zondag 9 oktober 2011

Mededeling


Vakantie

Vanavond vertrek ik voor een veertiental dagen naar Spanje. Ik zal daar genieten van een al wat oudere vriendschap, het verjongende fietsen (met voor het eerst twee echte cols en dat zonder een triple op mijn racefiets!), van de zon (die voor mij de herfst nog wat zal uitstellen) en verder van veel gezellig tafelen. In die tijd zal ik geen bijdrage publiceren. So, watch out, your blogman is silent for a while!

vrijdag 7 oktober 2011

Het precieze gebruik (4461 - 4480)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4461 - 4480)

4461. arme Nederlanders: de bezuinigingen (waarvan de noodzaak in Nederland bovenmatig wordt opgeschroefd) moeten aldaar allerlei vieze potjes toedekken zoals het behoud van de louter om electorale redenen nog voorbestaande hypothecaire aftrek. Het aantal te bezuinigen miljarden euro’s stijgt met de dag. Als het kabinet zich aan zijn woord wil houden, moet 12 miljard extra worden bezuinigd, bovenop de met Geert Wilders afgesproken 18 miljard. Als Griekenland failliet gaat - zoals Wilders bepleit - wordt dat nog iets meer. Wat meer voorzichtige politici spreken daarbij niet van ‘bezuinigingen’ maar van ‘ombuigingen’. Maar welke term zij ook gebruiken, het blijft een merkwaardige vorm van (grotendeels gespeelde) politieke hysterie waarachter een belangenstrijd schuilgaat die zo groot is dat geen nog enigszins moreel mens een nuchtere analyse daarvan zal geloven.

4462. cultuur: iemand met cultuur heeft een sterke elektrische lading in zijn ziel en daarmee een positieve en negatieve pool, een continue spanning, een blijvende onrust, een voortdurend bewegen, een toestand die de gemiddelde ouders (en evenmin de hoogopgeleide academici) voor hun kinderen zelden verlangen. Ouders zijn doorgaans in dit opzicht gematigde utilaristen. Voor hun kroost willen ze een bescheiden geluk, een (ruim) huisje, lieve kinderen en een of ander boompje voor de deur. Artistieke, filosofische, religieuze of politieke bevlogenheid past niet in dat plaatje. Cultuur wordt dan een stuk decorum, een ongevaarlijk bewijs voor beschaving, veeleer een zaak van (bevredigende) bevestiging dan een middel tot (moeizame en gevaarlijke) verkenning.

4463. de mediacratie: het is helaas een mediocratie.

4464. de literatuur: er is ook nog een leven (lees: een lichaam) buiten de literatuur en misschien is dat zelfs wel meer de moeite waard.

4465. vraag: wanneer je op je dertigste een beslissing hebt genomen die je op je zestigste betreurt, kan die beslissing je dan alsnog worden kwalijk genomen?

4466. een echt nadenkend mens: zo’n mens is makkelijk te herkennen, hoewel hij zelden voorkomt. Zijn kenmerk is een gebrek aan intellectuele en emotionele eenkennigheid. Hij valt niet helemaal samen met zijn opinies of verlangens. Daarom kan hij iets waartoe slechts weinigen in staat zijn: zelfs op het publieke forum stelt hij geregeld zichzelf in verdenking.

4467. een quasi-nadenkend mens: zo’n mens is moeilijk te herkennen omdat zijn vermomming (die bestaat in een zo origineel mogelijk verpakte knieval voor een persoon, een stroming of een school) slechts kan worden doorprikt door een echt nadenkend mens en daarvan zijn er weinigen.

4468. de laatste neologismen: wat een backstabbing bitch! (over Lilian Ploumen die Job Cohen als leider van de Nederlandse PVDA in een artikel in de grond boorde); schrijvers die hun boeken op televisie verkopen vond ze modieus gebladerte (Camps over Hella Haasse); hier spreekt men illegaals (modieuze taalvariant van jongeren op gekleurde scholen); zo onbestemd dom als Sarah Palin; zo stembusgeslagen als Merkel.

4469. de Groenen: de reden waarom de andere partijen de Groenen in geen geval in de Belgische federale regering willen opnemen is niet in de eerste plaats dat ze het oneens zijn met de ideologie van die partij, evenmin het feit dat regeren met zovele partijen erg moeilijk is. Wat de groenvijandige partijen bindt is hun begeerte naar zoveel mogelijk ministerposten.

4470. de sociaal-democraten: overal in Europa steken ze hun tot bloedens toe geslagen neuzen weer boven het gras uit. Voor mijn part is dat een verheugend feit. Wat mij nu al ergert is de dogmatisch-hysterische, voor een nadenkend mens onverteerbare uitleg die de rechtsen voor dit fenomeen uit de mouw zullen schudden. Daarbij zal blijken dat het alleen andere, meer gelukkige omstandigheden zijn geweest die hun opvattingen superieur aan die van de Amerikaanse Tea Party deden lijken.

4471. het vak economie: aangezien economie een vak is kan je er gevorderd in zijn. Het vergt alleszins jaren van studie, veel intellectuele inzet en de vaardigheid de vinger op de pols van de eigen tijd te houden. Zolang dit vak een tastend, moeizaam, exploratief gebeuren is dat zich van de gewone wetenschappelijke methoden bedient kan ik er alleen bewondering voor hebben. De economie verandert echter van een respectabel vak in slechts een spannend media-evenement of nog erger in een verfoeilijke rechtvaardiging voor de acties van de machtigste partij in de maatschappelijke belangenstrijd als zij dogmatisch wordt en bijvoorbeeld voor alle problemen gedachteloos altijd maar dezelfde neoliberale oplossingen naar voren schuift terwijl het al jaren gebleken is dat die niet werken.

4472. het leven: het is niet voor sissy’s.

4473. denken: met een boekje in een hoekje, in de ivoren toren, academisme, kamerstoelgeleerdheid … ook de nadenkende mens is een zwak wezen dat nu en dan bescherming zoekt tegen het van alle kanten gevaarlijk naderende leven. Toch is die verwijdering van het concrete bestaan en vooral het gebrek aan actie (die normaal op het denken dient te volgen) minder aan psychologische factoren te wijten dan aan een meer algemene oorzaak: door de steeds maar toenemende arbeidsverdeling denkt de ene, handelt de andere, maar vrijwel niemand doet wat hij zelf heeft uitgedacht. De maatschappelijke vervreemding, die daarvan in allerlei vormen het gevolg is, is misschien een wat minder grijpbare, maar daarom niet minder reële push voor het populisme.

4474. de neoliberale economie: dit soort sinds drie decennia tot steen geworden ideologie overheerst zodanig het maatschappelijke leven (helaas ook op terreinen waar ze helemaal niet thuishoort)dat wie aan haar twijfelt al vlug voor een zonderling doorgaat. Het is zeer moeilijk weerstand te bieden aan deze voortdurend en overal bevestigde waarheden en je te onttrekken aan het mens- en wereldbeeld dat erin vervat is. Het is daarom een opluchting het boek van professor Ha-Joon Chang te lezen: 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme (zie mijn literatuurlijst). Een Hollandse vriend prees het mij aan en zei: “Ik voel me gered. Het was echt een verademing te weten dat de dogmatische economen het bij het verkeerde eind hebben”.

4475. onze cultuurminister: volgens onze cultuurminister moet je als Minister van Cultuur geen cultuurkenner zijn. Die moet vooral goed beleid voeren. Welnu, de Vlaamse regering maakt in haar nieuwe begroting 230 miljoen vrij voor nieuw beleid. Niets daarvan gaat naar cultuur.

4476. een Europees politiek portret: hij combineert de strakke houding van een monnik met de sluwheid van een Franse kardinaal. Hij werkt op de achtergrond, bijna vanuit de biechtstoel (The Economist over …..?).

4477. de Griekse schuld: professor De Grauwe (econoom, Leuven, zie foto) in De Morgen: “Inderdaad, fraude en corruptie hebben in dat land welig getierd en liggen aan de basis van de ontsporingen van de overheidschuld. Maar in een schuldenverhaal kan nooit alleen gezondigd worden. It takes two to tango. Er moeten twee partijen zijn om de schuld te laten ontsporen. De schuld kan slechts stijgen als de crediteurs bereid zijn geld te lenen. En de crediteurs uit het Noorden trappelden van ongeduld om krediet door het strottenhoofd van de Grieken te jagen”.

4478. de vermarkting van de wielersport: Hugo Camps over de zopas opgeleukte Ronde van Vlaanderen: “De pijn zit hem de vijandige overname van een volksport door moneymakers. Eerst is het voetbal verskyboxt, inclusief de treurigheid van Borgiamaaltijden vóór de wedstrijd. Nu is het kennelijk de beurt aan het wielrennen om de klassenmaatschappij nieuw leven in te blazen. De elite gescheiden van het volk in VIP-tenten. Voor organisator Flanders Classics is niets te gek, als de kassa maar rinkelt. Hop, weg met de Muur, hop, de streep door Meerbeke. Een traditie per vingerknip als lucht verplaatst. De Ronde van Vlaanderen is nu een veredelde Amstel Goldrace”.

4479. het portret van een Vlaams minister: Hugo Camps: “Hij zit er zo glad bij dat ik graag aluin tot het wereldwonder van de eeuw zou willen benoemen. Een kin waarop de hele mensheid zou kunnen schaatsen. Hij parafraseert op TV mantra’s van de IJzerbedevaart , een versregel van Cyriel Verschaeve, en verder mag Willem Vermandere de duisternis voltooien”.

4480. tiplijst AKO Literatuurprijs: drie Vlamingen zijn genomineerd. Yves Petry met De maagd Marino, Johanna Spaey met De eenzaamheid van het Westen en dichter Peter Theunynck met zijn veelgeprezen biografie over Karel van de Woestijne. Ik hoop op een Vlaamse overwinning, maar ik denk dat onze bovenbuur Peter Buwalda (met zijn romandebuut Bonita Avenue) de erepalm in ontvangst zal mogen nemen.

woensdag 5 oktober 2011

Tegen het idealisme (1)


Tegen de idealistische verleiding


In het volgende essay probeer ik uiteen te zetten waarom ieder idealiserend denken over de mens wel moet ontsporen en uiteindelijk vruchteloos blijft. Ik laat hier alle voetnoten weg. In een aantal volgende bijdragen zal ik dit eerste deeltje completeren zodat ten lange leste het hele essay voor de lezer ter beschikking staat. Ik gebruik de term ‘idealistische verleiding’ in een zeer ruime zin. Hij heeft niet uitsluitend betrekking op de idealistische filosofie. Hij staat voor ieder mensbeeld waarin de limiterende impact van het lichaam en de wereld op de innerlijke of uiterlijke activiteiten van de mens wordt ontkend, geminimaliseerd, verplaatst, omgebogen of op een andere wijze van haar conflictueuze scherpte wordt ontdaan. Ik gebruik deze term uitsluitend om moderne mensbeelden te beoordelen. Immers, in de premoderne opvattingen over de mens was er geen realistisch alternatief aanwezig, geen mogelijkheid om ze vanuit een systematisch, sterk objectiverend denkveld te corrigeren zoals dat sinds de wetenschappelijke revolutie in de zeventiende eeuw steeds meer het geval was.


De realiteit beperkt ons. Terwijl Sartre opmerkt ‘dat we precies in een situatie zijn waar er alleen maar mensen zijn’ repliceert Heidegger ‘dat we ons precies in een situatie bevinden waar er in de eerste plaats het Zijn is’. En het Zijn staat hier voor de werkelijkheid die ons omvat en de grond vormt voor wat we zijn of kunnen worden. De werkelijkheid, waartegen wij aanschuren in de natuurlijke wereld en in de geschiedenis, leert ons een niet onaardig lesje in bescheidenheid: daar komen we in aanraking met onze eindigheid en een meestal pijnlijke contingentie. Het zijn beperkt ons van binnen en van buiten: in het lichaam, dat ons (zelf)bewustzijn zeer nabij is , in ons karakter, in de vaste structuren van onze natuur, in het onvatbare onderbewustzijn, in de objectieve buitenwereld met zijn dwingende wetten en zijn bedreigende onvoorspelbaarheid, in de verrassende andersheid van de medemens en van vreemde groepen, culturen en volkeren, in de reeds gesedimenteerde lagen van de sociale realiteit en in de impact van onze persoonlijk en collectieve geschiedenis.

In zijn boek The Rebel laat Camus zien wat er gebeurt als ons verlangen om een onrechtvaardige situatie te corrigeren ontaardt in een illusie van menselijke onfeilbaarheid en verandert in de overtuiging dat wij de hele realiteit naar onze hand kunnen zetten. Een gewone rebellie kan zich transformeren in een metafysische revolutie waarin het onderscheid tussen wat de mens kan maken en wat buiten zijn creatieve greep blijft in de mist verdwijnt. Het atheïsme van Camus, zo merkt David J. Levy op , is van een heel andere natuur dan dat van Feuerbach of Marx. De laatsten maken van de mens een wereldscheppende god, terwijl de eerste de blik gericht blijft houden op de begrensde reikwijdte van onze prestaties, op de beperkende limieten die precies in de bestaande werkelijkheid liggen vervat. Omdat de werkelijkheid ons transcendeert zijn we er verregaand van afhankelijk. Camus begreep zeer goed dat de moderne totalitaire staten probeerden zichzelf tot een absolutum op te blazen precies omdat ze weigerden die ontologische beperking te aanvaarden die onvermijdelijk ons lot is. Omdat de mens nu eenmaal op allerlei niveaus in de realiteit is verankerd en afhankelijk blijft van een werkelijkheid, die grotendeels bestond voor zijn geboorte en die zal blijven bestaan na zijn dood, noem ik hem een klein ik.

Vele auteurs, die ik naar hun mensbeeld heb bevraagd en nog bevraag, zijn fervente, soms erg radicale cultuurcritici en velen van hen presenteren zich zonder schroom als revolutionairen. Als ik de bovengenoemde ontologische beperkingen ernstig neem rijst telkens de vraag of hun maatschappelijke correctieven realiseerbaar zijn of alleen maar een verzameling van utopische kreten. De oplossing voor echte problemen kan alleen in de werkelijkheid te vinden zijn. De utopische denker moet altijd voor zichzelf en de anderen verbergen dat er een ontologisch ravijn ligt tussen zijn bedoelingen en de realisering ervan. Al breekt hij allerlei door hem gelaakte sociale en politieke instituties af, vroeg of laat staat de realiteit weer voor zijn deur. In plaats van instituties, sociale groepen of individuen te vernietigen zal hij uiteindelijk de werkelijkheid zelf te lijf gaan. Omdat zovele dingen en situaties koppig blijven zoals ze nu eenmaal zijn kan hij alleen maar proberen het ontembare te temmen op het niveau van het bewustzijn, door een intense propaganda en dwang, die op den duur een totale ideologie in het leven roepen. En de prijs daarvan is de negatie of de versluiering van de werkelijkheid.

Levy waarschuwt vervolgens voor het gevaar van wat ik samenvattend de idealistische verleiding noem. Zijn boek is een lang pleidooi voor de onmisbaarheid van een realistische of ontologische component in de sociaalwetenschappelijke analyse van menselijke fenomenen. De mens staat niet zomaar naakt voor de werkelijkheid. Zijn relatie met de wereld en de anderen wordt bemiddeld door de cultuur, die in de eerste plaats een symbolische of talige schepping is. In betekenisvolle praktijken, symbolen, taalbouwsels van allerlei soort en in maatschappelijke instituties legt de mens lagen van zin over de werkelijkheid, die hij van de ene naar de andere generatie doorgeeft. Daarbij corrigeert hij ze, vult ze aan of brengt ze samen in een ruimer of hechter verband. Omdat het hier gaat om menselijke scheppingen ligt de verleiding op de loer dat de wereld daaronder verdwijnt, soms zelfs in zo sterke mate dat die oplost in het niets. Omdat de mens eigenmachtig zin geeft aan de werkelijkheid kan hij menen dat de wereld het product is van zijn eigen, goddelijke creativiteit. Deze idealistische verleiding wortelt in het raadsel van de relatie tussen de taal en de werkelijkheid, een probleem waarop zovele denkers uit de twintigste eeuw hun licht hebben lieten schijnen. Onze omgang met de wereld heeft een subjectieve kant die kleur geeft aan allerlei mentale inhouden en zijn uitdrukking vindt in de taal, waarvan de woorden en de grammatica nochtans objectieve dingen en standen van zaken lijken te weerspiegelen. Wie denkt of spreekt plaatst zich op een afstand van het gedachte of het besprokene. Hij installeert zich noodgedwongen in de dualiteit tussen subject en object. Die dualiteit is echter niet aanwezig in de ervaring. De interpretatieve en erg fenomenologisch gerichte socioloog Eric Voegelin (zie foto)vat het denken en spreken op als gebeurtenissen binnen de wereld waarvan die activiteiten deel uitmaken. Zo ziet hij het subject zelf als een voortgaand proces dat op allerlei wijzen zijn wortels vindt in de wereld waarin het participeert. Ontevreden als hij is met Husserls erg subjectgerichte bewustzijnsopvatting zoekt hij in een langdurige samenwerking met zijn vakgenoot Alfred Schutz naar een alternatieve theorie, die onderstreept hoe het bewustzijn ontologisch verbonden is met het tijdruimtelijke kader van de werkelijkheid waarvan het een deel is en waarin het zich als een gebeurtenis ontvouwt:

There is no absolute starting point for a philosophy of consciousness. All philosophizing about consciousness is an event in the consciousness of philosophizing and presupposes this consciousness itself with its structures. Inasmuch as the consciousness of philosophizing is no ‘pure’ consciousness but rather the consciousness of a human being, all philosophizing is an event in the philosopher’s life history; further an event in the history of the community with its symbolic language, further in the history of mankind, and further in de history of the cosmos. No ‘human’ in this reflection on consciousness and its nature can make consciousness an ‘object’ over against him; the reflection is rather an orientation within the space of consciousness by which he can push to the limit of consciousness but never cross those limits. Consciousness is given in the elemental sense that the systematic reflection on consciousness is a late event in the biography of the philosopher. The philosopher always lives in the context of human history, the history of human existence in the community and in the world.

Omdat het is ingebed in de tijd en de ruimte en daardoor een levend deel van de werkelijkheid is het bewustzijn slechts een eindige gebeurtenis in het oneindige proces van de realiteit. Daaruit blijkt al dadelijk een fundamentele beperking van de mens: door de gelimiteerde reikwijdte van zijn bewustzijn is zijn kennen aan grenzen gebonden.’There is pysche deeper than consciousness, and there is reality deeper than reality experienced, but there is no consciousness deeper than consciousness.’ Hoewel zijn natuurlijke conditie de mens dwingt de ‘partner’ te zijn (in de zin van een onderdeel) van de hem omringende realiteit is hij nooit in staat de diepere structuur ervan ten volle te doorgronden. ‘Knowledge of the whole … is precluded by the identity of the knower with the partner, and ignorance of he whole precludes essential knowledge of the part … (yet) ultimate, essential ignorance is not complete ignorance. Man can achieve considerable knowledge about the order of being, and not the least part of that knowledge is the distinction between the knowable en the unknowable’. In de vertaling van Voegelins Anamnesis door Gerhart Nimeyer schrijft Voegelin een interessant voorwoord. Daarin zet hij zijn belangrijkste ideeën nog eens uiteen. Hij toont zijn ontevredenheid met de toenmalige academische opvattingen over het bewustzijn en die in de ideologische massabewegingen van zijn tijd: beide vernauwen ze de horizon en daarmee de mogelijkheden van het bewustzijn al te zeer:

I had observed the restriction, and recognized it as such, with the criteria of the observation coming from a consciousness with a large horizon, which in the case happened to be my own. And if that was true, then the school-construction of an ‘intersubjective’ ego as the subject of cognition did not apply to an analysis of consciousness; for the truth of my observation did not depend on the proper functioning of a ‘subject of cognition’ in the Kantian, or neo-Kantian, sense when confronted with certain ‘subjective’ deformations. An analysis of consciousness, I had to conclude, has no instrument other than the concrete consciousness of the analyst. The quality of the instrument, then, and consequently the quality of the results, will depend on what I have called the horizon of consciousness; and the quality of the horizon will depend on the analyst’s willingness to reach out into all the dimensions of the reality in which his conscious existence is an event, it will depend on his desire to know. A consciousness of this kind is not an a priori structure, nor does it just happen, nor is its horizon a given, it rather is a ceaseless action of expanding, ordering, articulating, and correcting itself; it is an event in the reality of which it partakes. It is a permanent effort at responsive openness to the appeal of reality, at bewaring of premature satisfaction, and above all at avoiding the self-destructive phantasy of believing the reality of which it is a part to be an object external to itself that can be mastered by bringing it into the form of a system.

Op die wijze verschijnt Voegelins bewustzijn als een ‘sensorium of transcendence’, een veranderlijk en zich voortdurend verdiepend ‘register of reality’. Daarom wantrouwt hij iedere positivistische poging (zoals die van A. Compte) om de sociale werkelijkheid via de objectiverende methoden van de natuurwetenschap in tijdloze uitspraken te vatten. Tegelijk waarschuwt hij voor een overtrokken subjectivisme of een vorm van geradicaliseerd idealisme die even nefast zijn. In het spoor van de fenomenologie wijst hij erop dat het gevaarlijk kan zijn het denken en de ervaring al te zeer te scheiden. Daarom blijft het niet zonder kwalijke gevolgen als we een te grote autonomie toekennen aan het spreken of aan de symbolische zingeving. De resultaten van een fenomenologische, hermeneutische of andersoortige analyse van menselijke aangelegenheden blijven altijd voorlopig. Wat constant blijft zijn de structuren van de werkelijkheid waarop de mens met zijn symbolische activiteit reageert. Ook een kunstwerk heeft een materiële onderbouw met een eigen wetmatigheid waaraan de interpreet niet straffeloos kan voorbijgaan. Werktuigen zijn niet alleen een verlengstuk van ons kunnen. Ze hebben ook een inwendige structuur die hun functie mogelijk maakt én beperkt. Een interpretatie van menselijke verschijnselen moet zich dan ook ontdoen van de almacht van het transcendentale ego dat op eigen kracht de wereld begrijpt en tot stand brengt. Het meer hermeneutische denken van het einde van de negentiende en de twintigste eeuw voltrekt deze noodzakelijke beweging van binnen naar buiten. We weten bijvoorbeeld hoe Dilthey Kants categorieën historiseerde tot ze in het werk van R.G. Collingwood, I. Berlin en C. Taylor de vorm aannamen van in de cultuur voorgegeven (relatieve of absolute) vooronderstellingen die het denken bepalen. Taylor spreekt dan ook van een ontologie, een aan het subject voorafgaand framework van beschikbare waarden.

Het denken moet wel ontsporen als de aandacht uitsluitend gericht is op de eigenmacht van het subject of op de veelheid van zijn talige bouwsels. Als de limiterende aspecten van de werkelijkheid buiten beeld blijven doet zich een fenomeen voor dat Voegelin ‘the eclipse of reality’ noemt. In een essay met die titel beschrijft hij wat er gebeurt als de mens zijn veelvuldige betrokkenheid op de realiteit niet in rekening brengt. De auteur hanteert daarbij niet zonder ironie het woordgebruik van Jean-Paul Sartre, die omwille van zijn verabsoluteerde vrijheid als zijn bête noir optreedt. Als het zelf eenmaal is losgemaakt van zijn context verschrompelt het tot een wazige, ongedefinieerde entiteit, een lege potentie, onbelast door zijn eigen facticiteit en precies daardoor ‘veroordeeld om vrij te zijn’. Voor dit ineengekrompen ego is God dood, bestaat het verleden niet meer, is het heden een vlucht vooruit naar een van de vele mogelijkheden van de toekomst, waarin het hoopt door een volstrekt voluntaristisch project een zekere substantie te krijgen, maar ook die zal voorlopig zijn en opnieuw wegzinken in een volgende onbepaaldheid. Voegelin noemt een dergelijk oningevuld ego een typisch modern fenomeen. De moderne mens is bijzonder vatbaar voor ideologieën precies omdat zijn verschraalde ego alle voorgegeven, uit de werkelijkheid aanwaaiende betekenissen tussen haakjes zet. Hij kan de kilte van de wereld en zijn innerlijke leegte alleen verdragen als hij die compenseert door zijn scheppende verbeelding, die de werkelijkheid overdekt met fantasmen van eigen vinding. Zo construeert hij zich een betekenisvol bestaan terwijl hij tegelijk de leefwereld van alledag geweld aandoet:

As neither the man who engages in deforming himself to a self ceases to be a man; nor the surrounding reality of God and man, world and society does change its structure; nor the relations between man and his surrounding reality can be abolished; frictions between the shrunken self and reality are bound to develop. The man who suffers from the disease of contraction, however, is not inclined to leave the prison of his selfhood, in order to remove the frictions. He rather will put his imagination to further work and surround the imaginary self with an imaginary reality so as to confirm the self in its pretence of reality, he will create a Second Reality … in order to screen the First reality of common experience from his view. The frictions, consequently, far from being removed, will grow into a general conflict between the world of his imagination and the real world … A reality projected by imagination … is not he reality of common experience. Nevertheless, a man’s act of deforming himself is as real as the man who commits it, and his act of projecting a Second Reality is as real as the First Reality it intends to hide from view. The imaginator, his act of imagination, and the effects the act has on himself as well as on other people, thus, can claim to be real. Some imaginative constructions of history, designed to shield the contracted self, as for instance those of Comte, or Hegel, or Marx, even have grown into social forces of such strength that their conflicts with reality form substantial part of global politics in our time. The man with a contracted self is as much of a power in society and in history as an ordinary man, and sometimes a stronger one. The conflict with reality turns out to be a disturbance within reality.

Dit mogelijke werkelijkheidsverlies illustreert de afstand die er bestaat tussen het gewone, alledaagse leven en een opgeklopt, ideologisch universum. Ook Paul Ricoeur brengt de verbeelding (waarin het zelf zich buitenmatig grootmaakt) in verband met de passies, (‘des maux imaginaires’) die de ordelijke werking van het cogito verstoren. Hetzelfde fenomeen leidt verder tot de bekende dichotomie in de moderne filosofie tussen ‘is’ en ‘ought’, tussen feiten en waarden, op basis waarvan een objectieve ethische of politieke theorie irrelevant dreigt te worden. Vervolgens is het vrijwel onmogelijk de anderen te denken vanuit de geïsoleerde positie waarin dit ego zich plaatst. Husserl probeerde met moeite de constitutie van de medemens in het bewustzijn van het eigen ego te begrijpen. Voegelin, die een groot bewonderaar was van Thomas Reid, de Schotse filosoof van de common sense, merkt daarbij op: “The fact that consciousness has an experience of the other, as a consciousness of the other, is not a problem but a given of experience from which one may start out but behind which one may not retreat.”

(wordt vervolgd)

dinsdag 4 oktober 2011

Het precieze gebruik (4441 - 4460)


Een verheldering van belangrijke begrippen met raadgevingen van de auteur voor hun juiste gebruik (4441 - 4460)

4441. de h-index: het Getal van het Genie, dat via weging van citaten en verwijzingen de impact van een wetenschapper weergeeft. In Amerika is een h-rating van 18 toereikend voor een professoraat, een rating van 45 doorgaans goed voor de prestigieuze National Academy of Sciences. De beroemde Britse natuurkundige Stephen Hawking heeft een ‘magere’ 67. De fysicus Edward Itten (Baltimore 1951, zie foto), volgens velen de moderne Einstein en in ieder geval een hogepriester van de snaartheorie, heeft een index van 144, de hoogste van de wereld.

4442. de laatste neologismen: de vettaks (deze term is ook geschikt voor een extra-belasting op de hoge inkomens); tepelflosjes: een slutwalk; de wereldoorlogen als accidentele spasmen in een steeds maar geweldlozer maatschappij (Steven Pinker in een nieuw boek); het prikklokpersoneelsbeleid als een manier om de economische schade door rookpauzes te beperken en te bestraffen (of hoe Big Brother langzaam maar zeker reële proporties aanneemt); de Nederlandse autochtone potenrammers, de schrik der nichten; de jaarlijkse Gay Parade in Amsterdam, de vlootschouw van de Nederlandse tolerantie; de ecocide als voorwaarde van de genocide.

4443. brugpensioen: de voorzitter van Het Verbond van Belgische Ondernemingen Pierre Alain De Smedt roept op om het brugpensioen af te schaffen. Aan wie vraagt hij dat? Eigenlijk moet hij zijn collega’s (de ondernemers) aanwijzen als de hoofdveroorzakers van dit probleem. De patroons profiteren immers het meest van dit systeem.

4444. filosofie: mijn vriend Raf stuurt me een gedicht van Ringelnatz dat hem onweerstaanbaar aan "dé filosofie" doet denken:

„Wo sitzt“, frug der Globus leise
Und naseweis die weise, weiße,
Unübersehbar weite Wand,
„Wo sitzt bei uns wohl der Verstand?“

Die Wand besann sich eine Weile,
Sprach dann: „Bei dir – im Hinterteile!“

Nun dreht seitdem der Globus leise
Sich um und um herum im Kreise –
Als wie am Bratenspieß ein Huhn,
Und wie auch wir das schließlich tun –
Dreht stetig sich und sucht derweil
Sein Hinterteil, sein Hinterteil.

4445. herfst: dit jaargetijde doet me dan weer denken aan een vers van Allard Schröder dat ik zopas in de krant zag staan:

O de stille pracht van de verloofden
’s avonds door oktoberstraten, sterren in de ogen,
De weemoed van mevrouwen, hun licht bepoederd zuchten,
De serene dans van de Sunlight-kinderen – en hun ernst,
Want oud zullen ze als kind niet worden.

4446. een memorabele oma: een onverwoestbare planeet op steunkousen.

4447. de tijd: pas is ie er of hij verandert onvermijdelijk in het verleden. En toch leven we voortdurend met ons gezicht naar een verlokkelijke toekomst.

4448. de echte functie van banken: Etienne de Catallÿ, hoofdeconoom van de bank Degroof: “Het is zinvol om terug te keren naar de initiële toestand, waarin je in België bijvoorbeeld het Gemeentekrediet had: een bank die draait op basis van spaardeposito’s. Het is bovendien een logisch gevolg van de vrijemarkteconomie dat de aandeelhouders van banken in moeilijkheden voor de problemen opdraaien”.

4449. een weetje over de vrijemarkteconomie (1): oliereus Shell betaalde in de jaren negentig Nigeriaanse soldatenbendes om het lokale protest tegen de vervuilende olie-ontginning met geweld de kop in te drukken.

4450. een weetje over de vrijemarkteconomie (2): de staat, met al zijn legislatief en politioneel geweld, richt zijn pijlen merkwaardigerwijze bij voorkeur naar beneden en zelden of nooit naar boven. Dit gebeurt niet alleen omdat de staat, zoals elke geweldenaar, een zwakke boven een sterke tegenstander verkiest, maar ook en vooral omdat de sociaal-economische macht van dominante groepen tot gevolg heeft dat zij voor de staat mogen definiëren wie de tegenstander is.

4451. een weetje over de vrijmarkteconomie (3): uit De Morgen: “Vier maanden geleden zuchtte Maurice Lippens in een interview vanuit zijn living met overweldigend uitzicht op de polders: "Ach, petit pays, petits gens. De politieke wereld is daar een goed voorbeeld van, nietwaar?" Vandaag zijn het opnieuw les petits gens die garanties moeten geven voor de toxische kredieten binnen de banken. Opnieuw wordt naar de overheden gekeken om een bank, en bij uitbreiding ons financieel systeem recht te houden. Hegel merkte ooit op dat alle grote historische feiten en personen als het ware tweemaal optreden. Karl Marx voegde daaraan toe: de ene keer als tragedie, de andere keer als klucht. Veel reden tot lachen is er vandaag niet”.

4451. onze cognitieve beperktheid: de Britse astrofycicus Martin Rees: “My dog can’t understand quantum mechanics. And there is no guarantee that the laws of nature will match what human brains can understand either”.

4452. de terreur van het positieve (1): op Facebook kan je niet reageren met de opmerking: “Dit vind ik niet leuk”. Nochtans doet het zich voor dat een persoon, als hij iets leuks vindt, heel waarschijnlijk het tegengestelde daarvan niet als zeer attractief zal omschrijven. Hoe intenser, eerlijker, met des te meer inzicht iemand een medemens, een zaak of een toestand de hemel inprijst, hoe meer hij geneigd zal zijn het tegengestelde daarvan te laken. De poging om in het publiek negatieve oordelen te vermijden is vaak een zaak van beleefdheid of tact. Als het echter gaat om de waarheid kunnen afkeurende oordelen niet worden verdonkeremaand. Daarom kan degene die die oordelen vormt en uitspreekt niet zonder meer als een destructief type, een ongelikte beer of als een pessimist worden voorgesteld.

4453. driftige Wilders zwaait met een nieuwe knots: Bert Wagendorp in De Morgen: “We zijn het land van de grote Baruch Spinoza, filosoof van de tolerantie. We golden lang als een land waar verschillende geloofsovertuigingen in relatieve vrijheid met elkaar konden leven: wij hebben een rustige handel altijd boven scherpslijperij gesteld. Nederland was een pragmatisch tolerant land. En we zijn het land waar de laatste decennia in het basisonderwijs de noodzaak van tolerantie sterk wordt benadrukt - met effect. Ook onder de nieuwe Nederlanders, die zich in overgrote meerderheid snel van de bekrompen opvattingen van hun ouders losmaken. Toch hebben we de afgelopen jaren veel van die roep van tolerante natie ingeleverd. De intolerantie is inmiddels nadrukkelijk aanwezig in ons parlement, en noemt zichzelf cynisch Partij Voor de Vrijheid. De PVV heeft zopas het weggepeste homostel ontdekt als nieuw middel in de strijd tegen de oprukkende islamitische horden. Elk weggepest homostel is het bewijs voor waar het met ons land naar toe gaat, als we niet "keihard" ingrijpen”.

4454. de terreur van het positieve (2): een van de psychologische gronden voor onze afkeur voor voortdurend herhaalde of voor een al te grote hoeveelheid negatieve oordelen is wel het feit dat zij op den duur ons gevoel voor veiligheid ondermijnen. Ze zouden daarenboven ons wantrouwen stimuleren zodat onze spontaan geloof in de welwillendheid van anderen en in de goedheid van de wereld in het gevaar komt. Het is echter een teken van iemands intelligentie en van zijn sterkte als hij een constructief leven kan leiden, terwijl hij noodgedwongen de onveiligheid van het bestaan bevestigt en verder de noodzaak van een volgehouden wantrouwen in de anderen en in de menselijke instituties en daarenboven het inzicht in de onverschilligheid van de natuur.

4455. seagull management: met in businessscholen haastig klaargestoomde managers, geen enthousiasmerende leiders, maar dogmatische ideologen die veel lawaai maken, nadrukkelijk op het hoofd van de werknemers poepen en dan wegvliegen. Ze cirkelen voor een tijdje boven een bedrijf, maar nemen er geen echte verantwoordelijkheid voor. Dat bedrijf en de mensen die er werken zullen hen een zorg zijn.

4456. het belang van speculatief denken: als experimenten niet mogelijk zijn kan me nog altijd speculatief denken. Vele natuurkundigen plegen hun neus op te halen voor bijvoorbeeld de filosofie waar dit soort denken de regel zou zijn. In dat verband de Nobelprijswinnaar Steven Weinberg: “Met de huidige technieken is het bestaan van de onmetelijk kleine snaartjes fysiek in ieder geval niet te verifiëren. Je zou een deeltjesversneller nodig hebben van hier tot aan de maan. Maar daar gaat het niet om. “Snaartheoretici gaan tot het uiterst denkbare om puur mathematische intuïtie uit te tillen boven de grenzen van het experiment, om zo tot een theorie te komen op het meest fundamentele niveau”. Op de verwijzing naar de wiskunde na lijkt dit aardig op een definitie van de filosofie.

4457. de waarheid vinden en haar verdedigen: weinige zaken zijn zo verschillend als de wijze waarop men de waarheid vindt en de manier waarop men die verdedigt, in het bijzonder tegen haar felste, uiterst arglistige vijanden. Bij het eerste past een gedetacheerde houding, objectiviteit, opschorting van het eigen belang en de bereidheid rekening te houden met allerlei bezwaren van anderen. Het tweede vereist een vorm van geslepen strategisch denken, oorlogstaal, ingewikkelde tactische manoevers en de bereidheid scherp uit te halen en het eigen gelijk desnoods als een mes in het vlees van de tegenstander te planten. Daarom, wie in de politiek (en overigens ook in het gewone leven) als een wetenschapper te werk gaat delft al vooraf het onderspit.

4458. de leugen van het jaar: niet het marktfalen, maar het overheidsfalen heeft de crisis veroorzaakt.

4459. laissez faire: het neoliberale laissez-faire, populair gemaakt door Friedrich Hayek, de Chileense dictator Pinochet (die trouwens handelde op advies van Hayek en vooral op dat van Milton Friedman), Margareth Thatcher, Ronald Reagan, Alan Greenspan, Ayn Rand en Glenn Beck, is niets meer dan een utopische ideologie, die zich steeds minder aan de werkelijkheid gelegen laat liggen. Het kapitalisme kan niet falen omdat de zuivere vorm daarvan nog moet beginnen. Dit is een typisch afweermechanisme dat je vroeger bij veel linkse intellectuelen aantrof. Toch heeft links heeft veel gepraat over wat er mis ging bij Marx, Lenin, Stalin. Rechts doet dat totaal niet. Ze weigeren gewoon in te gaan op de utopische facetten van het vrijemarktdenken”.

4460. de literatuur en de waarneming: Proust in zijn Recherche: “Is er nu niemand die over deze plek geschreven heeft, dan weet ik tenminste wat ik moet zien!”.