen van moord en doodslag. Onze tolerantie voor menselijk geweld is afgenomen omdat economisch inzicht tijdelijk heeft gewonnen van romantiek. Tijdelijk.

4842.wanneer inleveringen nuttig zijn: Yves Desmet in De Morgen: " Willen we de begrotingsdoelstellingen halen, en op die manier de fundamenten van deze welvaarts- en verzorgingsstaat blijvend garanderen, dan zal eenvoudigweg iedereen daarvoor een stukje moeten bijdragen. En dat kan alleen wanneer minstens de indruk gewekt wordt dat de lasten daarvoor evenredig, gelijkmatig en proportioneel gespreid worden. Daar stelt zich vandaag een probleem. Er valt niet naast te kijken dat een bepaalde categorie van zeer grote bedrijven en banken voor zichzelf een parallel universum heeft gecreëerd, waar niet de regels gelden die voor andere gelden. Wanneer een ondernemer zijn zaken slecht beheert, onverantwoorde risico's neemt en geld uitgeeft dat hij niet heeft, gaat hij failliet. Wanneer topbankiers dat doen, blijven ze zitten, rapen verder riante bonussen op en betaalt de gemeenschap de factuur. Geen enkele besparing zal als billijk en rechtvaardig overkomen, zolang die top-één-procent van de samenleving er van vrijgesteld blijft".

4843. de noodzaak van maatschappelijke compassie: Hugo Camps in De Morgen: "De toekomst van het liberalisme: ik heb er een hard hoofd in. Sociaal liberalisme is sowieso dood en begraven. Heeft iemand Alexander De Croo al gehoord over de fiscale onderduik van Bekaert? Of over de notionele intrestaftrek? Karel De Gucht wil een herbronning voor zijn partij. Tja, dat willen alle traditionele partijen wel. Maar hoe doe je dat in een vechtkabinet? Als ik Steven Vanackere hoor over fraude denk ik: hoezo, man van het ACW? Eerder buddy van Kris Peeters. Wouter Beke zit ook volop te schrijven over de herbronning van zijn CD&V. Ik ben zeer benieuwd. Beke is geen tafelspringer. Geen tralalafiguur. Zachte mens. De laatste christen met compassie, wie weet".

4844. de Tegenverlichting vandaag: vrijheid, ongelijkheid, vijandigheid.

4845. een strijderscultuur: in tijden dat je leven, je bezit en dat van je verwanten afhankelijk is van je lichamelijke sterkte, strijdlust en uithoudingsvermogen, in zulke tijden verschijnen mildheid, medelijden en inlevingsvermogen als een reeks van verfoeilijke eigenschappen. Bepaalde handelingen krijgen een vreemde betovering terwijl die voor moderne (dit wil zeggen gedomesticeerde) mensen veeleer afstotend zijn. Zopas las ik een mooi voorbeeld daarvan in een recente vertaling van het Nibelungenlied.

En de krijger liep naar de plek waar een dode lag.
Hij knielde bij de wonden en deed de helm af.
Toen begon hij te drinken van het stromende bloed.
Hoewel hij er niet aan gewend was, smaakte het heel goed.

4846. filosofen: de zelfbenoemde voorhoede van de intellectuelen.

4847. de laatste neologismen: utopische experimenten met meestal een dystopische uitkomst; de romantische mythe van het natuurpurisme die altijd weer wordt gebruikt om kritiek te leveren op de moderne, afgedwaalde en al te moeilijke maatschappij; het Nederlandse CDA zit in een balletschool vol spagaten; op tachtigjarige leeftijd het bijnalijkenpodium verlaten.

48. de noodzaak van desillusies: ik wantrouw iedere intellectueel die niet zijn deel aan desillusies over zich heen heeft gekregen. In het bijzonder geef ik niet hoog op van diegenen die de enthousiasmerende overtuigingen uit hun jeugd trouw zijn gebleven. Wie niet over belangrijke zaken (liefst meermaals) van mening verandert en daarbij telkens pijn lijdt is misschien volhardend, maar zeker geen mens die later in staat zal zijn iets verstandigs over menselijke aangelegenheden te zeggen.

4849. angst als de politieke bodem van deze tijd: nog een opmerking uit The Guardian over Ill fares the land, het laatste, uiterst belangrijke boek van Tony Judt (al in Nederlandse vertaling verschenen): "In Postwar and in the blazing, urgent polemic of his last book, Ill Fares the Land, Judt defended the European "social democratic" consensus of the postwar years and demolished the intellectual foundations of the Reagan-Thatcher epoch that followed. Today, he says here, all the postwar certainties about employment, health, culture or comfortable retirement have been replaced by a new condition of fear. "It seems to me that the resurgence of fear, and the political consequences it evokes, offer the strongest argument for social democracy that one could possibly make."

4850. de tuin (1): een stuk hybride compromisnatuur.

4851. de tuin (2): voor het vroegere radicaal natuuridealisme (Rousseau, Thoreau, Frederik van Eeden, Ton Lemaire) ontstond een aantrekkelijk alternatief: de gematigde cultuur van de tuin. Sinds de opkomst van de Engelse landschapstuin in de achttiende eeuw richt die tuincultuur zich op het creëren van vrijplaatsen voor de natuur binnen de moderne maatschappij zelf. Dat vergt van zo'n maatschappij weliswaar aandacht en zorg, maar weinig zelfbeperking, laat staan radicale zelfopheffing. Esthetische domesticatie van de natuur kreeg de voorkeur boven romantisch utopisme.

4852. de tuin (3): Patrick van der Kroeff in DGA: "Met de kunstmatig gecomponeerde natuur van een heel land is in beginsel net zo weinig mis als met een fraai aangelegd park of een prachtige wilde tuin. Zelfs als we op de lange duur van de hele aarde één kolossaal park weten te maken, zou dat geen verlies zijn, maar eerder de grootste winst waarop we nog mogen hopen. De fraaiste middenweg tussen natuur, cultuur en milieu. Immers, een absoluut ijkpunt voor pure of oorspronkelijke natuur is er niet".

4853. de tuin (4): veeleer dan een materieel ding is een tuin een van Dinglichkeit verregaand losgezongen betekenis. Zo'n toestand kan je met enige goede wil 'geestelijk' noemen.

4854. de doden: gelukkig blijven de doden zwijgen; zoniet bleven de potentaten onder hen hun schaduw werpen over de levenden.

4855. de mens: een mens is een menigte. Soms zie je jezelf in die menigte naar jou zwaaien.

4856. het postmodernisme: Benno Barnard: "Ik vind al heel lang dat het postmodernisme op het modernisme volgt als de droefgeestigheid op het orgasme".

4857. ongelofelijke simplismen: volgens het juryrapport van de VSB-prijs is de winnaar een dichter ‘die taal als voertuig hanteert om tot zorgvuldig opgebouwde gedichten te komen waarin ook zeker de emotie niet ontbreekt’. Onder de jury-leden waren een aantal academici.

4858. onze wil: als we zeggen dat we iets willen, doen we vooral wat de anderen willen. Authenticiteit, verregaande zelfcreatie en persoonlijke eigenheid, het zijn allemaal Rousseauiaanse dromen die slechts gedeeltelijk kunnen worden waargemaakt. Het is al moeilijk genoeg het beheer op ons te nemen van die kleine, door vele soorten prikkeldraad en door allerlei begroeiingen omrasterde weide waarin onze vrijheid z'n beperkte rondjes loopt.

4859. waar zitten de bohémiens?: de Amerikaanse politieke denker Charles Murray (68) kennen we van The Bell Curve (1994), een ophefmakend boek over de explosieve combinatie ras, klasse en IQ. Nu heeft hij een nieuw boek met Coming apart - the state of white America. Ditmaal dus niet over ras. Ofschoon het boek er nog niet eens is (wel een samenvatting van de auteur op WSJ.com), staat het al in de top-vijf en is het debat in de VS ook al losgebarsten. Blank Amerika is de laatste decennia uiteen gespat, schrijft Murray. Op het gebied van welstand, levensstijl en waarden bestond het land een halve eeuw geleden uit een enorme middenklasse die er een gelijksoortige dagelijkse routine op na hield, en soortgelijke ideeën over huwelijk, goed en kwaad, hard werken en religie. Dat is ingrijpend veranderd en de nieuwe tegenstelling is niet die van de Occupy-beweging: 1 procent superrijken tegenover 99 procent sukkels. Aan de bovenkant woont de 20 procent succesvollen in de fictieve wijk Belmont. Managers, advocaten, dokters, hoogleraren en media-mensen verdienen goed en onderhouden nog de levensstijl van een halve eeuw terug. Ze trouwen, voeden hun kinderen op met een ethiek van hard werken, doen vrijwilligerswerk en gaan naar de kerk. Aan de onderkant heb je in de wijk Fishtown de minder geslaagde 30 procent. Hier veel echtscheiding, eenoudergezinnen, kleine baantjes, bankzitten met obesitas en weinig kerkgang. Murray gaat een stap verder. Bij de bovenlaag heerst nog altijd een liberaal-libertaire moraal van schamperen over huwelijk en burgerlijkheid. De lagere klasse staat bekend om zijn conservatieve Amerikaanse waarden. Maar de praktijk is precies andersom: de bovenlaag kijkt wel uit om naar de eigen bohémien-ideeën te leven en onderhoudt een stabiel en degelijk bestaan. De bohémiens zitten in Fishtown op de bank en nu blijkt dat al die libertaire waarden voor hen evenzovele maatschappelijke faalfactoren zijn. Het is typerend voor Murray (en andere rechtse denkers zoals bijvoorbeeld T. Dalrymple) dat zij de sociaal-economische factoren (de werkeloosheid, de lage lonen, de ongunstige belastingsregelingen, het gebrek aan sociale voorzieningen en de geringe onderwijsmogelijkheden) niet ter sprake brengen en alle gedrag, dat daarvan het negatieve gevolg is, voor een flink stuk toeschrijven aan het vunzige niveau van de leden van de lagere klassen.

4860. de kunst: bij gelegenheid ontbloot de kunst iets veel belangrijkers dan de wetenschappelijke waarheid, met name de ervaring dat we klein zijn en dus altijd en op alle plaatsen door liefde willen worden omringd. Als de zich blijkbaar tot een raszuiver sciëntist ontwikkelende journalist Joël de Ceulaar (zie foto) beweert dat we ons voor de waarheid niet langer tot de al te fictieve kunsten kunnen wenden doet hij in de eerste plaats de waarheid geweld aan en bovendien geeft hij er blijk van niet te beseffen dat de waarheid door iets geheel anders in de schaduw kan worden gesteld.

zondag 12 februari 2012

Verjaardag


Vijfenzestig

karig en schamper
amper klit hij aan het nu

bewijsbaar in het bezit
van het nationale
transportreductiebewijs (de metro van Brussel,
de Walen,
de bussen, de treinen aldaar uitgezonderd)

getemd, gebakken, goed gespijsd (want
wie is er machtiger dan de vakbond
van de ambtenaar?)

langzaam en niet zonder spijt
door de zeef gevallen van het goede, het schone, het ware,
een menigte, een dubbelganger, lenig als een leugenaar,
een vierde kopie op zoek naar het origineel

geen god meer, geen meester
(ook Dawkins niet of Darwin)
geen mens meer, geen beest

en toch
geeft hij nog geenszins
de moegetergde geest

zaterdag 11 februari 2012

De dood is alleen maar zwijgen



Voorbij de openbare begraafplaats

je ligt - je bent niet meer jezelf
tussen het gelig zand en de boerenaarde
waarop je al die jaren asperges, rabarber
en magere voederbieten
de hemel in bad

op die precieze plaats kwam je
nergens terecht, - nooit sla je nog een praatje
met de een of de andere klant, volkomen zorgeloos
loopt zelfs de stilte uit je dode vingers en
geen mens weet waarheen of waartoe

je roeping is zwijgen en dat past je niet,- jij
die in mij het woord plantte en bewaterde,
die heel nauwkeurig namen gaf aan wat bewoog in de zielen
van je buren (je kende ze, ze waren je lot)

als ik voorbijfiets roep toch maar even een klinker
van wind en dag, blaas die als een gedachte
door diegene die nog leven moet
jij hoort het niet ik hoor het

donderdag 9 februari 2012

John Gray tegen de Freudbashers



De mens is een dier en dat vinden de rationalisten (ondanks hun zo geliefde evolutionaire opvattingen over de mens die Freud voor een flink stuk gelijk geven) uiteindelijk ontzettend


SIGMUND FREUD schreef begin jaren dertig aan Albert Einstein dat 'de mens een actief instinct heeft voor haat en destructie' en plaatste dat 'instinct om te vernietigen en te doden' tegenover een ander dat hij erotisch noemde - een instinct 'om te behoeden en verenigen', een instinct voor de liefde.

Zonder te veel te speculeren, vervolgde Freud, zou je kunnen veronderstellen dat die instincten werken in ieder levend wezen, met wat hij noemde 'het doodsinstinct' - thanatos - dat 'zijn verwoestende werk deed en het leven reduceerde tot zijn oerstaat van inerte massa'. Het doodsinstinct leverde 'de biologische rechtvaardiging voor al die lage, kwaadaardige neigingen [tot oorlog] waar we nu tegen strijden'.

Freud besloot met de woorden dat al dat gepraat over eros en thanatos Einstein de indruk kon geven dat de psychoanalytische theorie neerkwam op een 'soort van mythologie, en dan een duistere soort'. Maar zonder schroom vroeg Freud aan Einstein: 'Leid niet elke natuurwetenschap uiteindelijk hiertoe - een soort mythologie? Is het tegenwoordig anders met uw natuurkunde?'

Tegenwoordig is het idee dat psychoanalyse geen wetenschap is algemeen verbreid, maar geen onderdeel van Freuds nalatenschap is zo omstreden als de theorie van het doodsinstinct. Het idee van het instinct wordt al gewantrouwd. Praten over menselijke instincten, of zelfs de menselijke natuur, wordt afgedaan als een vorm van intellectueel atavisme: menselijk gedrag wordt beschouwd als veel complexer en tegelijk meer vatbaar voor rationele controle dan Freud geloofde of veronderstelde. Theorieën van het menselijk instinct dienen er alleen toe om die impulsen tot vooruitgang en rationaliteit te blokkeren die (gezien alle hoon jegens het idee van een menselijke natuur) worden beschouwd als essentieel menselijk.

Freuds ideeën worden vandaag de dag niet simpelweg verworpen als fout. Ze worden afgewezen als gevaarlijk of immoreel; de 'duistere mythologie' van strijdende instincten wordt veroordeeld als een belastering van de menselijke soort, waarvan de fundamentele edelmoedigheid nooit ontkend mag worden, dat is heiligschennis. Vanaf het begin heeft gerechtvaardigde verontwaardiging mede de reactie bepaald op het denken van Freud. Maar de nieuwe kracht ervan kan een van de meer opvallende kenmerken van het intellectuele leven aan het begin van de 21ste eeuw helpen verklaren, een tijd die in zijn eigen ogen meer verlicht is dan enige andere: de intense impopulariteit van Freud, de laatste grote Verlichtingsdenker.

FREUD, die werd geboren in Oostenrijk-Hongarije in 1856 en stierf in Londen in 1939, is algemeen bekend als de bedenker van het idee van het onderbewuste. Maar dat idee kan al worden gevonden bij enkele denkers vóór hem, zoals bij de filosoof Arthur Schopenhauer. Je kunt beter zeggen dat Freud ernaar streefde het onderbewuste onderwerp van wetenschappelijk onderzoek te maken - een typisch Verlichtingsproject om de wetenschappelijke methode uit te breiden tot voorheen onontgonnen gebieden. Veel andere twintigste-eeuwse denkers wilden het menselijk leven onderzoeken en beïnvloeden middels de wetenschap en de rede, het gemeenschappelijke doel van de ruziënde familie van intellectuele bewegingen, vanaf de zeventiende eeuw, die de Verlichting vormden. Maar door het Verlichtingsproject toe te passen op verboden regionen van de menselijke geest liet Freud, meer dan wie ook, de beperkingen van het project zien.

Freud begon met onderzoek naar hysterie, waarover hij concludeerde dat hysterische symptomen vaak een weerspiegeling vormden van de voortdurende invloed van verdrongen herinneringen, en ontwikkelde de psychoanalyse - waarin het idee centraal stond dat veel van ons geestelijk leven onderdrukt, verdrongen, is en ontoegankelijk voor het bewustzijn.

De praktijk van psychotherapie die Freud begon - de zogenaamde 'praatkuur' - opperde het idee dat psychologische conflicten overwonnen kunnen worden doordat degene die eraan lijdt inzicht verkrijgt in de vroege ervaringen die de oorsprong ervan kunnen zijn. Latere denkers zouden kritiek hebben op Freuds nadruk op vroege ervaringen en op de beweringen die hij zou hebben gedaan over de therapeutische waarde van psychoanalyse. Toch twijfelden verscheidene generaties intellectuelen er niet aan dat hij een denker van groot belang was. Pas sinds kort zijn zijn ideeën breed in diskrediet gebracht en verworpen. In het begin werden Freuds opvattingen van de hand gewezen vanwege het centrale belang dat hij toekende aan seksualiteit bij de vorming van de persoonlijkheid, tegenwoordig worden ze afgeserveerd omdat ze ervan uitgaan dat de mens onherstelbaar bedorven is. Niet Freuds nadruk op seksualiteit is de bron van schandaal, maar de stelling dat mensen destructieve neigingen bezitten.
De controverse die om Freud heen hangt is nog intrigerender omdat het idee dat de mens wellicht een destructieve impuls bezit nooit alleen aan hem voorbehouden is geweest. Vele denkers koesterden vergelijkbare gedachten rond het begin van de vorige eeuw, onder wie een die grotendeels vergeten was tot een vroeg gedeelte van haar levensverhaal de aandacht trok van filmmaker David Cronenberg. Sabina Spielrein, de centrale figuur in A Dangerous Method (die uitkomt op 10 februari), verschijnt in de film als een hysterische jonge vrouw, die een voorliefde voor sadomasochistische seks aan de dag legt nadat ze is misbruikt door haar vader, in een inrichting wordt geplaatst en wordt behandeld door Jung, die vervolgens haar minnaar wordt.

Het verhaal van de film lijkt niet ver af te staan van wat er in werkelijkheid gebeurde. Spielrein ervoer inderdaad een verscheidenheid aan persoonlijke moeilijkheden, en werd een tijd opgesloten in een inrichting. Of zij en Jung minnaars waren is niet bekend; maar de consensus onder de mensen die de episode hebben bestudeerd is dat wat er tussen hen gebeurde verder ging dan wat normaal gesproken verwacht mag worden, toen en nu, in een professionele relatie. Waar Spielrein wordt herinnerd, is het als een bijfiguur in het zich ontwikkelende conflict tussen de twee psychoanalytische grondleggers. Dat is jammer, want ze was veel meer dan dat. Spielrein onderwees en praktiseerde als psychotherapeut (de ontwikkelingspsycholoog Jean Piaget was een van haar patiënten) en leverde belangrijke bijdragen aan de psychoanalytische theorie, waarvan sommige aspecten terug te zien zijn in Freuds latere werk. Ze kwam uit een Russisch-joodse familie van artsen en psychologen en verhuisde begin jaren twintig naar de Sovjet-Unie, waar ze trouwde en kinderen kreeg en werkte met de neuroloog Alexander Luria, onder anderen. Informatie over haar leven en werk na dit punt is vaag. Wat bekend is, is dat Spielreins echtgenoot en enkele leden van haar familie slachtoffer werden van de terreur van Stalin, en dat Spielrein zelf werd doodgeschoten, samen met haar kinderen en de rest van de joodse bevolking van haar geboortestad Rostow, na door de SS in 1942 door de hoofdstraat te zijn gevoerd. Ze werd vervolgens begraven in een massagraf samen met duizenden anderen.

Als Spielreins leven werd verwoest, dan was het niet door haar ontmoeting met Jung (hoewel ze spijt kan hebben gehad van hun relatie). Ze kwam die ervaring te boven en produceerde enkele van de interessantste ideeën van de beginjaren van de psychoanalyse. Haar paper Destruction as a Cause of Coming into Being, uitgesproken als lezing voor een vergadering van de Weense Psychoanalytische Gemeenschap, waarvan Freud in 1911 voorzitter was, kondigt Freuds bewering al aan dat mensen worden geregeerd door twee tegengestelde instincten. Spielrein suggereerde dat mensen worden gedreven door twee fundamentele impulsen, waarvan de ene hen aanzet tot onafhankelijkheid en overleven, en de andere tot voortplanting en dus (vermoedde zij) het verlies van individualiteit. Spielreins opvatting verschilt van die van Freud op enkele punten - met name het verband dat zij legt tussen de impuls tot voortplanting en de destructie van het individu. Die verschillen wijzen op de invloed van Schopenhauer, die vorm gaf aan een groot deel van het denken van de Centraal-Europese intelligentsia aan het begin van de twintigste eeuw. Schopenhauers invloed op de cultuur van het Europese fin de siècle kan nauwelijks worden overschat. Zijn idee dat de menselijke intelligentie de blinde dienaar is van de onbewuste wil is terug te vinden in de geschriften van Tolstoj, Conrad, Hardy en Proust. Maar Schopenhauers grootste en langdurigste invloed lag in zijn twijfel aan de overheersende visie op de menselijke geest - een visie die het westerse denken had gevormd ten minste sinds Aristoteles, die gedurende het christelijke tijdperk belangrijk bleef en de Europese Verlichting onderbouwde.

Schopenhauer betekende een belangrijke uitdaging voor de overheersende wereldbeschouwing van de Verlichting. In een groot deel van de westerse traditie werden het bewustzijn en het denken behandeld als vrijwel identiek; de mogelijkheid dat denken onbewust kon zijn werd bijna per definitie uitgesloten. Maar voor Schopenhauer was het bewuste gedeelte van de menselijke geest slechts het zichtbare oppervlak van het innerlijke leven, dat eerder gehoorzaamde aan de niet-rationele imperatieven van lichamelijk verlangen dan aan bewuste afwegingen. Het was Schopenhauer die, in een geprezen hoofdstuk over 'De Metafysica van Seksuele Liefde' in Die Welt als Wille und Vorstellung, het primaire belang van seksualiteit in het menselijk leven bevestigde en suggereerde dat de seksuele impuls opereert onafhankelijk van de keuzes en intenties van individuen, zonder aandacht voor - en vaak ten koste van - hun vrijheid en welzijn. Schopenhauer onderzocht ook de betekenis van dromen en de rol van versprekingen bij het onthullen van verdrongen gedachten en emoties, ideeën die Freud de zijne zou maken. Hoewel Freud hem zelden noemt, kan er nauwelijks twijfel over bestaan dat hij de filosoof goed heeft gelezen. Hoogstwaarschijnlijk deed Spielrein dat ook, wier opvatting van seksualiteit als een bedreiging voor individuele autonomie meer dan die van Freud lijkt op de visie van Schopenhauer.

Uit een bepaald perspectief was Freuds werk een poging om het idee van het onderbewuste dat wordt geponeerd in het werk van Schopenhauer over te planten naar het domein van de wetenschap. Toen Freud de psychoanalyse begon, wilde hij dat het een wetenschap zou zijn. Eén reden daarvoor was dat als zijn ideeën wetenschappelijke status zouden krijgen ze de tegenstand zouden kunnen overwinnen van moraliserende critici die bezwaar hadden tegen de centrale plaats van de seksualiteit in de psychoanalyse. Een andere reden was dat Freud het grootste deel van zijn leven er nooit aan twijfelde dat de wetenschap de enig ware bron van menselijke kennis was. Hier toonde hij de invloed van Ernst Mach (1838-1916), een Oostenrijkse fysicus en filosoof wiens ideeën in Freuds Wenen alomtegenwoordig waren. Voor Mach was de wetenschap niet een spiegel van de natuur maar een methode om menselijke ervaringen te ordenen, het beeld van de wereld voort te zetten en te verfijnen dat zich heeft ontwikkeld in het menselijke organisme. Als we dingen waarnamen zoals ze zijn, zouden we chaos zien, omdat veel van de orde die we waarnemen in de wereld daarin wordt geprojecteerd door de menselijke geest.

Hier ontwikkelde Mach - net als Schopenhauer - de filosofie van Kant verder, die geloofde dat de wereld die we waarnemen wordt gevormd door menselijke categorieën. Zoals algemeen wordt erkend is Kant een van de grootste filosofen van de Verlichting, die het als zijn taak zag de menselijke kennis te redden van de bijna-verwoesting die ze had ondergaan onder de aanvallen van David Hume, een Verlichtingsfilosoof van vergelijkbare statuur. Wat minder algemeen wordt begrepen is dat Kants invloed nieuwe kracht gaf aan de scepsis die hij juist wilde bestrijden. Schopenhauer nam Kant als vertrekpunt en kwam tot de visie dat de wereld zoals begrepen door de wetenschap een illusie was, terwijl ze voor Mach een menselijke constructie was. Tegen die achtergrond nam Freud aan dat wetenschap de enige bron van Kennis was, en accepteerde tegelijkertijd dat de wetenschap niet de aard der dingen kon onthullen.

HET IS een paradoxale positie, zoals de ontwikkeling van Freuds denken illustreert. Als wetenschap een systeem van menselijke constructies is, nuttig voor praktische doeleinden maar niet een letterlijke weergave van de werkelijkheid, wat maakt haar dan superieur aan andere denkwijzen? Als wetenschap eveneens een soort van mythologie is - zoals Freud stelde in zijn correspondentie met Einstein - wat wordt er dan van het Verlichtingsproject van het verdrijven van mythen door wetenschappelijk onderzoek? Dat waren vragen die op Freud af kwamen, en die hij in zekere mate beantwoordde, in de beschrijving van religie die hij ontwikkelde tegen het einde van zijn leven. In Die Zukunft einer Illusion had hij religie grotendeels geïnterpreteerd op de standaard-Verlichtingsmanier die in het recente verleden nieuw leven is ingeblazen, en nu zo vermoeiend bekend is: religie was een vergissing geboren uit onwetendheid, die vanzelf zou wegtrekken als er vooruitgang in kennis werd geboekt. Freud stelde nooit te veel vertrouwen in de rede en verwachtte niet dat religie zou verdwijnen; maar op dit punt leek hij ervan overtuigd dat de afnemende rol van religie in het menselijk leven iets goeds zou zijn.

De beschrijving van religie die hij tien jaar later gaf in Der Mann Moses und die monotheïstische Religion was gecompliceerder. In het eerdere boek had hij erkend dat, als antwoord op aanhoudende menselijke behoeften - met name de behoefte aan troost - religieuze overtuigingen geen wetenschappelijke theorieën waren; maar ze waren ook niet noodzakelijk onjuist. Terwijl religies misschien illusies waren, waren illusies niet gewoon vergissingen - ze konden waarheden bevatten. In Der Mann Moses und die monotheïstische Religion ging Freud verder door te stellen dat religie een essentiële rol had gespeeld in de ontwikkeling van het menselijk onderzoek. Het joodse geloof in een onzichtbare god was niet een overblijfsel van onwetendheid zonder enige positieve waarde. Door een verborgen realiteit te bevestigen had het idee van een onzichtbare godheid onderzoek gestimuleerd naar wat er achter de wereld lag dat niet bereikbaar was voor de zintuigen. Sterker nog, het geloof in een ongeziene god had mogelijk gemaakt dat een nieuw soort zelfonderzoek zich ontwikkelde - dat ernaar streefde de innerlijke wereld te exploiteren door te kijken onder de oppervlakte van het redelijke bewustzijn. Freuds poging om inzicht te verkrijgen in de onzichtbare werking van de geest was misschien een uitbreiding van de wetenschappelijke methode naar nieuwe gebieden, maar Freud bedacht uiteindelijk dat die vooruitgang alleen maar mogelijk was omdat de religie daarvoor de weg had geëffend. Zonder ooit zijn onwrikbare atheïsme op te geven erkende Freud dat de psychoanalyse haar bestaan dankte aan het geloof.

Door te aanvaarden dat de illusie productief kon zijn volgde Freud in de voetsporen van Schopenhauers afgedwaalde discipel Nietzsche. Op hetzelfde moment maakte Freud een beslissende breuk met een dominante tak van Verlichtingsdenken. Volgens Alasdair MacIntyre, die het idee ontwikkelde in zijn boek After Virtue, bracht Nietzsche de Verlichting tot een einde door te laten zien dat het project van een moraliteit die puur was gebaseerd op de menselijke wil zijn doel voorbij schoot. MacIntyre's betoog heeft de verdienste dat het erkent dat Nietzsche een Verlichtingsdenker was - en niet de verdwaasde irrationalist die de vulgaire intellectuele geschiedenis in hem ziet - én een van de grootste critici van de Verlichting. Maar het was Freud die de meer radicale breuk teweegbracht met het Verlichtingsdenken. Zelfs als hij het bereik ervan beperkt tot de absurde figuur van de Übermensch blijft Nietzsche een militant voorvechter van menselijke autonomie. Freud, in contrast daarmee ondanks vrijwel alles wat er over hem is geschreven - wilde zowel de grenzen van de menselijke autonomie markeren als haar uitbreiden. Zijn woorden tot een patiënt laten zien hoezeer zijn denken afweek van het idee van eindeloze menselijke mogelijkheden dat tegenwoordig zo vurig wordt verdedigd: 'Ik twijfel er niet aan dat het gemakkelijker zou zijn voor het noodlot om uw lijden weg te nemen dan het voor mij zou zijn. Maar u zult zelf zien hoeveel er is gewonnen als we erin slagen uw hysterische ellende te veranderen in gewoon ongelukkig zijn. Als u uw innerlijk leven hebt hersteld zult u beter in staat zijn u te wapenen tegen dat ongeluk.' De toon van deze vermaning - met het gebruik van de taal van het lot, verboden onder progressieve weldenkende mensen - kon niet verder af staan van hoe we in deze tijd voelen en denken.

IN SOMMIGE opzichten heeft Freuds opvatting van de psychoanalyse meer gemeen met de klassieke stoïsche kunst van het leven dan met enige moderne denkwijze. Zoals Philip Rieff stelde in Freud: the Mind of the Moralist (1959), dat nog steeds de meest diepgaande studie van het onderwerp is, zijn er goede redenen om te denken dat Freud een nieuwe versie van de stoïsche ethiek formuleerde. Het doel van de Stoïci was zelfbeheersing door de aanvaarding van een persoonlijk noodlot, een toestand die geacht werd samen te gaan met geestelijke rust. Door terug te kijken naar de peuter- en kleutertijd wees Freud op het feit dat het kiezende zelf - een van de centrale verzinsels van het liberale humanisme - zelf ongekozen is, gevormd in een staat van hulpeloosheid en sinds die ervaring er voorgoed door getekend. Het was dat belegerde zelf dat Freud wilde versterken: door inzicht te verkrijgen in de vroege ervaringen die onze gevoelens vormen, meende hij, kunnen we tot op zekere hoogte onze reactie op de wereld opnieuw ordenen. In dat opzicht stelde Freud een versie van stoïsche ethiek voor. Maar zijn stoïcisme verschilde van het klassieke stoïcisme op ten minste twee belangrijke manieren.

In de Meditaties van de Romeinse keizer Marcus Aurelius wordt zelfbeheersing verkregen door het zelf te identificeren met de kosmos, een semi-goddelijke orde der dingen die wezenlijk rationeel is. Freud was in de grond een onbuigzaam moderne denker en had niet zo'n mystiek geloof in logica als de essentie van het universum. De zelfbeheersing die hij voorstond, en praktiseerde, werd niet voorondersteld door de verlossende kracht van de rede. In plaats daarvan vereiste het aanvaarding van de chaos als een ultiem gegeven. Hier dient zich een tweede verschil met het klassieke stoïcisme aan: Freud bood nooit de hoop van rust en kalmte. Liever wilde hij dat de mensen die aan psychoanalyse begonnen zich verzoenden met een staat van eeuwige onrust. Zoals is beweerd door Adam Phillips, de meest creatieve moderne interpreet van Freud, belooft de psychoanalyse niet zozeer innerlijke vrede maar opent ze een mogelijkheid van bevrijding van de fantasie dat innerlijke conflicten zullen ophouden. Hierin verschilde Freud ook fundamenteel van Schopenhauer, die bleef vasthouden aan een martelende droom van verlossing.

MISSCHIEN is het nu een beetje duidelijker waarom Freuds denken opnieuw het onderwerp van controverse is. Zijn aanval op de onschuldige waarheden van het rationalisme komt niet van een gezworen vijand van de Verlichting - zoals die van Joseph de Maistre, wiens aanvallen op de rede werden gedaan ten dienste van onthulde waarheid - maar van een van de meest resolute voorvechters ervan. Freud, een onverschrokken aanhanger van de rede, wijdde zijn leven aan het onderzoeken van de grenzen van de rede. Hij was bereid aan te nemen dat de psychoanalyse nooit de wetenschap kon zijn die hij ooit wilde dat ze was. Tegelijkertijd accepteerde hij uiteindelijk dat de wetenschap superieur zou kunnen zijn aan andere denkwijzen. De mythe-scheppende impuls, die fungeert als de boeman van het infantiele rationalisme, kon niet worden weggevaagd uit de menselijke geest of uit de wetenschap.
Freuds denken is een essentiële correctie op het wetenschappelijk triomfalisme dat tegenwoordig zo luid van zich doet spreken. Maar meer dan enig ander aspect van zijn denken is het zijn aanvaarding van de gebrekkige aard van de mens die heden ten dage aanstootgevend is. Freuds onvergeeflijke zonde lag erin dat hij de bron van menselijke stoornissen lokaliseerde binnen mensen zelf. De pijnlijke conflicten waarin mensen zijn beland gedurende hun geschiedenis en voor-geschiedenis komen niet alleen voort uit onderdrukking, armoede, ongelijkheid of gebrek aan onderwijs. Ze stammen af van permanente tekortkomingen in het menselijke dier. Natuurlijk was

Freud niet de eerste Verlichtingsdenker die dat accepteerde. Dat deed ook Thomas Hobbes. Net als Hobbes hoort Freud in een traditie van Verlichtingsdenken dat liever wil begrijpen dan stichten. Beiden wilden nodeloze conflicten verkleinen, maar geen van beiden stelde zich voor dat de bronnen van zulke conflicten konden worden geëlimineerd door een toename in menselijke kennis. Meer nog dan Hobbes was Freud duidelijk dat destructieve conflicten horen bij het mens-zijn. Dat is uiteindelijk waarom Freud in deze tijd zo impopulair is.

In een bekende passage aan het eind van Das Unbehagen in der Kultur (1930) verklaarde Freud: 'Ik bezit niet de moed om voor mijn medemensen te verrijzen als een profeet, en ik buig voor hun verwijt dat ik hun geen troost kan bieden (...)' Waar aan het begin van de 21ste eeuw het meest behoefte aan is, daarentegen, is troost en niets anders. Verlichtingsfundamentalisme - de stelling van schrijvers als Christopher Hitchens en Richard Dawkins dat onze verlossing ligt in het omarmen van een hoogst selectieve reeks van 'Verlichtingswaarden' - dient deze emotionele behoefte aan betekenis meer dan enige imperatief om te begrijpen. Zoals de religies die ze afwijzen, maar met minder diepgang en weinig evident effect, zijn de variëteiten van Verlichtingsdenken waar we vandaag over beschikken balsem voor de onrustige ziel. De wetenschappelijk klinkende formules waarmee ze hun angst bezweren - het einde van de geschiedenis, de platte wereld, het onverbiddelijke maar voorgoed vertraagde proces van secularisatie - zijn meer fantastisch dan wat ook in Freuds 'duistere mythologie'.

De razende opbeuringen en vurige overtuiging van hedendaagse aanhangers van de Verlichting zijn symptomen van een verlies van zekerheid. Deze evangelisten van de rede, verbijsterd en opgejaagd door het tafereel dat zich ontvouwt, hebben voortdurende geruststelling nodig om niet te vervallen tot overdreven wanhoop, en zijn verwikkeld - ongetwijfeld onbewust - in een soort collectieve therapie. Onvermijdelijk vinden zij Freud een intens onrustbarende figuur. Onder veel van zijn volgelingen is de praktijk van zelfonderzoek die Freud uitvond veranderd in een techniek van psychologische aanpassing - het tegenovergestelde, op vele manieren, van wat zijn bedoeling was. In dit opzicht drukt moderne vijandigheid tegenover Freud een krachtig inzicht uit. Wat Freud biedt is een manier van denken waarin de ervaring van het mens-zijn kan worden gezien als moeilijker, en tegelijk interessanter en meer de moeite waard, dan alles wat wordt voorgesteld in de goedkope evangeliën van vooruitgang en zelfverbetering die in onze tijd worden verkondigd.

Als Freud verkeerd is begrepen, genegeerd of afgeserveerd, zou hij niets anders hebben verwacht. Hij wordt nu verworpen om dezelfde reden dat hij werd verworpen in het Wenen van het fin de siècle: zijn heldhaftige weigering de mens mooier te maken dan hij is. Zoals zijn correspondentie met Einstein laat zien, koesterde hij niet de hoop dat de rede de mensheid kon verlossen van het 'actieve instinct voor haat en destructie', dat zo duidelijk aan het werk was in Europa in die tijd. Toen hij het door de nazi's bezette Oostenrijk verliet om het laatste jaar van zijn leven in Engeland door te brengen, wist hij dat de destructie die in het verschiet lag niet kon worden voorkomen. Maar het lot kon nog steeds uitgedaagd worden, en zodoende getrotseerd. Toen hij Oostenrijk verliet, moest Freud een verklaring ondertekenen dat hij goed en rechtvaardig was behandeld. Dat deed hij, en voegde er in zijn eigen handschrift aan toe: 'Ik kan iedereen ten zeerste de Gestapo aanbevelen.'


--------------------------------------------------------------------------------

© Prospect
Vertaling: Rob van Erkelensay

maandag 6 februari 2012

Mensbeelden (3)



Mythische mensbeelden, vroeger en nu



Zijn inwendige gelaagdheid geeft een mensbeeld van binnen uit de gestalte van een dynamisch, soms zelfs conflictueus geheel. Toch is het vooral de uitwendige relatie met de historische cultuur die mensbeelden veranderlijk maakt. Een voor de hand liggend voorbeeld is de ondergang van de verzuiling in Nederland, waarvoor Kwant een aantal oorzaken opsomt. Een wat breder voorbeeld is de overgang van het mythische naar het kritische denken die beide hun eigen type mensbeelden produceren. Omdat ik voorheen al sprak over het deels mythische karakter van het mensbeeld in de Verlichting, ga ik hier wat nader in op de genese en de betekenis van het mythische denken, dat zoals gezegd, verwant is aan de idealistische verleiding. Daarbij zal blijken dat het ook vandaag niet helemaal dood is. Ik redeneer hier vanuit een wijsgerig-antropologisch of sociaalwetenschappelijk perspectief. Later zal ik mijn bevindingen toetsen aan daarmee parallelle inzichten in de sociobiologie.

Men neemt aan dat tijdens de voor ons zo beslissende Great Leap onze instincten verzwakten. Daardoor werd onze oorspronkelijke, nauwelijks door het hogere bewustzijn bemiddelde wederzijdsheid met de wereld doorgeknipt. Zo raakten wij voor onze overleving steeds meer afhankelijk van onze ratio, ons delibererend vermogen en van de productie van symbolen. Plotseling stond de mens wat onhandig voor een oneindige werkelijkheid, gewapend met een eindig kenvermogen, met een ontluikende taal en met een begrensd waarnemingsapparaat. Die losgeknipte navel, die afgescheidenheid van de wereld, die de mens opeens met eigen middelen moet overbruggen, is een met zijn natuur gegeven ontologische beperking, die weliswaar de spleet van ons bewustzijn heeft verwijdt en ons de vrijheid heeft geschonken, maar die ook een zware last op onze schouders legt. Met onze arbeid en ons symbolisch vermogen zullen wij moeten proberen die te boven te komen.

Het is in die primordiale, deels pijnlijke, deels veelbelovende afgezonderdheid dat de idealistische verleiding zijn oorsprong vindt (dit wil zeggen onze neiging de beperktheden van het bestaan op allerlei manieren ontkennen). Immers, de mens ervaart de wereld in de eerste plaats als een ondoorzichtige, gevaarlijke chaos waarin hij zich aarzelend tracht te oriënteren en die hij hier en daar probeert te beheersen. Zijn vraag naar orde, regelmaat, eenheid en overzicht is vooreerst een vraag naar lijfsbehoud. Hij wil de ongrijpbare, vloeibare wereld fixeren in een vaste orde, waarin hij zich kan oriënteren, de resultaten van zijn handelingen beter kan voorspellen en waarin hij zich uiteindelijk thuis kan voelen. Er zijn natuurlijke en bovennatuurlijke krachten die tegelijk de kosmos, de maatschappij en het individu beheersen die hij een of andere manier moet bezweren, want hij heeft die zelf niet uitgevonden en hij kan ze niet zomaar domineren. Van nature een bewegend, responsief wezen weigert hij slechts een ding tussen de dingen te zijn of een toevallig kosmisch accident. Omdat hij sinds zijn geboorte met zijn medemensen samenleeft zal hij de voorheen ongeverbaliseerde samenhangen in de sociale wereld (die hem het meest nabij is), grijpbaar maken, vooral door die te benoemen en ze geleidelijk met symbolische zin te overdekken.

De wereld is weerbarstig en met zijn arbeid vormt hij die slechts langzaam en met mondjesmaat om naar zijn behoeften. De taal is dat veel minder en daarom construeert hij al vlug een symbolische orde waarin de sociale en de natuurlijke wereld hun plaats zullen krijgen. Die orde is, zeker van ons huidig standpunt, niet persé waar. Zij omvat zowel de kenbare als de onkenbare wereld, ze verbindt onnadenkend rationele en irrationele elementen. Ze verwart de ethische dimensie met de fysische als ze ziektes en rampen opvat als een straf voor morele verderfelijkheid. Hoewel zij vertrekt van menselijke ervaringen vraagt zij zich niet af hoe en in hoeverre zij zich op die ervaringen fundeert en of dat wel terecht gebeurt. De sociale en de natuurlijke wereld vloeien spontaan in elkaar over. Vaak werken ze op de meest onwaarschijnlijkste wijzen op elkaar in. De mens vat het ongekende op naar het model van het gekende. Hij projecteert zichzelf en de sociale verbanden in de natuur. Die verschijnt dan ook niet als een onverschillige entiteit, maar veeleer als een speelveld voor verpersoonlijkte en van menselijke eigenschappen voorziene machten. Wat de mens is en wat hij moet zijn legt zich dan vast in een verhaal over het sociale zelf dat wordt doorverteld. Het is aan echte discussie onttrokken. Niemand is er apart verantwoordelijk voor.

Mythes gaan niet voorbij aan onze ontologische beperkingen: ze zijn er in de eerste plaats een antwoord op. Een mythe is geen volkomen in de lucht hangend fantasie, geheel losgemaakt van de onveranderlijke eigenschappen van de wereld en van de menselijke aard. Voor een deel vertelt ze het verhaal van onze beperktheden. Toch wipt ze geregeld over de feitelijke structuren heen. Men zou dan kunnen spreken van een idealistische verleiding avant-la-lettre. Die term heeft hier echter geen zin omdat hij zijn betekenis ontleent aan het contrast met het meer wetenschappelijke denken dat van veel latere datum is. De mythe laat wel zien dat die verleiding zeer nauw en van in den beginne aan ons zijn is gerelateerd. Zij wortelt in onze afgezonderdheid en in ons symbolisch vermogen dat daarop een antwoord is.

Op dit moment verzamelen we mythes als in een museum, als vreemdsoortige, betoverende relicten uit een veel vroegere tijd. Men kan zich daarbij afvragen of een hermeneutiek van de mythe nog enige betekenis heeft voor de mens van nu. Dat is zeker het geval, want zo’n hermeneutiek probeert mythische inhouden terug te vertalen naar belangrijke ervaringen die alle mensen, ook de hedendaagse, in hun omgang met de wereld gemeen hebben.

Peter Berger en Thomas Luckmann geven aan hoe een symbolische universum in vier fasen tot stand komt. Bepaalde gewoontes kristalliseren zich uit tot instituties. Als die niet lijken te werken of aan kritiek onderhevig zijn ontstaat de nood om ze te legitimeren. Die legitimering verstevigt de feitelijke instituties en geeft een zekere plausibiliteit aan de subjectieve ervaring ervan. Zo kunnen complexe taalbouwsels groeien die de sociale realiteit (en daarachter de natuurlijke) met steeds meer dwingende betekenissen omhullen. Eerst krijgen personen, dingen en allerlei standen van zaken een naam, wat de flux van het bestaan al enigszins afremt en een helderheid aanbrengt die voorheen niet aanwezig was. Namen impliceren een zekere richtlijn voor het handelen. Noem ik iemand mijn neef, dan rijst de vraag of hij anders moet worden behandeld dan mijn vader. Vervolgens zullen spreekwoorden, concrete gedragsregels en legenden bepaalde instituties verder onderbouwen, zoals het goddelijke fiat van het koningschap. Uiteindelijk ontstaat een sterk uitgewerkt theoretisch raamwerk waarin alle sociale betekenissen hun zinvolle plaats vinden: het symbolische universum. Het verzekert de rechtmatigheid van de instituties. Daar treffen we kosmologische theorieën aan die de aard, de oorsprong en het doel van de werkelijkheid en de rol van de mens daarin beschrijven en beregelen. In de termen van Voegelin kunnen we zeggen dat hier de oneindigheid van de wereld wordt gevat in een eindige reeks van symbolen.

Via de opvoeding vloeit dit allesomvattende beeld geleidelijk en zonder kritische weerstand in het bewustzijn van het kind dat die voorheen door mensen geconstrueerde orde als volstrekt natuurlijk ervaart. Door ditzelfde proces van naturalisering verschijnen ook latere, voor lange tijd gevestigde en ruim verspreide mensbeelden als een spiegelbeeld van de werkelijkheid zelf. Zij worden dan tot een referentiepunt van wat we als reëel ervaren.

Het is echter een door het recente wetenschappelijke denken veroorzaakte illusie te menen dat het mythische denken volledig tot het verleden behoort. Zowel van boven als van onder blijft het ons, weliswaar in verdunde vorm, omringen. Laten we eerst even kijken naar boven. De oudere kosmologieën vinden hun hedendaagse pendant in bijvoorbeeld de filosofische ontwikkelingsgeschiedenissen van Hegel en Marx, die, zoals wij ondertussen wel weten, heel wat verder sprongen dan hun stok lang was. Hun belofte van een eigentijdse of toekomstige vervulling van het mensenlot bleken voor een flink stuk ijdel. Ook het op de Verlichting teruggaande vooruitgangsoptimisme hoort in deze categorie thuis. Tot de dag van vandaag is het de mainstream ideologie waartegen zovele cultuurcritici van vroeger en nu hebben gereageerd en reageren. Het is onbetwijfelbaar dat de rede en de wetenschap grootse prestaties op hun rekening mogen schrijven, waarop wij terecht trots kunnen zijn en waarvan wij iedere dag de weldaden ondervinden. Dit geloof in een toekomstige vervolmaking van onze samenleving door democratie, economie en wetenschap is niet zonder meer onterecht, maar de verschrikkelijke twintigste eeuw liet toch zien dat zij geenszins een onvoorwaardelijk succes hebben opgeleverd. Ook hier waren de beloftes groter dan de realiteit.

Ook onderaan worden wij nog de schim van het vroegere mythische denken gewaar. Heel wat filosofische auteurs hebben de betovering ontdekt die van de leefwereld uitgaat. Ze gebruiken daarvoor verschillende namen en er zijn verschillen in hun benadering van dit fenomeen. Toch lijken ze het er over eens te zijn dat de leefwereld de dragende grond is van ons bewuste bestaan en vooral van de collectieve en individuele zingeving en de ethiek. Daardoor krijgt hij een mythische glans die niet helemaal door het redelijke denken kan worden gerecupereerd. Herman De Dijn wijst erop dat het existentiële systeem van betekenissen, dit wil zeggen alle voorgegeven waarden, zinpatronen en handelingsimperatieven, die in de leefwereld zijn vervat, niet straffeloos kunnen worden vervangen door een of ander theoretisch systeem. Als de afstand tussen beide te groot wordt doet zich een vervreemding die op den duur onvermijdelijk leidt tot de ondergang van het theoretische systeem. Wil de mens tot vervulling komen, aldus de Vlaamse filosoof, dan past hem een houding van overgave, waarbij hij zich zonder veel denken aan die voorgegeven patronen overgeeft. Daarbij hypertrofieert hij het belang van de leefwereld zodanig dat hij hem de functies toeschrijft die de Verlichting toekende aan het individu. In zijn historische beweging levert de leefwereld immers kritiek op zichzelf, neemt met enige vertraging allerlei nieuwe elementen in zich op en bevrijdt zich geleidelijk van innerlijke tegenspraken. Zo wordt de leefwereld ons eigenlijk huis. Het is hier niet de plaats om die opvatting van kritiek te voorzien, maar het wordt wel duidelijk hoe de leefwereld door velen wordt gezien als de ruimte waar een nog niet onttoverde wereld in relicten voortleeft. Die leefwereld is dan de eigenlijke locus van het traditionele, al generaties- of zelfs al eeuwenlang gecanoniseerde mensbeeld, de bewaarplaats van de traditie. Het is dan ook geen wonder dat vooral conservatieve denkers hem centraal stellen in hun reflecties. De leefwereld wordt steeds meer bedreigd door het wetenschappelijke, gedisengageerde denken dat in zijn programmatische waardevrijheid afstand neemt van iedere alle culturele bepaaldheid.
Daarom stelt De Dijn een strategische splitsing voor tussen dat denken en de sfeer van de zingeving, die ieder het best tot hun recht kunnen komen op een van elkaar onafhankelijk terrein.

Charles Taylor (zie foto) brengt veel respect op voor het moedige cartesiaanse denken dat principieel de leefwereld tussen haakjes zet en een volstrekt naakte, van alledaagse zin losgemaakte, zuiver rationele activiteit wil zijn. Toch kan men, aldus deze filosoof, van die activiteit geen algemeen, overal een altijd geldig gedragsmodel maken. Als de wetenschapper zijn studeerkamer verlaat en zijn vrouw ontmoet, ontdooit hij al vlug tot het alledaagse leven, waarbij de leefwereld opnieuw bezit van hem neemt.

(wordt vervolgd)

zondag 5 februari 2012

Het precieze gebruik (4821 - 4840)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4821 – 4840)

4821. de frauduleuze sociale wetenschapper Stapel (Ned.): er is een verschil tussen wetenschap en wetenschap. Binnen de disciplines is er een hiërarchie, die verband houdt met exactheid en controleerbaarheid. Bovenaan staan wiskunde en natuurkunde, gevolgd door scheikunde, geneeskunde en biologie. En daaronder de rest. Beweringen en onderzoeksresultaten uit de top van de piramide verdienen meer respect en autoriteit dan die uit de psychologie, de onderkant van de piramide. Daarbij komt dat vakgebieden die zich lenen voor een spannend stukje in de krant (klimaat, sociale psychologie, voeding) onderzoekers de gelegenheid geven om snel te scoren en uit te groeien tot een ster - een proces dat goed is voor het ego maar vaak niet voor de waarheidsvinding die wetenschap is. Het is het niet waar dat de affaire Stapel slecht zou zijn voor het aanzien van de wetenschap. De affaire werkt zelfreinigend. Zoals Fukushima goed was voor de veiligheid van toekomstige kerncentrales zo is Stapel goed voor de wetenschap. Zijn geval leert zijn collega’s om controlemechanismen te versterken. En Stapel leert ons - toeschouwers - om niet zo snel in flut-onderzoekjes (‘vleeseters zijn botter dan vegetariërs’) te geloven.

4822. de meer controleerbare wetenschappen: een niet geheel onernstige uitspraak van de psycholoog dr. Draaisma: "Exacte wetenschappers hebben de neiging om tot minimaal 2 cijfers achter de komma te werken, en toch wordt het heelal ieder jaar weer een miljard jaar ouder of jonger".

4823. een hiërarchie van vakken: de echte alfa-vakken (kunst, filosofie, religie, talen, literatuur, cultuurstudie enz.) gaan over datgene waarvoor we leven, de natuurkunde en de techniek over datgene waardoor we leven. Wat is belangrijker en wat verdient meer respect? De eersten gaan over de vraag hoe veranderlijke zaken veranderd moeten worden (zeg maar over de onzekere toekomst), de tweede over vastliggende feiten (zeg maar het gestolde verleden). Geen wonder dat de eerste soort kennis minder precies is en veel minder een vaste bodem onder zich heeft. Toch is het belang van deze kennis even groot, zo niet groter dan die van de meer exacte wetenschappen. En hetzelfde geldt voor haar moeilijkheidgraad.

4824. de eenheidsworst van het neoliberale denken: de psychiater Paul Verhaeghen in De Standaard: "Niet zo lang geleden werd de maatschappij bepaald door vier dimensies: politiek, religie, economie en cultuur. Vandaag is er maar één: het neoliberalisme. Het bepaalt niet alleen de economie, maar ook de zorgsector, het onderwijs, het onderzoek en de media en ondertussen zelfs onze identiteit. Vandaar het idee dat dit het einde van de geschiedenis zou zijn, het punt waar we alle ideologieën kunnen opdoeken omdat het neoliberalisme zich aandient als aansluitend bij de mens 'zoals hij is'. Egoïstisch en corrupt, zo luidt het, enkel uit op eigen genot en altijd in concurrentie met de ander - survival of the fittest, weet je wel? Wie daar anders over denkt, is naïef. Get real, dat is het ironische bevel. Dezelfde ironie ligt in de zogenaamde realpolitik, ironie omdat een dergelijke politiek de realiteit waarbij ze pretendeert te vertrekken, gemaakt heeft. 'There is no such a thing as society', de slogan van Margaret Thatcher, is dertig jaar na datum overtuigend gerealiseerd".

2825. ons gebrek aan zelfrespect: dezelfde Paul in hetzelfde artikel: "Een daling in autonomie en een groeiende afhankelijkheid van steeds verschuivende normen veroorzaken wat R. Sennett een infantilisering van de werknemers noemt. Volwassen mensen vertonen kinderlijke woedeaanvallen, zijn jaloers voor trivialiteiten, deinzen niet terug voor bedrog, koesteren leedvermaak en kleinzielige wraakgevoelens. Nog belangrijker is de aantasting van het zelfrespect. Dit hangt af van de erkenning die men krijgt van de ander, dat is de les die van Hegel tot Lacan doorklinkt. Ongeweten verwoordt Sennett hetzelfde wanneer hij deze vraag in de mond van de huidige werknemer legt: Who needs me? Voor een groeiende groep is het antwoord: niemand. Je telt enkel mee als je succes hebt".

2826. anonieme onderdrukkers: nogmaals deze psychiater: "Zymunt Bauman vat de paradox van onze tijd mooi samen: 'Nooit waren we zo vrij. Nooit voelden we ons zo machteloos'. Overal hoor je klachten tegen 'het systeem', niemand krijgt het te pakken. De stakingen van de vorige eeuw hadden effect omdat er een duidelijke vijand was: de patrons. Die zijn verdwenen, in de plaats daarvan zijn er ratingbureaus en aandeelhouders. Psychoanalytisch beschouwd is staking vergelijkbaar met zelfverwonding - de patiënt die alle greep op zijn leven verloren is, kerft dan maar in het eigen vel. Morgen gaat alles weer zijn gewone gang, met dien verstande dat de patiënt nog wat meer patiënt geworden is. De hamvraag luidt: hoe dit anonieme systeem aanpakken?"

2827. inleveringen: iedere inlevering moet de maatschappij ten goede komen, niet de economie. Als deze zin u verrast, dan moet u vooral verrast zijn over uzelf.

2828. een nieuwe ethiek: daarover moet, kan en zal nog veel worden gezegd, maar één zaak is zeker: een individuele, over lange jaren eigenhandig bijgeslepen smaak en de durf om veel meer dan vandaag te handelen volgens persoonlijke, weldoordachte inzichten en tégen de dwang van het collectief zullen daarin een onmisbaar bestanddeel vormen. Dit betekent een morele veroordeling van al diegenen die al te zeer door krachten buiten zichzelf worden verleid en meegesleept. Want Nietzsches kuddemens maakt niet alleen dictaturen, maar ook het daarop steeds meer lijkende neoliberalisme mogelijk.

2829. de homo economicus: dat de rationele beslisser slechts een gedroomd menstype is en helemaal niet de realiteit wordt duidelijk in het meesterlijke boek Ons feilbare denken van de psycholoog Daniel Kahnemann (zie mijn literatuurlijst hiernaast). De auteur haalt de notie van de calculerende mens, die nooit reken- of inschattingsfouten maakt, onderuit en daarmee de premisse onder diverse economische theorieën over perfect werkende markten en het nutsmaximaliserende individu. In 2002 kreeg hij de Nobelprijs voor de economie en dat als niet-econoom! Zijn inzichten, die alle neerkomen op de bevestiging van een (cognitief) klein ik, komen terug in de geneeskunde, in het recht, in de leer van het onderhandelen en in het dagelijkse leven. Wie interesse heeft voor denkfouten die er op dit moment echt toe doen moet dit boek lezen. Het kan onder meer worden gebruikt om de vreemde, blijkbaar overal werkzame betovering van het toch overduidelijk pernicieuze neoliberalisme te verklaren.

2830. karakter: als de eendagsvlieg persé nog een dag wil.

2831. het Nederlandse volkslied: speelt men deze nationale hymne betuig dan op een of andere manier je respect, want het gaat om het meest roeptoeterige, maar ook om het gelukkigste volk op deze aardbol.

2832. Bernini: de marmeren megafoon van de Rooms-Katholieke Kerk.

2833. Boerhave: een workaholic, een boerse man die geweldig college kon geven, het orakel dat de empirische geneeskunde opnieuw gestalte gaf.

2834. de laatste neologismen: pimp je brein en blijf alert!; om oud te worden moeten we met zijn allen aan de polypil.

2835. een liberale bekering?: Eurocommissaris De Gucht (VLD) heeft het in de krant over het ongenoegen bij de middenklasse die vindt dat ze te veel belastingen betaalt, terwijl net dan blijkt dat grote bedrijven niet altijd veel belastingen betalen. Bedrijven die bijvoorbeeld de notionele intrestaftrek gebruiken voor een bedrag van 39 miljoen euro. 'Die notionele intrest aftrek ... ach, dat is zo’n typisch voorbeeld van een ‘afgeleide’ maatregel. En ik ben geen fan van ‘afgeleide’ maatregelen. Met die aftrek wilde men ons hoge nominale tarief in de vennootschapsbelasting, 33,99 procent, compenseren. Veel beter zou zijn dat men de notionele intrestaftrek afschaft en het nominale tarief verlaagt naar 20 procent. En dat men er dan ook voor zorgt dat bedrijven die belasting effectief betalen. Ik ga me niet over het concrete geval-Bekaert uitspreken, ik ken hun boekhouding niet. Maar als grote bedrijven geen of nauwelijks belastingen betalen, dan is dat sociaal onaanvaardbaar. Dat wordt, terecht, niet gepikt door de maatschappij. Ik stond daar ook van te kijken, toen ik dat dossier onlangs las in Trends. Ik begrijp dat de mensen dat niet langer slikken. Zij moeten dag in dat uit vroeg opstaan, hun schreiende kinderen naar de crèche brengen en dan hard gaan werken. En vervolgens betalen ze 35 tot 40 procent belastingen. Dat verschil krijg je niet uitgelegd.’

2836. het geheugen van de kiezer: het is net een omgekeerde Alzheimer: van vandaag weten de kiezers alles en van gisteren niets meer.

2837. voorspelbaar succes: de bijzondere belastinginspectie (BBI), die jaagt op grote fraudeconstructies, heeft in 2011 meer dan 1,1 miljard euro aan extra belastingen en sancties opgelegd. Dat schrijft De Tijd. Dat is 25 procent meer dan in 2010. Het is ook het beste resultaat van de voorbije zes jaar. Uit de cijfers van de BBI blijkt volgens de krant alvast dat de opheffing van het bankgeheim een godsgeschenk is voor de inspecteurs. De nieuwe wet geldt nog maar sinds 1 juli, maar de directeurs van de BBI hebben in die periode al meer dan 450 machtigingen gegeven om een bankrekening in te kijken. Dat is bijna vijf keer meer dan in 2010.

2838. waarom de kerk achteruitgaat: Marcel van Dam in De Volkskrant: "Het huidige college van Nederlandse bisschoppen kent geen onafhankelijk denkende mensen met een sterk karakter. Sterker: zij hebben die functie juist gekregen omdat ze dat niet zijn. Zij doen hun uiterste best mededogen met de slachtoffers te acteren. Maar dat lukt niet erg, omdat hun hele habitus woede uitstraalt dat de misbruikers hun gezag en daarmee hun macht en die van de Heilige Moederkerk verder hebben aangetast".

2839. waarom het CDA (het Nederlandse CD&V) achteruitgaat: de redenen daarvoor zijn vrijwel identiek aan degene die de achteruitgang van vrijwel alle sociaal-democratische partijen in Europa hebben veroorzaakt. Daarover nog eens dezelfde Marcel: "Met de jaren ontstond steeds meer spanning tussen het verkondigen van christelijke normen en waarden en het streven naar politieke macht. Die spanning kon alleen worden overbrugd door hypocrisie tot een kunst te verheffen. De geschiedenis van de abortus- en euthanasiewetgeving getuigt ervan. In de praktijk werd het toegelaten, als het formeel maar verboden bleef. En ik hoor het Aantjes zijn partijgenoten in zijn prachtige Bergrede nog verwijten: 'De hongerigen worden niet gevoed, de dorstigen worden niet gelaafd, de vreemdelingen worden niet gehuisvest, zij worden gediscrimineerd en uitgewezen.' Ik hoor het Dries van Agt regelmatig roepen: het onrecht dat de Palestijnen wordt aangedaan, is misdadig. Het treurige is dat ze menen wat ze zeggen maar er geen been in zien nog steeds jaarlijks hun contributie over te maken aan de partij die structureel de beginselen die zij verkondigen vertrapt. Waarin verschillen ze dan van mensen als Maxime Verhagen die zijn ziel aan Wilders in onderpand heeft gegeven? Of Gerd Leers die als burgemeester van Maastricht in een brief de minister van Vreemdelingenzaken smeekte om een asielzoeker niet uit te zetten, maar als minister niet wist hoe snel hij die brief in de prullenmand moest gooien?"..

2840. Hans Bleker (CDA-leider): Henk Bleker, aldus Van Dam, is voor het moderne, uiterst huichelachtige CDA (van elf zetels) de ideale nieuwe leider. 'Een praatjesmaker met een babbel waarmee vroeger op de Utrechtse automarkt een auto zonder motor werd verkocht aan een zwakbegaafde zonder rijbewijs. Bleker, de juiste man voor iedere opvatting over elk onderwerp. Iemand die walgt van zijn eigen woorden maar ze toch aan de man probeert te brengen. Hij wacht nog op een aanbod van Playboy, opdat Pauw en Witteman hem nog vaker zullen uitnodigen'.

zaterdag 4 februari 2012

Het precieze gebruik (4801 - 4820)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4801 – 4820)


4801. filosofie: de wijsbegeerte is niet iets heel anders dan cultuurwetenschap. En cultuurwetenschap is de methodische en systematische studie van het alledaagse denken en van de gewone, doordeweekse praktijken en verder de analyse van die bijzondere cultuurvormen die - zoals de filosofie - daaruit met een pretentieuze, maar leugenachtige air van onafhankelijkheid zijn opgerezen.

4802. een vertaling met ballen: Shakespeare begint zijn stuk Richard III met de legendarische woorden: “Now is the winter of our discontent”. Hugo Claus vertaalde die al even legendarisch als: “ Het is winter en ik ben niet content.” Dit zou de slogan kunnen worden van alle slachtoffers van de economische en de financieel-politieke crisis.

4803. identiteitscrisissen: een identiteitscrisis is nooit monsterachtig want géén identiteit is er ook een. Het gebrek aan geld daarentegen is een absolute leegte.

4804. de oplossing voor de financiële crisis: Joris Luyendijk in DS Weekblad: “ Een fundamenteel probleem is dat de banken zo groot zijn dat men ze niet meer failliet kan laten gaan. Aan de top van de vrije markt is er geen vrije markt. De enige radicale oplossing om het systeem robuuster re maken is elke grootbank op te delen in concurrerende onderdelen, die ieder op zich pijnloos failliet kunnen gaan zonder het hele financiële systeem uit balans te halen. Geen enkele politieke partij in Europa zegt dat met zoveel woorden”.

4805. ontmaskering: volgehouden wantrouwen en gedegen denkwerk leidt soms tot de ontmaskering van de wandaden van machtige personen en instituties. Dat moge in het verleden (wel eens) de regel zijn geweest, op dit moment zijn in ieder geval de hoge omes uit de financiële wereld gewoon immuun voor elke klacht die hen definitief aan de schandpaal zou zetten. Spreken is immers niet voldoende, want achter de woorden staan heel andere machten die bepalen welke woorden aandacht verdienen en welke straffeloos genegeerd kunnen worden. Wie hier pleit voor een dialoog is al vooraf verloren. Het is veeleer zaak een tegenmacht op de been te brengen, even zwaarbewapend en even agressief als de tegenstander. Slechts het bestaan van zo'n tegenmacht kleeft een aantrekkelijk halo aan je woorden. Slechts als zij er is merk je plotseling luisterbereidheid bij je opponenten.

4806. animale esthetiek: Koos van Zomeren in De Volkskrant: "De dieren letten ook wel op elkaars vorm, kleur en gedragingen. Hun gevoeligheid daarvoor beperkt zich echter tot de eigen soort en wat ze in feite beoordelen is elkaars vitaliteit, de fitness van de mogelijke partner of rivaal. Buiten de eigen soort kent een dier met betrekking tot een ander dier maar twee vragen: kan ik hem opeten of kan hij mij opeten? Twee keer nee en het verliest zijn belangstelling. Je kan je geen koe voorstellen die ook een brok in de keel krijgt bij de aanblik van een koppel kievitskuikens - en wat is nu aangrijpender dan een koppel kievitskuikens? De mens is het enige dier met een soortoverschrijdend gevoel voor schoonheid".

4707. De Gouden Boekenuil: veertien Nederlanders en zes Belgen dingen dit jaar mee naar de Gouden Boekenuil, de belangrijkste literaire prijs van Vlaanderen. Dat blijkt uit de longlist die de vereniging van Vlaamse uitgevers, importeurs en boekverkopers zopas heeft bekendgemaakt. Tot de Nederlandse kandidaten behoren Jeroen Brouwers (Bittere bloemen), Herman Koch (Zomerhuis met zwembad), A.F.Th. van der Heyden (Tonio) en Marcel Möring (Louteringsberg). Ook de biografie van Maaike Meijer over de dichteres Vasalis dingt mee. Tot de zes Belgen die kans maken, behoren Dimitri Verhulst (Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten) en Erwin Mortier (Gestameld liedboek). De vakjury komt eind volgende maand met de shortlist van 5 titels. De winnaar wordt op 5 mei bekendgemaakt en krijgt 25.000 euro en een kunstwerk van Philip Aguirre.

4808. onze aberrante moraal: uit een interview met de geprezen debutant Peter Buwalda die de bestseller Bonita Avenue schreef in De Morgen: "Het benepene, het victoriaanse weegt nog altijd zwaar op ons. Ik moest denken aan Bill Clinton terwijl ik dit schreef. Toen hij Kroatië aan het bombarderen was, kreeg hij het hele congres over zich vanwege Monica Lewinsky. Daar werd zwaarder aan getild."

4809. de laatste neologismen: wereldomkeerders (Hume); ook dat bedrijf zingt de Bekaert blues.

4810. de conservatieven (1): zowel Burckhardt als Tocqueville konden zelf niet meer in God geloven, terwijl ze eigenlijk vonden dat ze dat wel zouden moeten doen. De samenleving kon immers niet zonder God. Ze beseften dat hun ideaal - het redden van de traditie en van de sociale samenhang die daardoor werd gegarandeerd - een hopeloze zaak was. Er hangt dus vanaf het begin iets van vergeefsheid over het conservatisme.

4811. de conservatieven (2): het gelijkheidsideaal van het socialisme en de almaar toenemende individualisering van het liberalisme kwamen als een pletwals over hun behoudzucht. Ze verzetten zich daartegen terwijl ze wisten dat hun opvattingen al lang een gepasseerd station waren. Tocqueville legde zich neer bij de heersende gelijkheidsgedachte en stelde zich ten doel een matigende invloed uit te oefenen. Het conservatisme kan ons iets belangrijks leren: omdat meeslepende ideeën altijd door vurige wensen worden aangevuurd (Hume: de rede is de slaaf van de hartstochten) is het vieren van het gezonde verstand beter dan het verlangen naar het beste. Dat betekent dat een algemeen aangehangen, op een bepaald moment zeer enthousiasmerende en schijnbaar onbetwijfelbare logica (die onderhuids leunt op een wens) nu en dan toch moet worden onderdrukt door wat de Engelse bankier en journalist Walter Bagehot (1826 - 1877) noemde het vieren van de sound stupidity. Meer van dit alles is te lezen in Thierry Baudet en Michiel Visser (red), Revolutionair verval en de conservatieve vooruitgang in de achttiende en negentiende eeuw (Bert Bakker, 2012).

4812. de staking: Hugo Camps in De Morgen: "Ik zou niet willen leven in een land zonder vakbonden, terwijl ik zelf nooit lid ben geweest. Het is makkelijk Rudy De Leeuw te demoniseren, zoals minister Van Quickenborne doet met zijn pathetisch gekrijs over imagoschade op de dag van een Europese top. Of zoals Bart De Wever oproept politiehonden in te zetten tegen hinderlijke stakersposten. CD&V strooit in de beste tjeventraditie met wijwater over ongemak en armoede. Over de imagoschade die Dexia heeft aangericht, hoor je de heren niet. Banken, graaiers en speculanten blijven lekker imagovrij".

4813. onze verlichte wereld: miljarden voor de banken, nog geen busticket voor de daklozen.

4814. Wilders is koopbaar: in Nederland ligt een nieuwe wet op de partijfinanciering op tafel die zegt dat bij giften aan politieke partijen van bedragen boven de 4500 euro de naam van de gever publiek bekend moet worden gemaakt. De PVV predikt graag law and order, maar in de Tweede Kamer liet Hero Brinkman er vorige week geen twijfel over bestaan dat zijn partij de nieuwe wet, door hem de anti-PVV-wet genoemd, aan haar laars zal lappen. Brinkman houdt zich liever aan het principe dat zijn partij geen 'staatsinmenging' duldt en ook geen overheidsgeld wil. Over het principe dat een politieke partij niet te koop is, hoorde je Brinkman niet.

4815. tegen de realisten: "With the relinquishment of utopias, man would lose his will to shape history, and therewith his ability to change it" (Karl Mannheim, Ideology and Utopia, 1954).

4816. Amerika nu: om de internationale positie van Amerika te waarderen kan je best het 25 jaar geleden verschenen boek The Rise and Fall of the Great Powers van de historicus Paul Kennedy raadplegen. De sleutel van zijn redenering is de imperial overstretch, de onbedwingbare neiging van de grootste mogendheden om verder te gaan dan hun economische capaciteiten toestaan en de geestelijke kracht van het volk, de bereidheid tot opofferingen, reikt. Op zeker ogenblik raken de krachten uitgeput en dan begint de neergang. Zo is het met Spanje gegaan, met de Nederlandse Republiek, de Fransen, de Britten en de Duitsers. En dit lot, schreef Kennedy, kan nu de Amerikanen te wachten staan.

4817. de heilige democratie: Benno Barnard op zijn blog in Knack: "De democratie is namelijk gebaseerd op een statistische eigenaardigheid: als miljoenen mensen zich uitspreken over zaken waar ze nauwelijks verstand van hebben, is het eindresultaat een keurig burgerlijk gemiddelde, waarmee de specialisten aan de slag kunnen. Hiep hiep hoera, de erfenis van het humanisme heeft ons allen beschaafd – tot het gepeupel iets wil dat de elite niet wil. Dan blijkt het democratische systeem de stabiliteit van een mestoverschot te hebben".

4818. het vuige nationalisme: dezelfde Benno op dezelfde plaats: "Maar waarom zou de nationale staat als dusdanig een gevaarlijke romantische illusie zijn, relict van een achterhaalde fase in de gestaag voortwentelende, zich aan de filosofie van Hegel conformerende Geschiedenis? Ik weet heel zeker dat het Nederland van mijn kindertijd – een nationale staat die nog geen bevoegdheden had afgestaan aan een supranationale constructie met de levenskracht van een uit lijken geassembleerd monster – heel wat democratischer was dan de huidige Europese Unie".

4819. Hugo Claus: zo geroemd en nu al bijna vergeten.

4820. ons zwakke ego: de Poolse Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska:

Niets gebeurt tweemaal en niets
zal tweemaal gebeuren. Geboren
zonder kundigheden, sterven we
dus als onervaren senioren.

Uit: Niets tweemaal

Wislawa Szymborska overleden


Metafysica

Het was, het is voorbij.
Het was, dus is het voorbij.
In altijd onomkeerbare volgorde,
want zo luidt de regel van dit verloren spel.
Een banale slotsom, het noteren niet waard,
ware er niet het onbetwistbare feit,
een feit tot in eeuwen der eeuwen,
voor de hele kosmos, zoals hij is en zal zijn,
dat iets werkelijk was,
zolang het niet voorbij is,
zelfs
dat je vandaag noedels met kaantjes at.

Vertaling: Karol Lesman


Einde en begin

Na elke oorlog
moet iemand opruimen.
Min of meer netjes
wordt het tenslotte niet vanzelf.

Iemand moet het puin
aan de kant schuiven
zodat de vrachtwagens met lijken
over de weg kunnen rijden.

Iemand moet waden
door het slijk en de as,
de veren van canapés,
de splinters van glas
en de bloederige vodden.

Iemand moet een balk aanslepen
om die muur te stutten,
iemand het glas in het raam zetten,
de deur in de hengels tillen.

Fotogeniek is het niet
en het kost jaren.
Alle camera’s zijn al
naar een andere oorlog.

De bruggen moeten terug
en de stations opnieuw.
Van het opstropen
gaan mouwen aan flarden.

Met een bezem in de hand
vertelt iemand nog hoe het was.

Iemand luistert en knikt
met een hoofd dat nog niet is afgekletst.
Maar bij hen in de buurt
duiken al gauw lieden op
die het begint te vervelen.

Soms zal iemand nog
onder een struik
doorgeroeste argumenten opgraven
en ze naar de vuilnishoop brengen.

Zij die wisten
waarom het hier ging,
moeten wijken voor hen
die weinig weten.
En minder dan weinig.
En ten slotte zo goed als niets.

In het gras, overwoekerd
door oorzaak en gevolg,
moet iemand liggen die
met een aar tussen zijn tanden
naar de wolken staart.

Vertaling: Gerard Rash

vrijdag 3 februari 2012

Tony Judt


Denken over de twintigste eeuw

Indrukwekkend testament


Tony Judt heeft een familiegeschiedenis die van Dublin, Antwerpen en Wenen via concentratiekamp Bergen-Belsen en Groot-Brittannië uiteindelijk leidt naar de Verenigde Staten. Dat verhaal staat zo model voor dat van het Westen voor en na de Tweede Wereldoorlog. Judt is ongeëvenaard in de manier waarop hij de kleine geschiedenissen weet te verbinden aan het grote verhaal: Denken over de twintigste eeuw is autobiografie en ideeëngeschiedenis – een indrukwekkend testament van een groots historicus die tot het laatst is blijven geloven in de kracht van idealen.

Judt schreef het boek in samenwerking met een bevriende collega-historicus Timothy Snyder. Maandenlange gesprekken werden omgevormd tot het boek dat er nu ligt: een groots boek over Europa in de twintigste eeuw.

Tony Judt (Londen1948 – New York 2010) was docent aan New York University. Hij schreef voor onder andere The New York Review of Books, de Times Literary Supplement, The New Republic en The New York Times. In zijn standaardwerk Na de oorlog beschrijft hij hoe de positie van Europa na 1945 is veranderd. Zijn recente pleidooi voor sociaal-democratie Het land is moe was het laatste boek dat bij zijn leven verscheen.

Timothy Snyder (1969) doceert Oost-Europese geschiedenis aan Yale Universiteit. Zijn recentste boek is Bloedlanden, over de geschiedenis van Midden-Europa in de jaren 1933-1945.

478 p.